Pauskwestie 1

Een Paus die een ketterij verkondigt, uitwendig en publiek, verliest daardoor zijn pausschap.

Dit wordt bewezen door de volgende Leer die overal , altijd en door iedereen is geloofd en geleerd geweest in de Kerk.

Een Beginsel :

“Een Leer die overal , altijd en door iedereen is geloofd en geleerd geweest in de Kerk” is onfeilbaar want hij behoort tot de geloofsschat. Inderdaad, de Kerkvaders hebben geleerd (bvb Vincentius van Lérins in zijn “Commonitorium”) dat “quod semper, unbique et ab omnibus creditur  in Ecclesia” (“Leer die overal , altijd en door iedereen is geloofd en geleerd geweest in de Kerk”) teruggaat op de Apostelen, dus op Onze Heer Jezus Christus, dus op God zelf. Het is deel van de Openbaring van God.

We bewijzen nu dat de leer dat “een ketterse paus ipso facto geen paus (meer) is”, altijd overal en door iedereen werd geleerd.

Er volgen hieronder twee artikels, beiden genomen in vertaling uit de D.T.C., wat een standaardencyclopedie is van thomistische theologie.

Een tip : DTC was het raadplegingswerk van Mgr Lefebvre bij uitstek.

eerste artikel :

Prima sedes a nemine judicetur nisi deprehendatur a fide devius”

Bewijsvoering van het bestaan en de zekere waarde van het beginsel voorgehouden door het ganse Leergezag gedurende de gehele Middeleeuwen:

De paus wordt door niemand geoordeeld, tenzij men vaststelt dat hij afwijkt van het geloof.”

Bronnen:

1) Dictionnaire de Théologie Catholique (D.T.C.)1,

« Infaillibilité du pape »

II. Theologisch geschil betreffende het voorrecht behoed of uitgezonderd te zijn van ketterij, door enkele theologen toegeschreven aan de paus, zelfs als privé-persoon beschouwd ;

– 1° Geschiedkundig overzicht. – 1. In het Decretum van Gratianus leest men deze verklaring toegeschreven aan de heilige Bonifatius, Aartsbisschop van Mayence, en reeds geciteerd onder zijn naam door Kardinaal Deusdedit (†1087), evenals door Yves de Chartres, Decretum V, 23, “Dat de paus kan te kort schieten in het geloof” : « Hujus (i. e. papae) culpas istic redarguere prœsumit mortalium nullus, quia cunctos ipse judicaturus a nemine est judicandus, nisi deprehendatur a fide devius » (« Geen sterveling eigent het zich toe de zondeschulden van de paus te oordelen, want hij die iedereen oordeelt, kan door niemand geoordeeld worden, tenzij hij als afwijkend van het geloof bevonden wordt »).2

Image result for gratianus

De grote Kerkjurist Gratianus,

zijn “Decretum” bleef het standaardwerk tot in 1917.

Vervolgens wordt deze zelfde Leer zelfs bij de meest overtuigde verdedigers van het pauselijk voorrecht teruggevonden. Paus Innocentius III verwijst ernaar in één van zijn preken: « In tantum fides mihi necessaria est ut cum de ceteris peccatis solum Deum judicem habeam, propter solum peccatum quod in fide commttitur possem ab Ecclesia iudicari »3, [Vrije vertaling, NVH : “Het geloof is mij zo noodzakelijk dat, hoewel ik voor alle andere zonden slechts God alleen als mijn rechter heb, de zonde tegen het geloof de enige zonde is waarvoor ik door de Kerk geoordeeld kan worden”] De grote scholastieke theologen hebben het over het algemeen nagelaten deze hypothese te bestuderen; maar de grote kerkjuristen van de 12de en 13de eeuw kenden de tekst van Gratianus en hebben deze van uitleg voorzien. Allen erkennen zonder moeite dat de paus in ketterij kan vallen zoals hij in elke andere zware fout kan vallen; ze houden zich er alleen mee bezig te onderzoeken waarom en onder welke voorwaarden hij in zulk geval door de Kerk kan geoordeeld worden. Voor sommigen is het de enige uitzondering op de pauselijke onschendbaarheid. « Non potest accusari nisi de haeresi », staat er in de Summa Lipsiensis (van vóór 1190) [Vert., NVH: “Men kan hem nergens van beschuldigen tenzij van ketterij”]. Anderen gaan verder dan ketterij: schisma, simonie, wanbestuur; maar de zonde tegen het geloof blijft steeds het typische geval dat hen aanzet tot het op punt stellen van een procedure. Het betreft immers een zaak die de gehele Kerk aanbelangt. Rufin vat (rond 1164-1170) aldus de opinies van zijn tijd samen: « In ea (causa) quae totam Ecclesiam contingit, (papam) judicari potest, sed in ea quae unam personam vel plures (contingit), non » (vert. « in zaken de de gehele Kerk aangaan, kan de paus worden geoordeeld, maar niet in die één of meerdere personen aangaan »). Dezelfde auteur preciseert dat men deze regel moet verstaan als betreffende de hardnekkige ketterij. « Prima sedes non judicabitur a quoquam nisi in fidei articulis pertinaciter erraverit » (vert. « de eerste stoel (de paus) zal niet geoordeeld worden door niemand, tenzij hij in geloofszaken hardnekkig dwaalt »), Hetgeen voor Johannes van Faënza veronderstelt dat de paus schuldig bevonden wordt na een tweede en derde waarschuwing : « secundo et tertio commonitus ». Dán is er geen ruimte meer om het primaatschap [ter verdediging] in te roepen : voor Huguccio (†1210) is de paus dan « minor quolibet catholico » (vert. « minder waard dan eender welke katholieke gelovige »).

