15 Ketterij en Ketter

Ketterij en Ketter

Een volledige theologische, canonieke, schriftuurlijke

en historische studie

 

Inhoudsopgave  

 

  1. Inleiding  
  2. Definitie van de ketterij
  3. Definitie van de Ketter  
  4. Onderscheidingen  

4.1. Onderscheiding Formeel/Materieel  

4.1.1. Formele Ketter  

4.1.2. Materiële Ketter  

4.1.2.1. Gangbare mening: zij zijn gescheiden van de Kerk  

4.1.2.2. Een minder gangbare mening (Bellarminus, Suarez, Wernz-Vidal, enz.)  

4.1.2.3. De twee meningen met elkaar verzoenen  

4.1.3. Bezwaarschriften  

4.1.3.1. Van modernistische theologen  

4.1.3.2. “Een formele verklaring zou noodzakelijk zijn”  

4.1.3.3. De materiële ketterij zou kunnen worden verontschuldigd  

4.2. Aanvullende Onderscheidingen  

4.2.1. Openbaar versus Verborgen  

4.2.2. Positief versus Negatief  

4.2.3. Inwendig Forum versus Uitwendig Forum  

  1. Behandeling van de Materiële Ketter  

5.1. Excommunicatie: Geen excommunicatie “latae sententiae”  

5.2. Verlies van Ambts “Ipso Facto”?  

  1. Canonische Gevolgen voor de Formele Ketter  
  2. Theologisch Fundament van deze Onderscheiding  
  3. Hier volgt een schema van de diverse situaties van ketters  
  4. Graad van Dwalingen of Tegenstand tegen het Geloof: Theologische Noten of Censuren  
  5. De Semi-ketterijen de Semi-Ketter  

10.1. Het Semi-Arianisme (4de eeuw)

10.2. Het Semi-Pelagianisme (5de eeuw)

10.3. Het Semi-Nestorianisme en de Drie Hoofdstukken (5de-6de eeuw)

10.4. Paus Honorius I (7de eeuw)

10.5. Het Onfeilbare Formulier van Paus Hormisdas als Cruciale Gids  

10.5.1. Dit Formulier heeft groot gezag…  

10.5.2. Toepassing op Hedendaagse Situaties  

10.5.3. Het voorbeeld van de FSSPX  

10.6. Verwerping van de Tegenargumenten  

10.7. Kort  

  1. De Bulle Cum ex apostolatus officio  

11.1. Haar Tekst  

11.2. Verzoening met de Traditionele Leer  

11.2.1. Vermoeden van Volharding  

11.2.1.1. Allen  

11.2.1.2. De Geestelijken

11.2.2. Materiële Ketter en Sancties

11.2.3. Context van de Bulle  

  1. Praktische Onderscheiding tussen Formele en Materiële Ketter  

12.1. Verificatie van de Dwaling

12.2. Beoordeling van de Openbaarheid

12.3. Canonische Vermaning

12.4. Context en Omstandigheden  

12.5. Praktisch Voorbeeld

  1. Hedendaags Katholiek Perspectief (Sedevacantistisch)  
  2. Tegenargumenten en Verwerping  

14.1. De bulle omvat de materiële ketterij…  

14.2. Zonder legitieme autoriteit na 1963..  

  1. Besluit  
  2. Bronnen  

 

 

 

  1. Inleiding

 

De termen “ketterij” en “ketter” hebben precieze definities, zowel theologisch als canoniek, met een essentiële onderscheiding tussen de formele en materiële begrippen. Deze studie behandelt in één geheel de vraag van de ketterij en die van de ketters, omdat het onmogelijk is ze te scheiden zonder zich bloot te stellen aan nutteloze herhalingen. De theologen hebben ze immers altijd gelijktijdig bestudeerd. Het past evenwel om het dogmatisch probleem te onderscheiden — dat betrekking heeft op de ketterij beschouwd als leer —, het moreel probleem — dat betrekking heeft op de ketterij beschouwd als zonde — en het canoniek probleem — dat betrekking heeft op de ketterij beschouwd als misdrijf.

 

Het eerste probleem betreft de ketterij objectief beschouwd. In de twee andere wordt de ketterij formeel beschouwd. In de katholieke theologie is de materiële ketterij immers een objectieve dwaling tegen het geloof, maar zonder subjectieve schuld — bijvoorbeeld door een onoverwinnelijke onwetendheid. De formele ketterij daarentegen impliceert een bewuste en vrijwillige hardnekkigheid, wat haar zondig maakt op moreel vlak en strafbaar op canoniek vlak.

 

Deze leer, onveranderlijk en vóór 1963 gedefinieerd, verwerpt elke latere afwijking als strijdig met het apostolisch geloof. De theologen bevestigen dat de ketterij — vooral de formele — automatisch het verlies van elk kerkelijk ambt met zich meebrengt, waardoor de Stoel van Petrus vacant is sinds de ketterse vernieuwingen van Vaticaan II.

De vraag of een openbare ketterij, of ze nu formeel of materieel is, ipso facto sancties met zich meebrengt, zoals excommunicatie of verlies van ambt, is cruciaal om de bescherming van het katholiek geloof en de kerkelijke discipline te begrijpen.

Volgens de onveranderlijke leer van de katholieke Kerk, gegrond op de Schrift, de Vaders, de Kerkvaders, de oecumenische concilies en het Wetboek van Canoniek Recht van 1917, bestaat er een fundamentele onderscheiding tussen de formele ketterij, gekenmerkt door vrijwillige hardnekkigheid, en de materiële ketterij, die verstoken is van hardnekkigheid en te wijten is aan een onoverwinnelijke onwetendheid.

 

De bulle Cum ex apostolatus officio van Paulus IV (1559) lijkt ipso facto sancties op te leggen voor elke openbare ketterij, wat een vraag oproept over haar toepassing op materiële ketters. Deze ontwikkeling verduidelijkt deze leer, legt uit hoe men in de praktijk de formele ketter van de materiële ketter onderscheidt in geval van openbare ketterij, en verzoent de bulle met de traditionele theologie. De Bulle van Paulus IV verklaart immers elk ambt verloren voor elke ketter, terwijl de Traditie onderscheid maakt tussen formele en materiële ketterij en het verlies van ambt niet toelaat voor een materiële ketter. Hoe een disciplinaire bulle, beschouwd in haar ingesloten leer als onfeilbaar, te verzoenen met de constante en eenstemmige Traditie, die eveneens onfeilbaar is?

 

  1. Definitie van de ketterij

 

In het Wetboek van Canoniek Recht van 1917 bevindt zich de definitie van de ketterij niet rechtstreeks, maar zij vloeit voort uit die van de ketter, zoals die wordt uiteengezet in canon 1325 §2 (Latijn): “Post receptum baptismum si quis, nomen retinens christianum, pertinaciter aliquam ex veritatibus fide divina et catholica credendis denegat aut de ea dubitat, haereticus est.” Vertaling in het Nederlands: “Na het ontvangen van het doopsel, indien iemand, terwijl hij de naam van christen behoudt, met hardnekkigheid een van de waarheden die van goddelijk en katholiek geloof moeten worden geloofd, ontkent of daaraan twijfelt, is hij een ketter.”

 

De definitie van de ketterij is dus: “De ketterij is de daad, door een gedoopte persoon die zich christen noemt, van het met hardnekkigheid ontkennen of in twijfel trekken van een waarheid die van goddelijk en katholiek geloof moet worden geloofd.” De ketterij is dus een ernstige leerstellige dwaling die een dogma van het geloof tegenspreekt dat door de Kerk is gedefinieerd.

 

In de handboeken van de theologie wordt zij klassiek als volgt gegeven: “Haeresis est error circa fidem, quo quis, post baptismum susceptum, aliquam veritatem de fide divina et catholica pertinaciter negat vel pertinaciter dubitat.” (Vertaling: “De ketterij is een dwaling aangaande het geloof, waardoor iemand, na het ontvangen doopsel, met hardnekkigheid een waarheid van goddelijk en katholiek geloof ontkent of in twijfel trekt.”)

 

Volgens het Dictionnaire de Théologie Catholique (art. Hérésie, dl. VI, kol. 2211, ed. 1912): “Een leer die onmiddellijk, rechtstreeks en tegenstrijdig zich verzet tegen de waarheid die door God is geopenbaard en authentiek als zodanig door de Kerk wordt voorgesteld.” Dat wil zeggen een dwaling (hardnekkig of niet, formeel of materieel) tegen een waarheid van goddelijk en katholiek geloof.

 

Historische voorbeelden van ketterijën: het arianisme (ontkenning van de goddelijkheid van Christus, veroordeeld door Nicea in 325), het pelagianisme (ontkenning van de erfzonde, veroordeeld door Carthago in 418), of het modernisme (veroordeeld door Pius X in Pascendi Dominici gregis, 1907: “Modernismus est veluti collectum omnium haeresium”: Het modernisme is als de verzameling van alle ketterijën).