Vanaf de 13de eeuw ontstaat onder de ‘decretalisten’ de tendens om zich aan de letter van Gratianus te houden, door zijn beginsel graag toe te passen op gelijkaardige gevallen que les Décrétistes étendaient volontiers à des cas similaires (hoe dit best te vertalen?). Het oordelen van de paus wordt door de eersten dus voorbehouden voor het enkele geval van ketterij.« Nisi in crimine haeresis »,(vert. « (geen oordeel over de paus) tenzij voor de misdaad van ketterij ») zegt Bernard de Pavie (†1213). « Excipitur unum solum crimen super quo Papa accusari possit »,(vert.: « Er is een enkele misdaad waarvoor de paus kan worden aangeklaagd ») verklaart de beroemde Hostiensis (Henri de Segusio, †1271). Maar de mogelijkheid van dit laatste geval is altijd voorzien zonder de minste aarzeling.

Ingeperkt of uitgebreid, het denken van Gratianus heeft het kerkelijk recht gedurende de hele Middeleeuwen beheerst.

einde citaat uit DTC

(Nota van de redactie:

volgens het beginsel van de Kerkvaders, uitgedrukt door H. Vincentius van Lerins is een leer die altijd, overal en door iedereen is geloofd en geleerd is geweest in de Kerk een Leer die teruggaat op de Apostelen, dus op OH Jezus Christus. Dus behoort tot de geloofschat en is onfeilbaar juist.)

Zie: E.H. Schulte, Die Steltung der Concilien, Päpste und Bischöfe.4 Bevat een zeer uitgebreid dossier van deze teksten die voor het grootste deel onuitgegeven of moeilijk vindbaar zijn.

2. In de 15de eeuw blijft deze zelfde doctrine voortbestaan bij talrijke auteurs die, zoals hun voorgangers, toevoegen dat de paus in zulk geval onmiddellijk beroofd wordt van de pauselijke waardigheid, of afgezet wordt door het feit [van de ketterij] zelf.5 Volgens andere theologen kan de paus in zulk geval geoordeeld worden door een concilie.6

[De rest van het artikel draagt weinig van belang bij aan ons onderwerp. Daarom werd het niet vertaald. Toch geven we het voor de volledigheid weer, ten bewijze dat niets uit het oorspronkelijke artikel is weggelaten.]

Aan het einde van dit artikel is er een tweede nog sterker artikel uit de DTC : scroll naar beneden aub.

3. Au commencement du XVI° siècle, l’opinion du cardinal Torquémada est reproduite par Cajétan, « De romani pontificis institutione et auctoritate, c. xiii, Opuscula omnia. t. 1, tr. III, Turin, 1582, p. 93 sq., et par Sylvestre de Prierio, « Summa sylvestrina, art. Papa, n. 4, Lyon, 1594, t. ii, p. 276. A l’encontre de cette assertion, Pighi affirme que, selon la promesse de Jésus-Christ, prise dans toute son étendue, Matth., xvi, 18, il est impossible que le pape soit hérétique, parce que, le fondement de l’Église faisant alors défaut ou cessant d’être uni à Jésus-Christ, il serait vrai de dire que les puissances de l’enfer ont prévalu contre l’Église. Pighi confirme sa conclusion par ce fait providentiel, certainement démontré, dit-il, qu’il n’y a eu jusque-là aucun pape hérétique, ce qui autorise à conclure qu’il n’y en aura point jusqu’à la fin des siècles. « Hierarchiae ecclesiasticae assertio », l. IV, c. viii, Cologne; 1538, fol. cxxxi sq. Celle affirmation de Pighi fut aussitôt combattue par Melchior Cano, qui, après avoir rejeté la plupart des explications données par Pighi pour justifier plusieurs papes au sujet de la foi, conclut que l’on ne peut nier que le souverain pontife puisse être hérétique, puisqu’en fait il y a un exemple ou peut-être deux. De locis theologicis, l. VIII, c. viii, Opera, Venise, 1759, p. 170. Cano fut suivi par Dominique Soto, In IV Sent., dist, XX II, q. ii, a. 2, Venise, 1575, t. 1, p. 1040; Grégoire de Valence, « Analysis fidei catholicae », part. VIII, Ingolstadt, 1585, p. 310; Bannez, Commentaria in I Iam IIae, q. 1, a.10, dub.ii, Venise, 1602,col.115 sq,

Pighi eut cependant quelques défenseurs. Bellarmin soutient comme probable cette proposition extraite de Pighi : il est probable et l’on peut croire pieusement que le souverain pontife, considéré comme personne privée, ne peut être hérétique en adhérant avec opiniâtreté à une erreur contraire à la foi. Cette proposition est montrée conforme à l’ordre providentiel et appuyée par les faits. Il est plus conforme à l’ordre providentiel que celui qui doit, selon l’ordre établi par Dieu, confirmer tous les autres dans la foi, soit lui-même toujours à l’abri de toute défaillance privée. Sans doute, Dieu peut d’un cœur hérétique tirer la confession de la vraie foi, comme il mit autrefois des paroles vraies dans la bouche de l’ânesse de Balaam. Mais ce serait violent et non selon l’ordre habituel de la divine Providence disposant toutes choses avec suavité. L’assertion est d’ailleurs corroborée par les faits. Toutes les objections historiques tirées des prétendues erreurs dans la foi enseignées par plusieurs papes sont discutées une à une, de manière à prouver la conclusion proposée par le savant controversiste. De romano pontifice, l. IV, c. VI sq,

4. Au xvii° siècle, l’opinion de Pighi et de Bellarmin fut défendue comme probable par plusieurs théologiens, notamment par Suarez. De fide, tr. I, disp, X, sect. vi, n. 12; Gravina (+ 1643), « Catholicae praescriptiones adversus haereticos», q. ii, a. 5, dans Rocaberti, t. viii, p. 462 sq.; Dominique de la Sainte-Trinité, « De summo pontifice romano », sect. IV, c. xvi, dans Rocaberti, t. x , p. 458; d’Aguirre, « Auctoritas infallibilis et summa cathedrae sancti Petri », tr, II, disp. XXV, sect.I, n. 2, Salamanque, 1683, p. 362.