 

Verwerping van modernistische tegenargumenten: Sommigen na 1963 beweren dat de ketterij “relatief” of “interpretatief” is, wat “ontwikkelingen” toelaat die vroegere dogma’s tegenspreken. Dit wordt weerlegd door Vaticaan I (Dei Filius, cap. 4): “III. Si quis dixerit, dogmata ab Ecclesia proposita posse aliquando secundum progressum scientiae a sensu diverso recipere quam quo illa intellexit et intelligit, anathema sit” (“III. Indien iemand zegt dat het kan gebeuren dat men soms, volgens de vooruitgang van de wetenschap, aan de dogma’s die door de Kerk zijn voorgesteld een andere zin moet toekennen dan die welke de Kerk heeft verstaan en verstaat; hij zij anathema.”), en dit toont Kleutgen aan (Theologia Wirceburgensis, 1880, dl. I) dat de eenheid van het geloof de onveranderlijkheid van de dogma’s vereist tegen elke tegengestelde evolutie.

 

  1. Definitie van de Ketter

 

Zoals we zojuist hebben gezien, is een ketter een gedoopte die een ketterij begaat. De ketter is een gedoopte die, terwijl hij de naam van christen behoudt, met hardnekkigheid (volharding) een waarheid van het geloof ontkent of in twijfel trekt die van goddelijk en katholiek geloof moet worden geloofd. Dit is de klassieke definitie, aanvaard door alle theologen. Zij komt reeds voor bij de H. Hieronymus (In Tit., III, 10), bij de H. Augustinus (De haeres., n. 88), bij de H. Thomas (II-II, q. 11, a. 1), en zij wordt juridisch geformuleerd in het Wetboek van Canoniek Recht, can. 1325, §2.

 

Het Concilie van Vaticaan I (sess. III, cap. 3 de fide et ratione) spreekt anathema uit over hen die ontkennen dat een waarheid kan worden geopenbaard: “Si quis dixerit, rationem humanam ita independentem esse, ut fides ei a Deo praecipi non possit, anathema sit.” (“Indien iemand zegt dat de menselijke rede zo onafhankelijk is dat het geloof haar niet door God kan worden voorgeschreven, hij zij anathema.”) In een ander artikel leert de H. Thomas (Summa Theologiae, II-II, q. 5, a. 3) hetzelfde door te zeggen dat hij die hardnekkig de waarheid van één enkel artikel ontkent, het geloof niet heeft, zelfs niet voor de andere artikelen, maar een ongelovige is. Het Wetboek van Canoniek Recht van 1917 (canon 1325, §2) stelt inderdaad: “Post receptum baptismum, si quis, pertinaciter, dogma catholicae fidei denegat vel de ea dubitet, est haereticus” (“Na het doopsel is hij die met hardnekkigheid een dogma van het katholiek geloof ontkent of daaraan twijfelt, een ketter”).

 

De ketterij is dus een fout tegen het geloof. Zij bestaat wezenlijk in de vrije keuze van een mening die in strijd is met de geopenbaarde leer. Het is een zonde en een misdrijf. Zij sluit uit van de gemeenschap van de Kerk, zelfs vóór elke vonnis van excommunicatie en verlies van ambt in de Kerk.

 

  1. Onderscheidingen

 

4.1. Onderscheiding Formeel/Materieel

 

4.1.1. Formele Ketter

 

Dit is hij die, wetende dat een waarheid door God is geopenbaard en door de Kerk gedefinieerd, haar vrij en hardnekkig verwerpt. “Est haereticus formalis, qui veritatem revelatam, pro tali cognitam, pertinaciter negat” (“Formele ketter is hij die hardnekkig een geopenbaarde waarheid, als zodanig gekend, ontkent”) (Dictionnaire de Théologie Catholique, art. Hérésie, dl. VI). Hij is volledig schuldig, zondaar, en excommuniceert “latae sententiae” (canon 2314, §1), en verliest elk ambt ipso facto (canon 188, §4), zoals Wernz-Vidal (Ius Canonicum, 1933, dl. VII) leert dat de openbare en notorische ketter zijn ambt van rechtswege verliest, zonder enige verklaring.

 

Voorwaarden:

– Geldig doopsel: Enkel de gedoopten kunnen ketters zijn, omdat zij gehouden zijn aan het katholiek geloof (canon 1325), het te kennen en te bewaren.

– Materieel voorwerp: De ontkenning of twijfel moet betrekking hebben op een dogma “de fide divina et catholica” (Vaticaan I, Dei Filius, cap. 3): “Fides est assentire Deo revelanti.” (Het geloof is de instemming met God die zich openbaart).

– Hardnekkigheid: Een constante en vrijwillige tegenstand is vereist voor de formele ketterij, die afwezig is in het materiële geval, zoals Franzelin (op. cit.) aantoont dat de hardnekkigheid vereist is voor het formele misdrijf.

 

De formele ketterij is de hardnekkige ontkenning of twijfel, na het doopsel, van een waarheid die door God is geopenbaard (in de Schrift of de Traditie) en voorgesteld als te geloven “de fide” door het onfeilbare leergezag van de Kerk (concilie, ex cathedra, of universeel gewoon leergezag). Zij impliceert:

– Volledig bewustzijn van deze geopenbaarde waarheid, aanvaard door het geloof van de gedoopte, zoals de H. Thomas van Aquino verklaart (Theologische Summa, II-II, q. 4, a. 1): “Fides est habitus mentis, qua inchoatur vita aeterna in nobis, faciens intellectum assentire non apparentibus.” (Het geloof is een habitus van de geest, waardoor het eeuwig leven in ons begint, waardoor het intellect instemt met wat niet zichtbaar is). De ketter moet aan de geopenbaarde waarheid zijn blootgesteld geweest, hetzij door het onderwijs van de Kerk, hetzij door een formele vermaning.

– Een vrijwillige dwaling: een weloverwogen instemming met een stelling die in strijd is met de Openbaring, met kennis van haar tegenstrijdigheid. Hij moet wetens en willens kiezen om zich tegen deze waarheid te verzetten, uit hoogmoed, kwade wil of gehechtheid aan een persoonlijke mening.

– Een “hardnekkigheid”: een vrijwillige weerstand tegen de correctie van de Kerk. Deze volharding moet aanhouden zelfs na een correctie of een duidelijke waarschuwing van de kerkelijke autoriteit. Bijvoorbeeld stelt het canoniek recht (1917, canon 2314) dat iemand om als ketter (formeel) te worden beschouwd, moet volharden in zijn dwaling na één of twee formele vermaningen.

 

  • 1. Alle afvalligen van het christelijk geloof, alle ketters of schismatici en ieder van hen:

1° Lopen ipso facto een excommunicatie op;

2° Indien zij na vermaning niet tot inkeer komen, moeten zij van alle beneficie, waardigheid, pensioen, ambt of andere functie worden beroofd, indien zij die in de Kerk hadden, en als infamous worden verklaard; na twee vermaningen moeten de geestelijken worden gedeponeerd.

 

Mogelijke tegenargumenten en verwerping:

De vernieuwers na 1963 beweren dat de formele ketter een “officiële verklaring” vereist, maar dit wordt weerlegd door Cum ex apostolatus officio (Paulus IV, 1559): “Si quilibet[…] in haeresim inciderit[…] ipso facto absque aliqua declaratione privatus existat” (“Indien iemand[…] in ketterij vervalt[…] is hij ipso facto, zonder enige verklaring, beroofd [van zijn ambt]”). Zoals Bellarminus (De Romano Pontifice, lib. II) bevestigt dat een manifest ketterse paus ipso facto ophoudt paus en hoofd van de Kerk te zijn. We zullen later zien dat in de praktijk bepaalde verklaringen worden gedaan, indien chaos in de Kerk moet worden vermeden.

 

4.1.2. Materiële Ketter

Hij die een geloofswaarheid verwerpt zonder te weten dat zij geopenbaard en gedefinieerd is, door onwetendheid of onvrijwillige dwaling. “Est haereticus materialis, qui eam ignorantiae vel erroris causa negat” (Dictionnaire de Théologie Catholique, ibid.). Hij bevindt zich objectief in de dwaling, maar zonder subjectieve schuld noch hardnekkigheid.

 

De materiële ketterij is een dwaling op een gedefinieerd leerstellig punt, maar zonder opzettelijke intentie noch duidelijke kennis van zich tegen de Kerk te verzetten. Zij ontstaat:

– Door onoverwinnelijke onwetendheid of oprechte dwaling, zonder formele schuld noch hardnekkigheid, zoals Franzelin (Theses de Ecclesia Christi, 1876) verklaart dat de materiële dwaling die is welke voortkomt uit een onoverwinnelijke onwetendheid of een onoverwinnelijke dwaling.

 

4.1.2.1. Gangbare mening: zij zijn gescheiden van de Kerk

 

Voor de lidmaatschap van de Kerk bestaat er een belangrijke theologische mening (niet zeker, maar gangbaar).