Cette opinion fut aussi considérée comme probable par quelques théologiens dont la préférence était pour le sentiment de Cano, particulièrement par Nugno (+ 1614.), « Commentarii ac disputationes » in III-am S. Thomae, q. xx, a. 3, dans Rocaberti, t. viii, p. 256; Tanner, In Summam S. Thomae, t. iii, disp, I, q. iv, dub, vi, dans Rocaberti, t. i, p. 37; Duval (+ 1638), « De suprema romani pontificis in Ecclesia potestate », part. II, q. 1, Paris, 1877, p. 100 sq.; Théophile Raynaud (t 1663), « Corona aurca super mitram romani pontificis », Epilegomena, ii, 7, Opera, t. x, p. 146 sq.; Vincent Ferré (t+1682), « Traclalus de virtutibus theologicis », t. 1, q. xii, dans Rocaberti, t. xx, p. 395 sq.; Brancati de Lauria (+ 1693), In III Sent., De virt. theol., disp. VIII, a. 5, dans Rocaberti, t. vi, p. 111 sq.; et les théologiens de Salamanque, Cursus theologicus, De fide, disp. IV, dub. i, n. 7 sq.

Nous arrêtons nos indications à la fin du XVII° siècle, parce que, depuis cette époque, la controverse théologique présente peu d’intérêt, les positions restant les mêmes, et la question n’ayant le plus souvent, chez les théologiens, qu’une-brève mention.

Conclusion théologique. – Bien qu’on ne puisse démontrer que, pour le pape considéré comme personne privée, le privilège de l’exemption de toute hérésie soit contenu dans le dogme de l’infaillibilité pontificale, on ne peut non plus démontrer que ce privilège soit inadmissible. On peut même estimer avec quelque probabilité, qu’étant donné le dogme de l’infaillibilité pontificale, l’existence de ce privilège, paraît plus conforme à l’ordre providentiel tel qu’il se manifeste habituellement à nous.

1. Aucune des preuves invoquées en faveur de I’infaillillilité pontificale ne démontre le privilège en question. Les deux textes scripturaires, Matth., xvi, 18, et Luc., xxii, 22, selon l’argumentation précédemment établie et selon l’interprétation constante des théologiens, prouvent seulement l’infaillibilité du pape enseignant, comme pasteur et docteur de l’Église entière, ce que les fidèles sont tenus de croire ou d’admettre. C’est également tout ce que prouve, d’après toute notre exposition, le témoignage de la tradition catholique.

2. On ne peut non plus démontrer que le privilège en question est inadmissible. Il ne se heurte à aucun principe certain de la théologie; et d’autre part les défaillances imputées à certains papes ou ne sont pas absolument certaines au regard de l’histoire, ou n’intéressent pas la foi. Voir ARIANISME, t, I, col. 1825 sq., et Libère..

3. On peut même penser, avec quelque probabilité, qu’étant donné le dogme de l’infaillibilité pontificale, l’existence du susdit privilège semble plus conforme à l’ordre providentiel tel qu’il se manifeste habituellement à nous. Voir Collectio Lacensis, t, vii, col. 357. Car, selon l’ordre providentiel tel qu’il nous est manifesté par le témoignage constant de la tradition, l’infaillibilité pontificale nous est garantie, non par une inspiration divine ou par quelque acte analogue, mais par une simple assistance du Saint-Esprit, écartant tout danger on toute possibililé d’erreur dans le jugement doctrinal porté par le pape et rendu par lui obligatoire pour tons les fidèles. Or, dans l’hypothèse indiquée, cette simple assistance ne suffirait point, puisque l’intelligence de celui qui devrait enseigner la vérité divine pourrait être à quelque moment opposée à cette vérité. On devrait admettre une inspiration divine toute spéciale et une motion exceptionnelle dans le genre de celle qui, selon l’expression de Bellarmin, mit des paroles dans la bouche de l’ânesse de Balaam ; procédés sans doute possibles à la toute-puissance divine, mais qui ne s’harmonisent guère avec la conduite habituelle de la Providence. Cette opinion vaut ce que valent les raisons qui l’appuient ; mais elle n’est à aucun titre garantie par l’Église, ni adoptée par l’ensemble des théologiens.

Outre les nombreux ouvrages cités au cours de cet article, on peut consulter les traités De Ecclesia qui s’ occupent tous de l’infaillibilité pontificale, le Kirchenlexicon, 2e édit., Fribourg-en-Brisgau, 1001, t, xii, col. 348 sq., ln Catholic Encyclopedia, New York, 1910, t. vii,.p. 790 sq. et le Dictionnaire apologétique de la foi catholique, t. III, col. 1333-1371 et 1422-1531.

Spécialement pour les textes néo-testamentaires qui traitent des prérogatives de saint Pierre, voir J, Corluy, Spicilegium dogmatico-biblicum, Gand, 1884, t i, p, 32-71; C. A. Kellner , Ueber die ursprüngliche, Form des Matth. XVI, 18-19, Zeitschrift für katholische theologie, Innsbruck, 1920, p. 147-l69; Kessel, Der Spruch über Petrus als Felsen der Kirche, dans Pastor bonus, 1920, p. l93-207, 326-333, 393-413, 471-487; .J. Sickenberger, Eine neue Deutung der Primatstelle, Mt. XVI, 16 ,dans Theologische Revue, 1920, col. 1-7; L. Fonck, Tu es Petrus, dans Biblica, Rome, 1920. t, I, p. 240-264; Prosper Schepens, L’authenticité de saint Matthieu, XVI, 18, dans les Recherches de science religieuse, septembre-novembre 1920, p. 271-302; H. Dieckmann, Mt., XVI, 18, dans Biblica, Rome, 1921, p. 65-69. Les principaux documents ecclésiastiques sur l’infaillibilité du pape se trouvent dans Cavallera, Thesaurus doctrinœ catholicœ, Paris, 1920, n, 168, 188, 193, 325, 332, 378, 541.