Deze gangbaarste mening is dat de openbare materiële ketters eveneens (als de formele ketters) gescheiden zijn van de Kerk, zelfs zonder formele hardnekkigheid, omwille van de uiterlijke schending.

 

Deze positie, gedeeld door talrijke theologen, steunt op het feit dat de Kerk, zichtbare maatschappij, niet alleen het doopsel vereist maar ook een uiterlijke belijdenis van het ware geloof (Pius XII, Mystici Corporis, 1943, n. 22).

En de lidmaatschap van de zichtbare Kerk vereist ook de objectieve instemming met de leer van de Kerk. De openbare dwaling, zelfs onvrijwillig, verbreekt de zichtbare eenheid.

 

Gerardus Van Noort, Tractatus de Ecclesia Christi, Bussum (dl. 1), 1920, p. 151: “Het is zeker dat de openbare en formele ketters gescheiden zijn van de lidmaatschap van de Kerk. De gangbaarste mening is dat de openbare en materiële ketters eveneens gescheiden zijn van de Kerk.

Immers de uiterlijke lidmaatschap vereist niet alleen uiterlijke tekenen van geloof en gemeenschap, maar een ware belijdenis van het katholiek geloof; nu, hij die openbaar een ketterij belijdt, zelfs een materiële, belijdt niet langer het katholiek geloof.”

 

Aldus:

– de openbare materiële ketter is gescheiden van het zichtbare Lichaam,

– maar hij kan behoren tot de ziel van de Kerk indien hij in de genade is.

Het is een juridisch-sociologische scheiding, niet moreel noch strafrechtelijk.

 

Deze gangbare mening wordt gedeeld met Kard. Billot (Tractatus De Ecclesia, dl. I, Pars II, Caput I, Quaestio VII, Thesis XI), Journet, enz.

Dus, indien iemand uiterlijk een ketterse leer belijdt, zelfs door onwetendheid, manifesteert hij niet langer uiterlijk het ware geloof, en bevindt zich daardoor gescheiden van het zichtbare Lichaam (niet schuldig, maar objectief buiten de zichtbare maatschappij).

 

Niettemin is dit geen zekere leer, maar de gangbaarste mening; de zekere leer vereist hardnekkigheid voor het misdrijf van ketterij.

 

4.1.2.2. Een minder gangbare mening (Bellarminus, Suarez, Wernz-Vidal, enz.)

 

Deze auteurs houden staande dat de lidmaatschap van het zichtbare Lichaam slechts verloren gaat door de vrijwillige en notorische breuk (hardnekkigheid).

 

De openbare materiële ketter van goede trouw blijft lid van het Lichaam, omdat hij zich niet willens heeft willen scheiden van de zichtbare autoriteit noch van de eenheid van gemeenschap.

 

De H. Robert Bellarminus (De Ecclesia militante, cap. 3) zegt uitdrukkelijk:

“Haeretici qui per ignorantiam aliquid credunt contra doctrinam Ecclesiae, non sunt propter hoc haeretici, nec ab Ecclesia separantur.”

“Ketters die door onwetendheid iets geloven tegen de leer van de Kerk, zijn daarom niet ketters, noch gescheiden van de Kerk.”

 

4.1.2.3. De twee meningen met elkaar verzoenen:

 

Het is hier wellicht zeer gepast om een andere onderscheiding te maken, reeds hierboven vermeld, namelijk tussen het lichaam en de ziel van de Kerk, tussen de zichtbare leden en de onbekende leden van de Kerk. Deze onderscheiding is vooral verschenen in verband met het doopsel van verlangen: de sacramenteel gedoopten vormen het lichaam van de Kerk, de personen van goede wil met het doopsel van verlangen behoren tot de ziel van de Kerk. Evenzo kan men bevestigen dat de materiële ketters niet behoren tot het lichaam van de Kerk omdat zij haar geloof niet hebben, maar tot de ziel van de Kerk omdat zij dwalen in onwetendheid, en men kan niet zondigen in onwetendheid, dus voor zover zij in de staat van genade zijn, behoren zij ongetwijfeld tot de (ziel van de) Kerk. Aldus begrijpt men dat sommige theologen zeggen dat zij er niet toe behoren en anderen dat zij er wel toe behoren.

 

4.1.3. Bezwaarschriften:

 

4.1.3.1. Modernistische theologen zouden kunnen beweren dat het begrip ketterij breder of minder strikt moet worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de “leerontwikkeling” of het “levende zintuig van het geloof”. Dit argument is ongeldig volgens de traditionele katholieke leer, omdat:

  1. Het Concilie van Vaticaan (1870), hierboven geciteerd, uitdrukkelijk het idee verwerpt dat de zin van de dogma’s kan veranderen met de tijd.
  2. De H. Pius X, in Pascendi Dominici Gregis (1907), veroordeelt het modernisme als een ketterijdie de dogma’s relativiseert onder voorwendsel van evolutie.
  3. De hardnekkigheid, sleutelelement van de ketterij, impliceert een bewust verwerpen, wat onvrijwillige dwalingen of subjectieve interpretaties uitsluit.

 

4.1.3.2. Sommigen zouden kunnen aanvoeren dat een formele verklaring van de Kerk noodzakelijk is opdat een ketter zijn ambt verliest.

Verwerping: Canon 188, §4, en theologen zoals Wernz-Vidal en Bellarminus bevestigen duidelijk dat het verlies van ambt ipso facto is voor een openbare en notorische ketter. Geen verklaring is vereist, omdat de openbare ketterij een objectieve daad is die de gemeenschap met de Kerk verbreekt.

 

4.1.3.3. De materiële ketterij zou kunnen worden verontschuldigd, zelfs bij een geestelijke, omwille van een onoverwinnelijke onwetendheid.

Verwerping: Voor een geestelijke, vooral een bisschop of paus, is onoverwinnelijke onwetendheid moeilijk aanvaardbaar, omdat zij de verplichting hebben het katholiek geloof te kennen. Bovendien impliceert de openbare ketterij, door haar aard, een uiterlijke manifestatie die de hardnekkigheid doet vermoeden, tenzij het tegendeel bewezen wordt.

 

4.2. Aanvullende Onderscheidingen

 

4.2.1. Openbaar versus Verborgen

De formele ketter “openbaar” manifesteert zijn dwaling uiterlijk (door woorden, geschriften, onderwijzen) en wordt juridisch gesanctioneerd, verliest zijn jurisdictie: Canon 2264: “Elke daad van jurisdictie, zowel in het uitwendig als in het inwendig forum, gesteld door een geëxcommuniceerde, is ongeoorloofd; maar indien er een veroordelend of verklarend vonnis is geweest, is zij zelfs ongeldig, behoudens wat is voorgeschreven in can. 2261, §2.” De ketter “verborgen” bewaart zijn dwaling in zijn geweten zonder haar openbaar te maken; hij wordt niet behandeld als ketter in canonieke zin, hoewel zijn innerlijke zonde ernstig blijft indien zij formeel is, zoals Prümmer (Manuale Theologiae Moralis, 1931, dl. I, n. 446) verklaart dat de verborgen ketterij geen censuren met zich meebrengt, maar innerlijk is. In elk geval verdient hij als formeel de hel zoals elke doodzonde.

 

4.2.2. Positief versus Negatief

– Positieve ketterij: Rechtstreekse verwerping van een dogma (bv.: ontkenning van de transsubstantiatie).

– Negatieve ketterij: Hardnekkige twijfel aan een dogma.

 

Wij vinden de onderscheiding in canon 1325 §2 van het Wetboek van 1917:

“§2. Iedere persoon die na het ontvangen doopsel en terwijl hij de naam van christen behoudt, hardnekkig een van de waarheden van het goddelijk en katholiek geloof die moeten worden geloofd, ontkent of daaraan twijfelt, is een ketter.”

 

4.2.3. Inwendig Forum versus Uitwendig Forum

Een bijkomende nuance over het inwendig versus uitwendig oordeel van de ketterij — dat is de onderscheiding tussen het inwendig forum en het uitwendig forum van de Kerk — volgens de handboeken van de dogmatische theologie vóór het concilie (bv.: Tanquerey, Synopsis Theologiae Dogmaticae, 1927, dl. III, n. 1245; Billot, De Ecclesia Christi, 1909, dl. I, Thesis XXI): het inwendig forum betreft de zonde van de ziel die door God of in de biecht wordt geoordeeld, terwijl het uitwendig forum betrekking heeft op het zichtbare kerkelijke oordeel om de openbare dwaling te sanctioneren, zonder te wachten op een bewezen innerlijke hardnekkigheid. De Kerk oordeelt de zichtbare daden (uitwendig forum) om het algemeen welzijn te beschermen, zonder te pretenderen de innerlijke intenties te doorgronden (inwendig forum), die aan God of aan de biecht zijn voorbehouden. Het uitwendig forum betreft het kerkelijke oordeel dat ertoe strekt de besmetting van de openbare dwaling te beperken (cfr. Catholic Encyclopedia, “Ecclesiastical Forum” — definitie van het uitwendig en inwendig forum).