E. Dublanchy

Tweede Artikel :

2) Dictionnaire de Théologie Catholique (D.T.C.)7, « Déposition et dégradation des clercs»

VI. AFZETTING VAN PAUSEN

Het beginsel dat een persoon door niemand afgezet kan worden tenzij door diegene die hem aangesteld heeft, is evenzeer van toepassing op de paus als op de andere clerici. De paus wordt verkozen door het College van kardinalen, maar zijn autoriteit ontvangt hij slechts van God alleen. Het is in deze zin dat de kerkjuristen de tekst De judic. 8 interpreteren die Sint-Paulus citeert: « Potestas nostra non est ex homine, sed ex Deo » (“Onze macht komt niet van de mensen maar van God”).9

Ook Paus Innocentius III verkondigde krachtig zijn soevereine onafhankelijkheid ten opzichte van de menselijke machten: “De paus van Rome heeft geen andere overste dan God” : « post Deum alium superiorem non habet. »10 En hij besloot dat niemand de macht heeft hem af te zetten als hij ergens faalt: « cum romanus pontifex non habeat alium dominum nisi Deum, quantumlibet evanescat, quis potest eum foras mittere ? »11

Deze regel vindt men in de volgende woorden  in de goed gevonden formule: « Prima sedes a nemine judicetur » (vert. : « de eerste stoel zal door niemand worden geoordeeld »). De apocriefe aktes van het concilie van Sinuesse in 303 bevatten het reeds. Paus Marcellinus, beschuldigd van wierook geofferd te hebben aan (af)goden, werd verondersteld zichzelf schuldig te hebben erkend; de Bisschoppen stelden zich er tevreden mee zijn afzetting te verklaren12 en eraan toe te voegen: « Juste ore sua condemnatus est … Nemo enim unquam judicavit pontificem, nec prœsul sacerdotem suum; quoniam prima sedes non judicabitur a quoquam »13( vert. : Hij heeft zichzelf met recht veroordeeld… niemand anders immers heeft ooit de paus geoordeeld, noch zijn priesterschap, want de eerste stoel zal door niemand worden geoordeeld »). Toen later paus Symmachus vervolgd werd door een uitzinnig woedende menigte volgers van anti-paus Laurentius, werd hij voor meerdere synodes gebracht die bijeen geroepen waren door Theodoric de Grote, koning van de Ostrogothen. Men durfde hem echter niet veroordelen noch oordelen, omdat men vreesde zijn opperste gezag aan te vallen; men meende dat hij niet onderworpen kon worden aan het oordeel van zijn ondergeschikten: « nec antedictœ sedis antistitem minorum subjacuisse judicio »14.15 Ennodius van Pavie (+ 521) schreef hierrond dat, hoewel God gewild heeft dat de mensen hun eigen rechtszaken beslechten, Hij aan zichzelf de zaken van de Heilige Stoel heeft voorbehouden, « sed sedis istius presulis suo, sine quœstione, reservavit arbitrio »16. De besluiten van het concilie, bekend onder de naam ‘synodus Palmaris’, werden naar de Bisschoppen van Gallië gestuurd, en deze droegen de heilige Avitus van Vienne op te antwoorden in hun naam aan de senatoren van Rome, Fauste en Symmachus. Avitus stelt in zijn brief het principe dat “een overste niet geoordeeld kan worden door zijn ondergeschikten”, « non facile datur intelligi qua lege ab inferioribus eminentior judicetur », en prijst de synode omdat ze het gedrag van de paus heeft overgelaten aan het oordeel van God, « divino potius servavit examini ». « Eveneens, indien men raakt aan de paus, is het niet één bisschop, maar het ganse episcopaat dat wankelt. »17 Zo blijkt dus dat de regel « prima sedes a nemine judicetur » niet enkel in Italië heerst, maar in een veel uitgebreider gebied.

Toen dus een vervalser aan paus Silvester de beroemde canon toeschreef: « Nemo judicabit primam sedem, quoniam omnes sedes a prima sede justitiam desiderant temperari »18, deed hij eigenlijk niets anders dan de doctrine formuleren die al zijn tijdgenoten aanvaardden (nota van de redactie : “wat altijd overal door ieder is aanvaard” is deel van de geloofschat). De heilige Bonifatius, apostel van Duitsland, of wie ook de auteur van de tekst moge zijn,19 preciseert nog, wanneer hij verklaart dat, behalve in het geval van ketterij, de paus door niemand geoordeeld mag worden: « quia cunctos ipse dicaturus a nemine est judicandus, nisi deprehendatur a fide devius » (vertaling : « want hij die ieder oordeelt, zal door niemand worden geoordeeld, tenzij men hem er op betrapt van het geloof afgeweken te zijn). Dit laatste deel van de zin wordt verderop uitgelegd. Paus Leo III, die te kampen had met laster, verscheen in 800 voor een kerkelijke rechtbank waar Karel de Grote zetelde. Niettemin durfde men hem niet te oordelen: alle aanwezige aartsbisschoppen, bisschoppen en abten verwierpen dit, zeggende: « Nos sedem apostolicam … judicare non audemus, nam ab ipsa nos omnes et vicario suo judicamur, ipsa autem a nemine iudicatur, quemodmodum et antiquitus mos fuit »20, dezelfde formule herhalend. En dit principe was tijdens de 13de eeuw zo universeel erkend dat koning Filips van Zwaben het aanhaalt in een brief aan paus Innocentius III: « Ab homine non estis judicandus, sed judicium vestrum soli Deo reservatur Scriptum »21. Paus Bonifatius VIII moest dus slechts de traditie consulteren om aan Filips de Schone te schrijven: « Si deviat spiritualis potestas minor, a suo superiore ; si vero suprema, a solo Deo, non ab homine poterit judicari ».22

Wie kan dus de rechter zijn van de paus? Niet het College van kardinalen. Als de kardinalen een paus aangeduid hebben, is hun rol vervuld; de verkozene wordt, eenmaal tot Bisschop gewijd, hun overste. Bijgevolg hebben ze verder geen autoriteit meer over hem.

Is het dan de keizer? De christelijke keizers zijn inderdaad enkele keren tussen gekomen in kerkelijke en pauselijke zaken. Het Romeins concilie van 378 brengt het oordeel van keizer Gratianus ten voordele van paus Damasius in herinnering. Maar hier ging het om misdaden tegen het algemeen recht waar de staat tezelfdertijd haar kracht en gerecht tentoon moest spreiden.23 Vanaf de erkenning door de Kerk van het principe van de onderscheiding van de twee machten, werd de inmenging van de staat in kerkelijke zaken als een niet te verdragen misbruik gezien. Het klopt dat een raadgever van Lodewijk van Beieren, Marsile van Padua, in de 14de eeuw beweerde dat (…) de keizers de macht zouden hebben de paus af te zetten.24 Maar deze theorie, geboren in het tumult van een conflict tussen de paus en de keizer, geniet geen enkele waarde onder kerkjuristen. De geschreven traditie spreekt het reeds tegen. In de beroemde canon van paus Silvester: « Nemo judicabit primam sedem », uit de tijd van Theodoric, lezen we: « neque ab Augusto, neque ab omni clero, neque a regibus … judicabitur ».25 En paus Nicolaas I, die keizer Michaël herinnert aan het principe van de onafhankelijkheid van de twee machten, besloot correct dat de paus van Rome niet afgezet kan worden door de wereldlijke macht: « a seculari potestate nec ligari posse nec solvi posse pontificem ».26 Het VIIIste oecumenisch concilie in Constantinopel in 869 formuleert plechtig dezelfde doctrine.27 Betreffende het feit dat keizer Otto paus Johannes XII liet afzetten op vraag van het Romeins concilie van 963, beoordeelde men dit als een uitzonderlijke handeling tegenstrijdig aan het kerkelijk recht; en men zocht een rechtvaardiging in de evenzeer uitzonderlijke situatie waarin de Kerk zich bevond, zie noot 28: « Inauditum vulnus inaudito est cauterio exurendum. »29

De onmacht van keizers om pausen af te zetten resulteert, voor het overige, uit hun positie t.o.v. het pausdom. Ook al handelen ze onafhankelijk in het domein van tijdelijke zaken, mag men niet vergeten dat zij gezalfd zijn door de Romeinse pausen en dat zij dus, bijgevolg, vanuit een bepaald oogpunt van hen, of minstens door hun tussenkomst, de macht hebben gekregen om het opperste gezag uit te oefenen over hun volkeren. Op basis hiervan vorderen bepaalde pausen, bv. Gregorius VII het recht om keizers af te zetten.30 Van hun kant klopt het ook dat de keizers beweerden dat de pauselijke verkiezing niet geldig zou zijn tenzij de keizer ze goedkeurde (dit recht werd hen toegekend door eerdere pausen). Maar deze goedkeuring komt vanzelfsprekend niet gelijk aan een consecratie, en hevelt geen recht over aan zij die er het object van zijn. Nooit werd een keizer beschouwd als overste van de paus van Rome. Bijgevolg kan men nooit aan de keizer het recht toeschrijven de paus af te zetten. De pogingen van Hendrik IV tegen Gregorius VII en van Lodewijk van Beieren tegen Johannes XXII mislukten noodzakelijkerwijs, omdat deze tegenstrijdig waren aan het recht en aan de traditie.

Waar de ondernemingen van de keizers tegen het pausdom slechts een tijdelijk voorval in de kerkgeschiedenis betekenden, kunnen generale concilies – die onbetwistbaar het opperste gezag op geestelijk domein uitoefenen – dan niet een paus afzetten die zijn taak verraadt? In feite heeft het concilie van Constantinopel tijdens het groot oosters schisma Johannes XXIII en Benedictus XIII afgezet en het aftreden van Gregorius XII bekomen.31 Deze gebeurtenis die de vrede in de christenheid herstelde, werd universeel begroet door vreugdekreten. Is dit geen aanwijzing en bewijs dat de afzetting van pausen onder zekere omstandigheden een recht of zelfs een plicht constitueert voor een algemeen concilie?

De aktes van het concilie van Constantinopel hebben nood aan uitleg, maar hebben geenszins de constitutie van de Kerk gewijzigd. En het is verkeerd dat de concilievaders aanspraak maakten op suprematie over de paus.32