 

  1. Behandeling van de Materiële Ketter

 

In tegenstelling tot de formele ketter loopt de materiële ketter niet dezelfde automatische sancties op, omdat hem hardnekkigheid en subjectieve schuld ontbreken. De materiële ketter wordt, in het uitwendig forum, niet vermoed hardnekkig zolang het tegendeel niet is vastgesteld. Hier volgen de details van zijn statuut:

 

5.1. Excommunicatie: Geen excommunicatie “latae sententiae”: De automatische excommunicatie (canon 2314, §1) geldt uitsluitend voor de formele ketter, omdat zij een vrijwillige hardnekkigheid vereist. De materiële ketter, die handelt door onwetendheid of oprechte dwaling, wordt niet beschouwd als een bewust rebel tegen de Kerk (Kardinaal Billot, De Ecclesia Christi, 1909, thesis XI).

 

5.2. Verlies van Ambt “Ipso Facto”? Volgens het Wetboek van 1917 geldt het verlies van een kerkelijk ambt (canon 188, §4) of de onbekwaamheid om er een te ontvangen (canon 2314, §1) voor geestelijken die ernstige misdrijven begaan, zoals openbare en notorische ketterij. Voor de materiële ketter echter geldt deze sanctie niet automatisch:

– Indien hij een ambt bekleedt (priester, bisschop, enz.) en een materiële ketterij belijdt zonder haar openbaar te maken, behoudt hij zijn ambt zolang zijn dwaling verborgen of niet door de kerkelijke autoriteit geoordeeld blijft.

– Indien zijn dwaling openbaar wordt (bijvoorbeeld door een ketterse leer te onderwijzen zonder te weten dat zij ketter is), is een proces of vermaning vereist om zijn intentie vast te stellen. Zonder bewezen hardnekkigheid verliest hij zijn ambt niet ipso facto, maar een vonnis ferendae sententiae kan zijn bediening beperken.

 

5.3. Terzijde stellen om de gelovigen te beschermen?

 

De materiële ketter wordt niet systematisch terzijde gesteld van de Kerk om “de andere gelovigen niet te besmetten”, in tegenstelling tot de openbare formele ketter, van wie de H. Thomas zegt: “Na de eerste en tweede vermaning moet men de ketter vermijden” (Theologische Summa, II-II, q. 11, a. 3): “Post primam et secundam admonitionem devita haereticum.” Indien de materiële ketter echter zijn dwaling verspreidt (bijvoorbeeld door openbaar een valse leer te prediken of te onderwijzen, zelfs zonder kwaadwilligheid), moet de Kerk ingrijpen om zijn invloed te beperken:

– Een formele vermaning moet hem worden gericht om zijn onderwijs te beperken: canon 2315, verdacht van ketterij: “Suspectus de haeresi, qui monitus causam suspicionis non removeat, actibus legitimis prohibeatur, et clericus praeterea, repetita inutiliter monitione, suspendatur a divinis; quod si intra sex menses a contracta poena completos suspectus de haeresi sese non emendaverit, habeatur tanquam haereticus, haereticorum poenis obnoxius.” (“Aan de verdachte van ketterij, die na vermaning de oorzaak van de verdenking niet wegneemt, moeten de wettige daden worden verboden; indien hij geestelijke is, moet hij bovendien, na een tweede nutteloze vermaning, worden geschorst a divinis. Indien hij binnen zes maanden na het oplopen van de straf de verdachte van ketterij zich niet heeft verbeterd, moet hij als ketter worden beschouwd, onderworpen aan de straffen van de ketters.”)

– Indien hij volhardt nadat hij is onderricht, houdt zijn onwetendheid op onoverwinnelijk te zijn, en wordt hij “formele ketter”, waarna de volle sancties intreden, zoals Van Noort (Tractatus de Ecclesia Christi, 1920) verklaart dat de openbare materiële ketter kan worden vermaand en beperkt voor de bescherming van de gelovigen.

– In de praktijk kan een openbare materiële ketterse geestelijke worden geschorst van zijn functies (door een vonnis ferendae sententiae) om verwarring onder de gelovigen te vermijden, zelfs zonder onmiddellijke excommunicatie, volgens Billot (op. cit.): een openbare materiële dwaling kan worden beperkt omwille van het schandaal.

 

5.4. Correctie en Onderrichting:

 

De bevoorrechte benadering tegenover de materiële ketter is de pastorale barmhartigheid: hij moet worden onderricht en gecorrigeerd om tot de waarheid terug te keren. Sommige auteurs houden (tegen de gangbare mening nr. 3 hierboven) dat hij, zolang er geen hardnekkigheid is, lid van de Kerk blijft en de sacramenten kan ontvangen (Prümmer en Noldin beperken dit tot private ontvangsten wanneer geen schandaal verschijnt), behalve indien zijn openbare dwaling een manifest schandaal veroorzaakt dat ingrijpen vereist, zoals Hurter (Compendium Theologiae Dogmaticae, 1907, dl. III) aantoont dat de openbare materiële dwaling moet worden beperkt opdat geen schandaal wordt veroorzaakt.

 

5.5. Verwerping van Modernistische Tegenargumenten:

 

De vernieuwers na 1963 beweren dat de materiële ketter “altijd onschuldig” is en geen enkele maatregel verdient, maar dit wordt weerlegd door de H. Pius X in Pascendi Dominici Gregis (1907), die het idee veroordeelt dat de dwaling, zelfs materieel, kan worden getolereerd wanneer zij het geloof corrumpeert; in de huidige crisis rechtvaardigen de dwalingen van Vaticaan II, indien verspreid door onwetendheid, de verwerping van de ambten van de modernisten om de gelovigen te beschermen.

 

Kortom, wij moeten alle ketterijën duidelijk aanklagen, de gelovigen waarschuwen om hen te beschermen tegen materiële ketters en ons afscheiden van hardnekkige (formele) ketters en hun ipso facto excommunicaties vaststellen. De materiële ketter, zelfs openbaar, loopt niet de excommunicatie latae sententiae noch het verlies van ambt ipso facto op, omdat hem hardnekkigheid ontbreekt. Indien zijn openbare dwaling echter een schandaal veroorzaakt (verwarring van de gelovigen), moet de Kerk disciplinaire maatregelen (ferendae sententiae) opleggen, zoals een schorsing, om het algemeen welzijn te beschermen (zie Mgr. Charles Journet, L’Église du Verbe Incarné, dl. I, 1955).

 

  1. Canonische Gevolgen voor de Formele Ketter

 

– Excommunicatie “latae sententiae” (canon 2314, §1).

– Onbekwaamheid om een kerkelijk ambt te ontvangen of uit te oefenen (canon 188, §4), zelfs voor een paus, zoals Bellarminus (De Romano Pontifice, lib. II, cap. 30) aantoont dat een manifest ketterse paus ipso facto ophoudt paus en hoofd van de Kerk te zijn.

– Ontzegging van de sacramenten (behalve in doodsgevaar, canon 2261).

– Verlies van jurisdictie indien de ketterij openbaar en notorisch is (canon 2264).

– Uitdrukkelijke terzijde stelling om de gelovigen te beschermen, overeenkomstig de H. Thomas.

 

– Afwezigheid van kerkelijke procedure: delicate kwestie! Zelfs al bevestigen de Bulle “Cum ex apostolatus officio” (Paulus IV) en de H. Robert Bellarminus dat de manifeste ketter zijn ambt ipso facto verliest, houden sommige klassieke theologen (zoals Cajetanus of Johannes van Sint-Thomas) aan op de noodzaak van een juridische vaststelling van de openbare ketterij om er canonieke gevolgen uit te trekken. Cajetanus, in zijn Tractatus de Fide (1530), betoogt dat, hoewel de ketterij innerlijk van jurisdictie berooft, een kerkelijke verklaring vereist is voor de uiterlijke effecten, om chaos in de zichtbare Kerk te vermijden. Johannes van Sint-Thomas, in Cursus Theologicus (1643, disp. 20, art. 2), houdt staande dat de openbare ketterij de paus ipso facto doet afzetten, maar een vaststelling door de kardinalen of een onvolmaakt concilie noodzakelijk is om de vacature te verklaren en over te gaan tot een verkiezing. Deze meningen, hoewel minderheidsstandpunten, bieden een volledig panorama, dat het sedevacantistisch argument versterkt door te tonen dat zelfs de voorzichtige theologen de automatische verlies bevestigen, met of zonder formele procedure, tegenover een manifeste ketterij zoals die van Vaticaan II.

 

  1. Theologisch Fundament van deze Onderscheiding

 

– De H. Thomas van Aquino (Theologische Summa, II-II, q. 11): De formele ketterij is een ernstige zonde tegen het geloof, terwijl de materiële ketterij een dwaling zonder kwaadwilligheid is. Voor de materiële ketter onderscheidt de afwezigheid van hardnekkigheid hem van de formele, maar zijn openbare dwaling kan een ingrijpen rechtvaardigen, zoals Billot leert dat de materiële ketter niet wordt beschouwd als rebel tegen de Kerk (Tractatus de Ecclesia Christi, dl. I, thesis XI). Volgens de H. Thomas van Aquino (Theologische Summa, II-II, q. 11, a. 2) vereist de formele ketterij (de ketterij in eigenlijke zin) de hardnekkigheid, die afwezig is in de materiële ketterij: “Et ideo qui pertinaciter in errore circa ea quae sunt fidei versatur, ille proprie haereticus dicitur.” (“En daarom wordt hij die hardnekkig volhardt in een dwaling aangaande de zaken van het geloof, in eigenlijke zin ketter genoemd.”)

 

– De H. Augustinus (Contra Faustum, XX, 3): “Haereses autem et schismata hoc vitio non habent caritatem: haeresis falsa opinione, schisma dissensione propria.” (“De ketterijën en schismata hebben door dit gebrek de liefde niet: de ketterij door een valse mening, het schisma door eigen tweedracht.”) die de ketterij definieert als scheiding van de liefde; de intentie bepaalt de schuld.

 

– De leer vóór 1963 dringt aan op de geopenbaarde waarheid en de eenheid van de Kerk: de materiële ketter is een geval van dwaling dat moet worden gecorrigeerd, niet van rebellie dat onmiddellijk moet worden bestraft, maar beperkt indien openbaar.

 

  1. Schema van de diverse situaties van ketters

 

8.1. Materiële ketters

8.1.1. Wat het uitwendig forum betreft, zijn zij ipso facto buiten de Kerk.

8.1.1.1. Reden: door de ketterij hebben zij niet langer het geloof van de Kerk.

8.1.1.2. Verklaring: om lid te zijn van het Lichaam van de Kerk moet men het geloof van de Kerk belijden.

8.1.1.3. Dit is de gangbaarste mening bij de klassieke auteurs (Van Noort, Billot, Journet, enz.).

8.1.2. Wat het inwendig forum betreft, kunnen zij nochtans lid blijven van de Ziel van de Kerk indien zij in de staat van genade zijn.

8.1.2.1. Reden: hij die zondigt door onoverwinnelijke onwetendheid is niet schuldig aan die zonde.

8.1.2.2. Verklaring: hij kan in de staat van genade zijn indien hij overigens geen doodzonde op zijn geweten heeft.

8.1.3. Geen excommunicatie ipso facto.

8.1.4. Geen ipso facto verlies van functies en jurisdictie.

8.1.5. Zij moeten evenwel zo snel mogelijk door de Kerk worden vermaand.

8.1.6. De kerkelijke autoriteit kan maatregelen nemen om hun nefaste invloed op de gemeenschap te verhinderen.

 

8.2. Formele ketters

8.2.1. Verborgen formele ketters

8.2.1.1. Definitie

8.2.1.1.1. Hun ketterij bestaat alleen in het inwendig forum en blijft geheim, onbekend voor de Kerk.

8.2.1.1.2. Voorbeeld: een lid van een geheim ketterse maatschappij.

8.2.1.2. Gevolgen in het inwendig forum

8.2.1.2.1. Verlies van de staat van genade.

8.2.1.2.2. Ipso facto zijn zij buiten de Kerk voor God.

8.2.1.2.3. Indien zij een kerkelijke functie uitoefenen, zijn zij verborgen usurpators.

8.2.1.2.4. Zij kennen dit alles in hun geweten en zondigen zwaar.

8.2.1.3. Gevolgen in het uitwendig forum

8.2.1.3.1. Zij worden beschouwd als leden van de Kerk.

8.2.1.3.2. Geen excommunicatie.

8.2.1.3.3. Geen verlies van functies noch van jurisdictie.

8.2.1.3.4. Jezus Christus, de onzichtbare Hogepriester, suppléert de ontbrekende jurisdictie opdat de Kerk kan blijven functioneren.

8.2.1.3.4.1. Reden: trouw aan Zijn belofte van de onfeilbaarheid van de Kerk.

8.2.1.3.4.2. Voorbeeld: een paus die in het geheim lid is van een geheim ketterse maatschappij.

8.2.1.4. Geval waarin hun geheime ketterij pas na hun dood wordt ontdekt

8.2.1.4.1. Zij waren, vanaf het ogenblik van hun formele ketterij, ipso facto gescheiden van de eenheid van het geloof en dus buiten de Kerk voor God, hoewel deze ketterij pas later werd ontdekt.

8.2.1.4.2. Er wordt na hun dood geen excommunicatie uitgesproken, omdat de Kerk de doden niet juridisch oordeelt: “De mortuis Ecclesia non judicat”.

8.2.1.4.3. Deze vaststelling behoort tot het doctrinair en historisch forum, niet tot het gerechtelijk forum: men oordeelt hun werken en hun leer en erkent dat zij niet langer, voor God, leden van de Kerk waren.

8.2.1.4.4. Indien het bewijs van ketterij niet zeker is maar slechts waarschijnlijk, worden zij beschouwd als verdacht van ketterij en niet als formele ketters.

8.2.1.4.5. Omwille van de onfeilbaarheid van de Kerk blijven al hun daden en beslissingen geldig.

8.2.1.4.5.1. Immers, zoals elke kerkelijke sanctie, geldt de bulle van Paulus IV slechts voor openbare formele ketterijën.

8.2.1.4.5.2. Zij geldt nooit voor verborgen ketterijën, aangezien het onmogelijk is een onbekend misdrijf te sanctioneren.

 

8.2.2. Openbare formele ketters

8.2.2.1. Definitie

8.2.2.1.1. Zij hebben openbaar een ketterij geuit en volharden met hardnekkigheid.

8.2.2.2. Betrokken personen

8.2.2.2.1. Leken.

8.2.2.2.1.1. Na een vermaning worden zij voor formele ketters gehouden.

8.2.2.2.2. Geestelijken.

8.2.2.2.2.1. Zij worden vermoed de geloofswaarheden te kennen en worden daarom volgens de gangbare mening als formele ketters beschouwd.

8.2.2.2.2.2. Uitzondering: indien zij bewijzen dat zij in onwetendheid waren, worden zij dan beschouwd als materiële ketters.

8.2.2.3. Gevolgen

8.2.2.3.1. Ipso facto buiten de Kerk.

8.2.2.3.2. Ipso facto excommunicatie.

8.2.2.3.3. Ipso facto verlies van functies en jurisdictie.

8.2.2.3.3.1. Voor de geestelijken die formele ketters zijn.

8.2.2.3.3.2. Voor de geestelijken die hebben aangetoond dat zij eerst slechts materiële ketters waren, verliezen zij na twee vermaningen hun functies en hun jurisdictie, aangezien zij dan formele ketters worden.

 

  1. Graad van Dwalingen of Tegenstand tegen het Geloof: Theologische Noten of Censuren

 

De theologische noten van de dwalingen (ook negatieve theologische censuren genoemd) zijn de oordelen die door de Kerk of de theologen worden uitgesproken over leerstellige dwalingen, om hun graad van tegenstand tegen het geloof of de katholieke theologie aan te geven. Er bestaat een traditionele en precieze classificatie van deze censuren, vooral gecodificeerd door de scholastieke theologen zoals de H. Robert Bellarminus, Melchior Cano, Domingo Bañez, Johannes van Sint-Thomas, Billuart, en in de 19de eeuw gesynthetiseerd door Adolphe Tanquerey in zijn Synopsis theologiae dogmaticae.

 

Deze noten beschermen de eenheid van het geloof tegen de afwijkingen, zoals Franzelin in De Divina Traditione et Scriptura (jaren 1870) verklaart dat de theologische noten kwalificaties zijn die aanduiden van welk type de dwaling van een stelling is, en in welke mate zij afwijkt van de leer van de Kerk. In het huidige sedevacantistisch perspectief bevestigen deze noten dat de dwalingen van Vaticaan II, zoals de godsdienstvrijheid of het oecumenisme, haereticae zijn, wat ipso facto het verlies van elk kerkelijk ambt met zich meebrengt, waardoor de Stoel van Petrus vacant is, omdat elke tegenstand tegen het gedefinieerde dogma een breuk is met de Openbaring.

 

Aantal theologische noten van dwalingen: Er bestaan 12 tot 16 noten (naargelang de fijnheid van de onderscheiding), gerangschikt van de zwaarste naar de minst zware. Hier volgt de klassieke lijst, in dalende volgorde van ernst:

 

9.1. Hérésiarque / Formele Ketter:

 

Voorafgaande opmerking: dit nr. 1 duidt een persoon aan en geen stelling. Het is dus geen noot in strikte zin maar een persoon in de hoogste graad van dwaling.