Het primaatschap van de paus is van goddelijke instelling, evenals het episcopaat. Of de paus en de bisschop nu verenigd of gescheiden zijn, hun toestand blijft dezelfde. Zonder twijfel is de paus geen absolute monarch, en in een concilie werken de bisschoppen met hem samen. Hij is het hoofd van de Kerk, en zij zijn er het lichaam van. Maar het lichaam oefent geen autoriteit uit zonder het hoofd; nog veel minder domineert het lichaam het hoofd. Evenzo bestaat het oecumenisch concilie niet zonder de deelneming van de paus. Indien men voor een ogenblik veronderstelt dat de paus van de ene kant zou zijn en de bisschoppen van de andere kant, zou de Kerk ophouden te bestaan. Deze hypothese is dus een hersenschim. Anderzijds wordt het door iedereen erkend dat een geïsoleerde bisschop onmogelijk een paus kan afzetten. Zulke akte van suprematie overstijgt zijn competentie. Men heeft inderdaad goed gezien dat Dioscorus van Alexandrië de excommunicatie uitsprak tegen de heilige paus Leo de Grote, en Photius een vonnis van afzetting vellen tegen Nicolaas I. Maar zulke aktes zijn nietig verklaard door het concilie van Chalcedon en het concilie van Constantinopel.33 Wat één bisschop niet kan, kunnen evenmin twee of tien bisschoppen. De toevoeging van 10, 20 of 100 onmachtigen zou evenmin een competentie constitueren. Een oecumenisch concilie, zonder pauselijke goedkeuring, zie noot 34, heeft niet meer autoriteit dan een bijzonder concilie. Indien men dus erkent dat een bijzonder concilie niet de macht heeft een paus af te zetten moet men dus besluiten dat een universeel concilie, zonder zijn hoofd, hem evenmin kan afzetten. De afzetting van paus Eugenius IV, zeker en vast een geldige paus, uitgesproken door het concilie van Bâle, was volledig nietig. Als een paus een machtsmisbruik pleegt dat voor een eenvoudige bisschop zou resulteren in afzetting, kan men hem des te meer ‘weerstaan in zijn aangezicht’, zoals de heilige Paulus deed tegenover de heilige Petrus. Maar zoals Yves de Chartres opmerkt, hij die hem weerstaat, heeft hem nog niet afgezet: « In faciem restitit, non tamen eum abjecit ».35 Tegen een paus die volhardt in het kwaad kan men niets anders opbrengen dan af te wachten en zich te beroepen op het oordeel van God.36

De paus staat dus boven elke aardse jurisdictie. Dit is zo waar, dat hij zich niet zou kunnen onderwerpen aan een menselijk gerecht. Er wordt inderdaad beweerd dat paus Damasius zich op de Romeinse synode van 378 beroepen heeft, zie noot 37: « se dedit ipse judiciis sacerdotum »38 (« hij stelde rechters aan over zijn eigen priesterschap »); dat paus Symmachus hetzelfde deed in 50139, en dat Leo III een synode bijeenriep in Rome in 860 om zich te rechtvaardigen voor misdaden die men hem toeschreef. 40 Dit weze voor het overige echter in overeenstemming met het Romeins recht dat als principe stelt dat een overste het recht heeft zich te onderwerpen aan de jurisdictie van een ondergeschikte.41 Bovendien moet opgemerkt worden dat noch Damasius noch Symmachus noch Leo III de Romeinse concilies als rechter genomen hebben; zij hebben hen eenvoudigweg tot getuige genomen van hun onschuld: « affectu purgationis suae culmen humilians », zegt de synode waarop Symmachus verscheen.42 Zonder twijfel behoort het tot het algemeen recht dat een individu aan zijn privilege kan verzaken: « Quilibet potest renuntiare juri suo atque favori privato »43. Maar dit geldt enkel indien het gaat om een persoonlijke begunstiging. De paus bevindt zich niet in zulk geval. De onschendbaarheid waarvan hij geniet werd toegekend in het algemeen belang. Hij is niet bij machte zich hiervan te ontdoen. Bijgevolg blijft het principe « prima sedes a nemine judicetur » onder elke omstandigheid waar.

Niettemin erkennen allen gezamenlijk twee uitzonderingen op deze regel. Men herinnert zich de canon toegeschreven aan de heilige Bonifatius en geciteerd door Gratianus [de kerkjurist]44, volgens hetwelk “de paus kan iedereen oordelen en wordt door niemand geoordeeld” dit voorbehoud behelst: « nisi deprehendatur…a fide devius » (vert. : tenzij hij wordt betrapt op afwijking van het geloof »

1) De ketterij houdt dus een fout in waarvoor een paus kan afgezet worden door het algemeen concilie. Het Romeins concilie van 503 maakte dezelfde opmerking n.a.v. paus Symmachus: « nisi a recta fide exorbitaverit » (« tenzij hij is afgeweken van het rechte geloof »).45

Deze doctrine werd ontvangen en bevestigd doorheen de gehele Middeleeuwen.

(Zelfde als hierboven, Nota van de redactie : « quod semper unique ab omnibus » : volgens het beginsel van de Kerkvaders, uitgedrukt door H. Vincentius van Lerins, is een leer die altijd, overal en door iedereen is geloofd en geleerd is geweest in de Kerk een Leer die teruggaat op de Apostelen, dus op OH Jezus Christus. Dus behoort tot de geloofschat en is onfeilbaar juist.)

Men vindt er de uitdrukking van in de derde toespraak van paus Adrianus II op het Vierde Concilie van Constantinopel.46 Pseudo-Isidorius schrijft het toe aan paus Eusebius.47 Gratianus voegt het toe aan zijn Decreet48. Yves de Chartres herinnert Johannes, aartsbisschop van Lyon, eraan. Uiteindelijk erkent paus Innocentius III plechtig (nota van de redactie : dit is dus G.U.M. « Gewoon Universeel Leerambt » dat geniet van « Gewone Onfeilbaarheid » !) dat, waar hij voor zijn andere zonden slechts God alleen als rechter heeft, “hij in zaken van ketterij geoordeeld kan worden door de Kerk”, « propter solum peccatum quod in fide committitur possem ab Ecclesia judicari ».49

Dit principe staat dus buiten twijfel.50 (Nota van de redactie : omdat het « semper, ubique et ab omnibus » is geloofd en omdat het onfeilbaarheid door het GUM)

2) De regel die toegepast wordt op ketterse pausen past zich in gelijke mate toe op schismatici, en hier is de tweede uitzondering die we willen behandelen. Tegen het midden van de 11de eeuw maakten drie pausen aanspraak op de tiara: Benedictus IX, Silvester III en Gregorius VI. Te Sutri kwam in 1046 een concilie bijeen om de geldigheid van hun titels te onderzoeken. De eerste twee werden afgezet als verkozenen door simonie of nepotisme, en Gregorius VI kende zijn aftreden toe. Clemens II werd vervolgens paus verkozen. Na de dood van Stephanus X, liet Benedictus X zich verkiezen door dwang; maar tegen het einde van het jaar 1058 slaagde Hildebrand erin de stemmen van het meerderheid van het College op één lijn te krijgen over de bisschop van Firenze die de naam Nicolaas II koos. Het concilie dat het jaar daarna bijeen kwam in Sutri verklaarde de afzetting van Benedictus X, en Nicolaas maakte zonder tegenwind zijn plechtige intrede in Rome. De afzetting van Johannes XXIII en Benedictus XIII door het concilie van Constantinopel is een akte van hetzelfde genre. Het concilie deed dit krachtens zijn autoriteit, omdat het om schismatieke pausen ging. Er was dus geen nood zich te rechtvaardigen voor een aanmatiging van zogezegde superioriteit over de paus.