 

Definitie: Hij die een waarheid van het gedefinieerde geloof ontkent als door God geopenbaard en als zodanig voorgesteld door de Kerk, en die haar verspreidt.

Latijnse formule: Propositio haeretica a Persona haeretica formali.

Ernst: De zwaarste. Deze verspreiding van de dwaling, bovennatuurlijk dodelijk, maakt hem zo slecht en gevaarlijk in de hoogste graad. De stelling en deze persoon zijn formeel ketter. Scheiding van de Kerk.

Leerstellige en canonieke implicaties: Impliceert hardnekkigheid en volledig bewustzijn, leidend tot excommunicatie latae sententiae (canon 2314 §1 van het Wetboek van 1917) en verlies van ambt ipso facto (canon 188 §4).

Pastoraal oordeel: Vereist een dringende leerstellige correctie. Bij volharding na waarschuwing: formele ketterij, verlies van het geloof, scheiding van de Kerk.

Klassieke theologische verwijzingen: Denzinger n° 3020 (Vat. I, Dei Filius); Tanquerey, Synopsis theol. dogmat., I, n° 76; H. Thomas, IIa IIae, q. 11, a. 1-4.

 

9.2. Propositio haeretica — Ketterse Stelling

 

Definitie: Stelling die een gedefinieerde geloofswaarheid (geloofsdogma) ontkent — de fide definita.

Latijnse formule: Propositio haeretica.

Ernst: Hoogste. De hardnekkige weigering (na waarschuwing) vormt een doodzonde tegen het geloof en valt onder de excommunicatie latae sententiae (cf. CIC 1917, can. 2314 §1).

Leerstellige en canonieke implicaties: Ontkent formeel een geloofsartikel gedefinieerd door een oecumenisch concilie of door de Soevereine Pontifex.

Pastoraal oordeel: Vereist een dringende leerstellige correctie. Bij volharding na waarschuwing: formele ketterij, verlies van het geloof, scheiding van de Kerk.

Klassieke theologische verwijzingen: Denzinger n° 3020 (Vat. I, Dei Filius); Tanquerey, Synopsis theol. dogmat., I, n° 76; H. Thomas, IIa IIae, q. 11, a. 1-4.

 

9.3. Proxima haeresi — Dicht bij de ketterij

Definitie: Stelling die een geopenbaarde leer tegenspreekt die nog niet plechtig is gedefinieerd, maar als zodanig wordt voorgesteld door het universeel gewoon leergezag.

Latijnse formule: Propositio proxima haeresi.

Ernst: Zeer ernstig; pre-kerters.

Leerstellige en canonieke implicaties: Ontkent een waarheid de fide divina, unaniem onderwezen door de verspreide bisschoppen maar verenigd met de Paus (Magisterium ordinarium universale).

Pastoraal oordeel: Formele correctie noodzakelijk.

Ernstig gevaar voor het geloof; risico op evolutie naar formele ketterij.

Klassieke theologische verwijzingen: Van Noort, De vera religione; Vaticaan I, Dei Filius, DS 3011; Mgr. G. Van der Vorst, Institutiones Theologiae Fundamentalis, 1923.

 

9.4. Propositio errori haeretico proxima — Dicht bij de ketterse dwaling:

Definitie: Vergelijkbaar met een ketterij door haar formulering of haar gevolgen, zonder haar rechtstreeks tegenspreken.

Latijnse formule: Propositio errori haeretico proxima.

Ernst: Zeer ernstig.

Leerstellige en canonieke implicaties: Stelling die, indien ontwikkeld of volgehouden, logisch tot de ketterij leidt.

Pastoraal oordeel: Te veroordelen, vooral in seminaries en onderwijs.

Klassieke theologische verwijzingen: Billuart, De Fide, diss. IV, art. IV; Gousset, Théologie morale, I, ch. IV.

 

9.5. Propositio erronea — Dwaling: Definitie: Spreekt een leer tegen die als theologisch zeker wordt gehouden, zelfs indien zij niet geopenbaard is. Latijnse formule: Propositio erronea. Ernst: Ernstig, maar minder dan de voorgaande. Leerstellige en canonieke implicaties: Gaat tegen een zekere conclusie, logisch afgeleid uit een dogma. Pastoraal oordeel: Kan worden getolereerd in debat, maar niet in het magistarieel of catechetisch onderwijs. Klassieke theologische verwijzingen: Tanquerey, I, n° 76; Pesch, Praelectiones dogmaticae, I, n° 425.

 

9.6. Propositio temeraria — Roekeloos: Definitie: Spreekt een mening tegen die unaniem wordt ondersteund door de theologen of het gewone onderwijs van de Kerk, zonder voldoende reden. Latijnse formule: Propositio temeraria. Ernst: Minder dan de formele dwaling, maar zeer onvoorzichtig. Leerstellige en canonieke implicaties: Ondermijnt de leerstellige eenheid; teken van intellectuele hoogmoed. Pastoraal oordeel: Houding die moet worden gecorrigeerd bij priesters en leerkrachten. Zaad van toekomstige dwalingen. Klassieke theologische verwijzingen: Melchior Cano, De locis theologicis, lib. XII; Johannes van Sint-Thomas, Cursus theologicus, dl. I.

 

9.7. Propositio sapit haeresim — Ruikt naar ketterij: Definitie: Formule of stelling die de geur heeft van een ketterij, zonder rechtstreeks ketter te zijn. Latijnse formule: Propositio sapit haeresim. Ernst: Middelmatig tot ernstig naargelang de context. Leerstellige en canonieke implicaties: Kan het geloof van de eenvoudige gelovigen verstoren. Vaak gebruikt tegen jansenistische of lutherse stellingen. Pastoraal oordeel: Te corrigeren, vooral in catechese. Klassieke theologische verwijzingen: Unigenitus (1713), talrijke stellingen zijn sapit haeresim; Denzinger 2420 e.v.

 

9.8. Propositio suspecta de haeresi — Verdacht van ketterij: Definitie: Stelling die doet vermoeden dat zij een ketterij bevat, zonder dat dit met zekerheid kan worden aangetoond. Latijnse formule: Propositio suspecta de haeresi. Ernst: Gematigd. Leerstellige en canonieke implicaties: Kan dienen om het geloof te omzeilen, verzwakt de orthodoxie. Pastoraal oordeel: Bewaken, de auteur ondervragen, verduidelijking eisen. Klassieke theologische verwijzingen: H. Thomas, De Veritate, q. 14, art. 9; Auctorem fidei, 1794 (talrijke stellingen van de Synode van Pistoia).

 

9.9. Propositio male sonans / Piarum aurium offensiva — Slecht klinkend / Beledigt vrome oren: Definitie: Stelling uitgedrukt in choquerende, ongepaste, oneerbiedige termen, zelfs indien de inhoud orthodox kan zijn. Latijnse formule: Male sonans, offensiva piarum aurium. Ernst: Zwak, maar niet te verwaarlozen. Leerstellige en canonieke implicaties: Kan choqueren, de gelovigen scandaleren, zelfs indien de intentie orthodox is. Pastoraal oordeel: Te herformuleren, vooral in preken, catechismussen en publicaties. Klassieke theologische verwijzingen: Unigenitus (1713); Tanquerey, De locis theologicis, n° 42.

 

9.10. Propositio scandalosa — Schandelijk: Definitie: Stelling die anderen tot dwaling, twijfel of zonde aanzet, zelfs indien zij in zichzelf juist is. Latijnse formule: Propositio scandalosa. Ernst: Variabel, maar potentieel ernstig naargelang de omstandigheden. Leerstellige en canonieke implicaties: Het schandaal is een zonde tegen de liefde en de voorzichtigheid (cf. H. Thomas, IIa IIae, q. 43). Een stelling kan objectief schandelijk zijn zelfs indien de intentie niet slecht is. Pastoraal oordeel: Te verbieden in publicaties en prediking; moet worden aangeklaagd in seminaries. Klassieke theologische verwijzingen: Unigenitus (1713), talrijke stellingen veroordeeld als scandalosae; H. Thomas, Summa Theol., IIa IIae, q. 43, a. 1-7.

 

9.11. Propositio schismatica — Schismatiek: Definitie: Stelling die de verschuldigde onderwerping aan de Soevereine Pontifex of aan de legitieme katholieke hiërarchie tegenspreekt. Latijnse formule: Propositio schismatica. Ernst: Zeer ernstig, belediging tegen de eenheid van de Kerk. Leerstellige en canonieke implicaties: Het schisma is een vrijwillige breuk van de onderwerping aan de hoogste kerkelijke autoriteit. Het kan bestaan zonder formele ketterij, maar leidt er vaak toe. Pastoraal oordeel: Absoluut te veroordelen. Impliceert de canonieke straf van excommunicatie latae sententiae (CIC 1917, can. 2314). Klassieke theologische verwijzingen: Gratianus, Decretum, C. 24, q. 1; H. Thomas, IIa IIae, q. 39; Denzinger 2598 (Cum ex Apostolatus van Paulus IV, 1559).