Maar wanneer we zeggen dat pausen uitzonderlijk afgezet kunnen worden omwille van ketterij of schisma, verstaan we het woord “afzetting” in brede zin. Nauwkeuriger is het, te zeggen dat noch in het ene noch in het andere geval de paus “afgezet” wordt door een concilie. Een paus die in hardnekkige ketterij valt houdt op het ogenblik zelf op lid van de Kerk te zijn en bijgevolg paus te zijn; hij zet zichzelf af. Aldus horen wij het van Innocentius III: « Potest (pontifex) ab hominibus judicari vel potius judicatus ostendi, si videlicet evanescat in hœresim, quoniam qui non credit iam judicatus est » [Joh. 3, 18: “want hij die niet gelooft is reeds veroordeeld”, zegt Jezus in het evangelie van Johannes].51 Non potest exui iam nudatus », leest men nog.52 Een oordeel dat een algemeen concilie tegen een schismatieke paus uitspreekt is geen afzetting zonder meer. In feite worden de schismatieke pausen eenvoudigweg behandeld als usurpatoren en wordt hun een Stoel ontnomen die ze toch niet legitiem bezaten.53 De concilies die hen troffen hebben slechts hun aanspraken op de pauselijke titel onderzocht. Het zijn geen pausen die zij oordelen, maar de verkiezing en de akte van de kiezers: « Eo casu, non pontifex maximus, sed actum potius eligentium judicatur », zegt Fagnan.54 In werkelijkheid kan niemand een ketterse of schismatieke paus ‘afzetten’, want de eerste is opgehouden paus te zijn en de tweede is het nooit geweest. Bijgevolg zijn de uitzonderingen op de regel die het recht voorschrijft slechts uiterlijke schijn. Het principe « prima sedes a nemine judicetur » is absoluut, het lijdt aan geen uitzondering: een paus, wat ook zijn misdaden zijn, heeft op het externe forum geen andere rechter dan God.

Bibliografie

Ballerini, De vi ac ratione primatus romanorum pontificum, dans Migne, Theoloqiae cursus completus, t.III ; Barbosa, Collectanea doctorum in V lib», Decretalium, 3 in-fol., Lyon, 1656; Bellarmin, De Romano pontifice ; De conciliis et Ecclesia ; Binterim, Denkwürdigkeiten der christkatholischen Kirche, 7 in-8e , Mayence, 1825.1832; Bullarium magnum Romanum, 19 in-fol., Luxembourg, 1727 sq.; Bullarium Benedicti XIV, 4 in-fol., Rome, 1754-1758; Van Espen, Jus ecclesiasticum universum, 4 in-fol., Louvain (Paris), 164-1; Fagnan, -Commentarius in V lib. Decretalium, 3 in-tol., Rome, 1661; Ferraris, Prompta bibliotheca canonica, 8 in-4°, Rome, 1885 sq.; Hardouin. Conciliorum collectio regia maxima, 12in-fol.,1715; Hefele, Histoire des conciles, trad. Leclercq, 1907-1908, en cours de publication; Hinschius, System des katholischen Kirchenrechts, 6 in-8°, Berlin,1879-1897; Decretales Pseudo-Isidorianœ, in-8°, Leipzig, 1863; Kober, Die Suspension der Kirchendiener, in- 8°, Tubingue, 1862 ; Die Deposition und Degradation nach den Grundsätzen des kirchlichen Rechts, in-8°, Tubingue, 1867 .(ouvrage classique); Lœning, Geschichte des deutschen Kirchenrechts, 2 in-8°, Strasbourg, 1878; Marca, De concordia sacerdotii et imperii, in-4°, Paris, 1641; Massuet, Dissertationes praeviae in Irœnei libros, P. G., t. VII, col. 281 sq.; du Perron, « Réplique à la réponse du sérénissime roy de la Grande-Bretagne », Paris, 1620; Philipps, Kirchenrecht, 7 in-8°, Ratisbonne, 1845-1872; Real-Encyklopädie der christlichen Alterthümer, Fribourg-en-Brisgau, 1882, art. Deposition par Kober; Reiffenstuel, Jus canonicum universum, 5 in-fol., Ingolstadt, 1759; Santi, Praelectiones juris canonici juxta ordinem Decretalium, 5 in-8°, Ratisbonne, 1892; Schmalgrueber, Jus canonicum universum, Rome, 1844; Schœnernann, Pontificum romanorum epistolae genuinœ; Schulte, Das Kirchenrecht, 2 in-8°, Stuttgart, 1860; Thomassin, Vetus et nova disciplina circa beneficia et beneficiarios , 3 in-fol., Venise, 1752; Turmel, Histoire de la théologie positive, 2 In-8°, Paris, 1904-1906; Histoire du dogme de la papauté, des origines à la fin du IV e siècle, in-12, Paris, 1908; Wasserschleben, Die Bussordnunqen der abendländischen Kirche, in-8°, Halle, 1851; Wernz, Jus Decretalium ad usum praelectionum in scholis textus canonici sive juris Decretalium, 3 in-8°, Rome, 1897-1908.