 

9.12. Propositio impia / blasphema — Goddeloos / Godslasterlijk: Definitie: Stellingen die God, Zijn heiligheid, Zijn heiligen, Zijn mysteries of Zijn woord beledigen. Latijnse formule: Propositio impia, blasphema. Ernst: Zeer ernstig. Leerstellige en canonieke implicaties: Rechtstreekse belediging van de Goddelijke Majesteit of van wat heilig is. Vaak gebruikt tegen godslasteringen. Pastoraal oordeel: Zonder appel te veroordelen. Kan strenge canonieke straffen vereisen. Klassieke theologische verwijzingen: Catechismus van het Concilie van Trente, III, over het 2de Gebod; H. Thomas, IIa IIae, q. 13.

 

9.13. Propositio idolatrica / superstitiosa / magica — Bijgelovig / Magisch / Afgoderij: Definitie: Stellingen die aan schepselen of niet-geopenbaarde praktijken een bovennatuurlijke geestelijke macht toeschrijven. Latijnse formule: Propositio superstitiosa, idolatrica, magica. Ernst: Zeer ernstig (rechtstreekse schending van het 1ste gebod). Leerstellige en canonieke implicaties: Spreekt het bovennatuurlijk geloof in God alleen tegen. Stelt een verdraaide godsdienst voor. Pastoraal oordeel: Uit te roeien. Kan exorcisme of canoniek interdict vereisen. Klassieke theologische verwijzingen: Catechismus van het Concilie van Trente, over het 1ste Gebod; H. Thomas, IIa IIae, q. 92-96.

 

9.14. Propositio turpis / obscena — Schandelijk / Obsceen: Definitie: Immoralische of onkuise stellingen, in het bijzonder over seksualiteit, de sacramenten of de zeden. Latijnse formule: Propositio turpis, obscena. Ernst: Ernstig moreel, vooral indien openbaar geuit. Leerstellige en canonieke implicaties: De Kerk veroordeelt al wat de zuiverheid beledigt. Pastoraal oordeel: Formeel te censureren. Kan de jeugd corrumperen en scandaleren. Klassieke theologische verwijzingen: Leo XIII, Officiorum ac Munerum, 1897 (Index Librorum Prohibitorum); H. Alfonsus, Theologia Moralis, lib. IV.

 

9.15. Propositio subversiva hierarchiae ecclesiasticae — Ondermijnend voor de kerkelijke hiërarchie: Definitie: Stellingen die de goddelijke hiërarchie van de Kerk ontkennen of relativeren, dat wil zeggen het onderscheid tussen de paus, de bisschoppen, de priesters en de gelovigen. Latijnse formule: Propositio subversiva hierarchiae ecclesiasticae. Ernst: Zeer ernstig. Leerstellige en canonieke implicaties: Ontkent de goddelijke instelling van de macht van jurisdictie en leergezag. Dit is de typische dwaling van het conciliarisme of het democratisch modernisme. Pastoraal oordeel: Te onderdrukken. Leidt tot protestantisme, jansenisme of modernisme. Klassieke theologische verwijzingen: Vaticaan I, Pastor aeternus (DS 3050 e.v.); Syllabus Errorum (1864), dwalingen 37-40. NB: Deze noot bestaat niet uitdrukkelijk als zodanig in de klassieke lijst. De traditionele theologische censuur zou veeleer “erronea” of “haeretica” zijn naargelang de gevallen.

 

9.16. Propositio seditionem parens — Zaaiend van oproer: Definitie: Stellingen die aanzetten tot opstand tegen de legitieme autoriteit, kerkelijk of burgerlijk, onder voorwendsel van godsdienst. Latijnse formule: Propositio seditionem parens. Ernst: Variabel, maar vaak ernstig. Leerstellige en canonieke implicaties: Dit is het leerstellig instrument van ongehoorzaamheid. Door de H. Thomas veroordeeld als zware zonde tegen de sociale en kerkelijke vrede. Pastoraal oordeel: Moet worden gecorrigeerd en voorkomen bij gelovigen die geneigd zijn tot systematische kritiek of doctrinair independentisme. Klassieke theologische verwijzingen: Leo XIII, Immortale Dei (1885), over de betrekkingen tussen Kerk en Staat; H. Thomas, IIa IIae, q. 42 (over het oproer). NB: Dit is veeleer een morele en politieke kwalificatie dan een klassieke theologische noot.

 

Klassieke verwijzingen:

– Adolphe Tanquerey, Synopsis theologiae dogmaticae, dl. I, n° 74–76.

– Billuart, De Virtutibus Theologicis, Dissert. V, art. 3.

– Johannes van Sint-Thomas, Cursus Theologicus, dl. I.

– Denzinger, Enchiridion symbolorum, inleiding over de theologische censuren.

– Melchior Cano, De locis theologicis, boek XII.

 

NB: Deze exhaustieve noten bewijzen dat Vaticaan II ketter is, wat de sede vacante bevestigt. Definitieve verwerping: De post-1963 beweren dat de noten “historisch” of “niet toepasselijk” zijn, maar dit wordt weerlegd door Pius X (Pascendi: “Modernistische dubbelzinnigheid is ketter”), omdat zij het onveranderlijke geloof beschermen; Franzelin, o.c., schrijft dat de theologische noten moeten worden gerespecteerd voor de bescherming van het geloof.

 

  1. De Semi-ketterijen de Semi-Ketter

 

De studie van de semi-ketterij vormt een essentieel element van de theologische reflectie binnen de katholieke Kerk. Deze term duidt posities aan die niet volledig ketter zijn, maar die de orthodoxie verzwakken door dubbelzinnigheden, compromissen of attitudes die gunstig zijn tegenover ketters, zonder de ketterij expliciet te omarmen.

 

Volgens het onderwijs van de Kerkvaders en de concilies, en in overeenstemming met het huidige sedevacantistisch gezichtspunt, past het te begrijpen dat de semi-ketterij een gevaarlijke grijze zone inneemt tussen de zuivere leer van het geloof en haar volledige verwerping. Dit gezichtspunt, geworteld in de onveranderlijke Traditie, weerlegt de tegenargumenten die de semi-ketterij minimaliseren als eenvoudige subjectieve interpretaties, door te wijzen op de objectieve veroordelingen in de geschiedenis van de Kerk. Dergelijke tegenargumenten, vaak gemotiveerd door een verlangen naar compromis met moderne dwalingen, worden ongeldig gemaakt door de duidelijke anathemata van de concilies en de pauselijke documenten, die elke vorm van medeplichtigheid met de ketterij bestraffen.

 

Een ander exces bestaat erin semi-ketters als ketters te beschouwen. Dit zou het begrip van de huidige situatie van de Kerk vertroebelen omdat de (formele) ketters geen leden van de Kerk zijn maar de semi-ketters dat nog wel zijn.

 

Definitie van de Semi-ketterij volgens het Onderwijs van de Kerk

De semi-ketterij, zoals begrepen in de theologische traditie, duidt een theologische positie aan die niet volledig ketter is, maar die afwijkt van de orthodoxie door ideeën die aan een ketterij zijn gelinkt te begunstigen of aan te moedigen. Het voorvoegsel “semi-” impliceert een intermediaire of dubbelzinnige attitude, vaak gericht op compromis, dubbelzinnigheid in formuleringen of een gedeeltelijke invloed van ketters zonder al hun implicaties over te nemen. Dit verschilt van de volledige ketterij, die bestaat in een expliciete ontkenning van een gedefinieerd dogma, maar is eveneens veroordeelbaar omdat zij de zuiverheid van het geloof ondermijnt: en zij kan “temeraria”, “male sonans”, “suspecta de haeresi”, of zelfs “proxima haeresi” zijn.

 

De Katholieke Encyclopedie (1913) en de bronnen vóór 1963, zoals de geschriften van de Kerkvaders, beschrijven stromingen die “semi-ariaans”, “semi-pelagiaans” enz. worden genoemd. Deze “semi-ketterijën” omvatten elementen zoals: een poging tot verzoening tussen de orthodoxie en de ketterij; een leerstellige dubbelzinnigheid die ketterse interpretaties toelaat; of de vergemakkelijking van de ketterij door de orthodoxie te verzwakken. De Kerk heeft historische stromingen veroordeeld die door de auteurs als semi-ariaans, semi-pelagiaans, enz. werden gekwalificeerd, omdat dit de eenheid van het geloof bedreigde, zoals vastgelegd in de concilies en de pauselijke bullen. De tegenargumenten die beweren dat de semi-ketterij slechts een polemisch etiket is, worden weerlegd door de objectieve criteria van de Kerk: indien een positie de deur opent naar de ketterij, valt zij onder het anathema, onafhankelijk van de intenties, zoals blijkt uit het Formulier van Paus Hormisdas (519), dat het anathema uitspreekt over de ketters en hun gemeenschapsgenoten.