E. Vacandard

11927, Volume 7, deel 2. Blz. 1714 e.v.

2Decretum, part. I, dist. XL, c. 6.

3P. L., t. ccxvii, col. 656.

4Praag, 1871, blz. 188-205 en de Appendix blz. 253-268.

5Torquémada, Summa de Ecclesia, l. II, c, cxii, 1469.

6Nicolas Tudeschi ofte Panormitanus (†1445), Commentaria in Decretal., l. I, tit. IV, c. 4, n. 3, Venetië, 1617, vol. 1, blz. 108; Thomas Netter ofte Waldensis (†1430), Doctrinale antiquitatum fidei Ecclesiœ catholicae, 1. II, a.3, c. 80, Venetië, 1571, vol. 1, blz. 397.

73de druk, 1924, volume 4, deel 2 (ofte vol. 8)

8l. II, tit. 1, De judic., c. 13

9Vergelijk Fagnan, Comment., ad c. 4, De elect., 1, vi, n. 32.

10Serm., IV, in consecrat, pontif., P. L., t. ccxvii, col. 670.

11Serm., IV, in consecrat. pontif., ibid.

12 Onzekere vertaling.

13Hardouin, t. r, col. 217 sq.

14Hardouin, t. II, col. 967

15Over deze zaak, zie een artikel getiteld : “Uno antipapa e uno scisma al tempo del Theodorico”, in: Civiltà cattolica, 4 april 1908, blz. 68-78.

16Caus. IX, q. III, c. 14

17Epist. ad senat. urbis Romœ, dans Hardouin, t. II, col. 982 sq.

18Act., II, can. 20, Hardouin, t, 1, col. 294

19dist. XL, c. 6

20Hardouin, vol. IV, col. 936. Le Dictatus de Grégoire VII, Hardouin, vol. VI, col. 1304; Gratianus, in zijn decreet, dist. XL, c. 6; caus. IX, q.iii, c. 14-16

21Philippi ad dominum papam, Raynaldi, Annal. eccles., an. 1206, n. 16

22Extravag. communes, I, viii, De maiorit. et obedient., c. 1.

23Epist. romani concilii ad Gratian et Valentinian. imperat., n. 11, cf. n. 8, in Schœnemann, op, cit., p. 360.

24Cf. Defensor pacis, dans Goldast, Monarchia romani imperii, t. ii, p. 154 sq.

25Hardouin, t. I, col. 294.

26Hardouin, t. v, col. 171 sq..; Gratianus dist. XCVII, c. 6, 7

27can. 21, Hardouin, t. v, col. 909

28Onzekere vertaling. Originele tekst in het Frans is hier: “et on chercha une excuse dans la situation également exceptionnelle où se trouvait l’Eglise”

29Hardouin, vol. 6, col. 632.

30Vgl. op dit punt: Cenni, Monumenta dominationis pontif,, dist. I, n. 21-52; dist. VI, n. 13-41; Kober, op. cit., p. 568-572.

31Hardouin, t. VIII, col. 376, 386.

32Sess. IV et V, Hardouin, t. VIII, col. 252, 258. Cf., sur ce point, Bellarmin De concil. et Eccles., II, 19; Bossuet, Defensio declarationis cleri gallicani, v, 2 sq.; Turmel, Histoire de la théologie positive, t. II, p. 365, 373-378.

33Over dit alles, zie: Libellus Theodori diaconi contra Dioscorum, Mardouin, t. 11, col. 324 ; Anastase le Bibliothécaire, Hardouin, t. v, col. 752 concile de Chalcédoine, Epist. ad Leon, papam, Hardouin, t.iii, col. 656; concile de Constantinople de 869, Hardouin, t. v, col. 917.

34Onzekere vertaling. Oorspronkelijke Franse tekst: “privé de sanction papale”

35Epist., ccxxxiii, ad Henric. abbat., P. L., t. CLXII, col. 236.

36Epist., ccvxxvi, ad Joann. episcop. Lugdun., ibid., col. 240.

37Onzekere vertaling. Origineel “On allègue, il est vrai, que le pape Damase s’en rapporta au synode romain de 378

38Concile de Rome, Epist, ad Gratum, et Valentinian. imperat., n. 10, dans Schœnemann, blz. 360

39Synodus roman. Palmaris, Hardouin, t. ii, col. 967.

40Vita Leonis, dans Hardouin, t. IV, col. 936.

41Digest., De juridict, omnium judic., II, 1, 14.

42Hardouin, t. II, col. 969. Cf. pour Damase et Léon III, loc. cit.

43Digest., loc. cit., loi 14.

44dist. XL, c. 6.

45Hardouin, t. ii, col. 984.

46Hardouin, t. v, col. 866.

47Epist., ii, ad episcop. Alexandrin., c. XI; Hinschius, op. cit., p. 237.

48Décret, caus. II, q. vii, c. 13.

49Serm., 11, in consecrat, pontif., P. L., t. ccxvii, col. 656.

50Vgl. op dit punt, Bellarminus, De concil. et Ecclesia, Cano, De locis theologicis, vi, 8; Turmel, Histoire de la théologie positive, du concile de Trente au concile du Vatican, p. 366-368.

51Serm., rv, in consecr. pontif., P. L., t. ccxvii, col. 670. Cf. Fagnan, Comment., ad c. 4, De elect., I, vi, n. 70.

52Sexti decret., l. II, tit. v, De restit. spoliat., c. 1. Cf. Gratien, caus, XXIV, q. 1, c. 1.

53Cf. le décret contre les simoniaques du concile de Rome de 1039, Hardouin, t. vi, col. 1064; Gratien, dist, LXXIX, c. 9; Grégoire XV, const.Aeterni Patris, de 1621, sect. XIX, Bullarium roman., t. III, p. 446.

54loc. cit., n. 65

 

Reacties zijn gesloten.