 

Historische Voorbeelden van Semi-ketterij

De geschiedenis van de Kerk biedt talrijke voorbeelden van semi-ketterij, die illustreren hoe zulke posities werden veroordeeld om de integriteit van de leer te bewaren.

 

10.1. Het Semi-Arianisme (4de eeuw): Deze groep, ook bekend onder de naam homoiousianen, beweerde dat de Zoon van God “van gelijke natuur” (homoiousios) was met de Vader, maar vermeed de consubstantialiteit (homoousios) zoals gedefinieerd door het Concilie van Nicea (325). Zij zochten een middenweg tussen het arianisme, dat de goddelijkheid van de Zoon ontkende, en de orthodoxie. Volgens de Katholieke Encyclopedie (1913) was hun positie een compromis dat de orthodoxie verzwakte en interpreteerbaar was als begunstiging van het arianisme. Velen van hen, zoals de Macedonians, werden in concilies veroordeeld, hoewel sommigen onder druk van figuren zoals Athanasius terugkeerden tot de orthodoxie. De tegenargumenten die de semi-arianen als eenvoudige misverstanden voorstellen, worden ongeldig gemaakt door hun veroordeling in Nicea en in latere synodes, die elke afwijking van het homoousios als ketter kwalificeerden.

 

10.2. Het Semi-Pelagianisme (5de eeuw): Verschenen onder monniken in Zuid-Gallië rond 428, poogde het een compromis tussen het pelagianisme, dat de noodzaak van de genade ontkende, en het onderwijs van Augustinus over haar absolute noodzaak. De semi-pelagianen erkenden de genade voor het heil, maar beweerden dat de mens het initiatief kon nemen door zijn vrije wil, zonder voorkomende genade. De Katholieke Encyclopedie (1913) beschrijft het als een leer die de noodzaak van de genade niet ontkende, maar de rol van de menselijke wil overdreef, en aldus het pelagianisme begunstigde. Het werd veroordeeld door het Concilie van Orange (529), dat het onderwijs van Augustinus bevestigde. De tegenargumenten, zoals die beweren dat de semi-pelagianen orthodoxe intenties hadden, falen omdat hun positie de universele erfzonde minimaliseerde, wat de Traditie tegenspreekt.

 

10.3. Het Semi-Nestorianisme en de Drie Hoofdstukken (5de-6de eeuw): In de controverse over de Drie Hoofdstukken (geschriften van Theodorus van Mopsuestia, Theodoretus van Cyrus en Ibas van Edessa), werden deze auteurs veroordeeld door het Vijfde Oecumenisch Concilie (Constantinopel II, 553), hoewel zij niet volledig nestoriaans waren. Hun formuleringen, beïnvloed door de School van Antiochië, scheidden de naturen van Christus te sterk, en begunstigden aldus het nestorianisme. Zij werden post mortem als semi-ketters beschouwd, omdat hun ideeën een vruchtbare bodem boden voor de ketterij.

 

10.4. Paus Honorius I (7de eeuw): Het Zesde Oecumenisch Concilie (Constantinopel III, 680-681) veroordeelde Honorius post mortem als ketter, omdat hij de monotheletische ketterij begunstigde door nalatigheid: hij “zette de vlam van de ketterij aan door zijn nalatigheid”, zonder haar formeel te belijden. Paus Leo II bevestigde dit, opmerkend dat Honorius het onbevlekte geloof had laten bezoedelen. De bronnen vóór 1963, zoals de Enchiridion van Denzinger (edities vóór 1963), en de Katholieke Encyclopedie (1913), erkennen dit als een geval van semi-ketterij, omdat het niet ging om een formele ex cathedra verklaring, maar om een verzwakking van de orthodoxie. De tegenargumenten uit latere interpretaties, die beweren dat Honorius geen echte ketter was, worden weerlegd door de conciliaire anathemata en de bevestiging door Leo II, die aantonen dat nalatigheid tegenover de ketterij gelijkstaat met haar begunstigen.

 

Deze voorbeelden tonen aan dat de Kerk altijd de semi-ketterij heeft veroordeeld om de zuiverheid te bewaren, in overeenstemming met het Formulier van Paus Hormisdas (519), dat het anathema uitspreekt over de ketters en hun gemeenschapsgenoten, en echo geeft aan 2 Joh. 1:10-11.

 

10.5. Het Onfeilbare Formulier van Paus Hormisdas als Cruciale Gids

 

Een bijzonder belangrijk punt in de studie van de semi-ketterij is het Formulier van Paus Hormisdas van 519, ook bekend onder de naam Libellus Hormisdae, dat een onfeilbare leer bevat en dient als gids voor het gedrag tegenover ketters en semi-ketters. Dit document, opgesteld door Paus Hormisdas (514-523) om een einde te maken aan het acaciaans schisma, was een geloofsbelijdenis die de oosterse bisschoppen moesten ondertekenen om de eenheid met Rome te herstellen. Het schisma, veroorzaakt door het Henotikon van Keizer Zeno in 482 en gesteund door Patriarch Acacius van Constantinopel, had de Griekse en Romeinse Kerken gescheiden door een compromis met monofysitische tendensen, die het Concilie van Chalcedon (451) ondermijnde. Na de dood van Keizer Anastasius in 518 en de troonsbestijging van de orthodoxe Keizer Justinus I, werd het Formulier ondertekend op 28 maart 519 in Constantinopel, en herstelde de eenheid.

 

De tekst van het Formulier benadrukt de noodzaak om de regel van het ware geloof te bewaren en niet af te wijken van de voorschriften van de Vaders. Een sleutelpassage luidt: “Prima salus est, regulam rectae fidei custodire et a constitutis Patrum nullatenus deviare. Et quia non potest Domini Nostri Jesu Christi praetermitti sententia dicentis: Tu es Petrus et super hanc petram aedificabo ecclesiam meam. Haec quae dicta sunt rerum probantur effectibus, quia in sede apostolica immaculata est semper Catholica conservata religio.” (“De eerste voorwaarde van het heil is de regel van het rechte geloof te bewaren en in niets af te wijken van wat door de Vaders is vastgesteld. En omdat de uitspraak van Onze Heer Jezus Christus niet kan worden genegeerd: ‘Gij zijt Petrus en op deze steen zal Ik mijn Kerk bouwen’ [Mt. 16:18]. Deze woorden worden bewezen door de feiten, omdat in de Apostolische Stoel de katholieke godsdienst altijd onbevlekt is bewaard.”) Vervolgens volgt de anathematisering van ketters zoals Nestorius, Eutyches en anderen, waaronder Acacius: “Nos pariter Acacium quondam Constantinopolitanum episcopum eorum socium et participem anathematizamus, una cum his qui in eius communione perseverant; QUIA COMMUNIONEM ALICUIUS AMPLEXARI, SIMILEM MERERI SORTEM EST.” (“Wij anathematizeren eveneens Acacius, vroeger bisschop van Constantinopel, die hun medeplichtige en aanhanger werd, alsook hen die in zijn gemeenschap volharden; WANT DE COMMUNIE VAN IEMAND (een ketter) OMARMEN, IS EEN GELIJK LOT VERDIENEN (het anathema).”)

 

Dus de Patriarch Mgr. Acacius was niet ketter, maar werd toch geanathematiseerd omwille van zijn gemeenschap, zijn vriendschappelijke betrekkingen, zijn akkoorden met een afwijkend (ketters) doctrinair beleid (Henotikon), oorzaak van schisma.

 

10.5.1. Dit Formulier heeft groot gezag… volgens het gewoon en universeel leergezag van de Kerk. Het beantwoordt aan het criterium van de H. Vincentius van Lerins: “Quod ubique, quod semper, quod ab omnibus” (Wat overal, altijd, door allen is geloofd, behoort tot het depositum fidei). Mgr. Jacques-Bénigne Bossuet, in zijn Defensio Declarationis Cleri Gallicani (Boek X, Hoofdstuk 7), verklaart dat dit Formulier in de volgende eeuwen met dezelfde inleiding en conclusie werd gebruikt, aangepast aan de nieuwe ketterijën en ketters, en dat de bisschoppen het richtten tot de pausen zoals Hormisdas, Agapitus, Nicolaas I en Adrianus II bij het Achtste Oecumenisch Concilie (Constantinopel IV, 869-870). Bossuet benadrukt dat wat overal is verspreid, in alle eeuwen is gepropageerd en door een oecumenisch concilie is geheiligd, door geen enkele christen kan worden verworpen.

Dit bevestigt zijn zekerheid als gids: het verbiedt elk contact met ketters dat niet gericht is op hun bekering, en geeft echo aan 2 Joh. 1:10-11: “Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en zegt hem geen heil; want wie hem heil zegt, heeft deel aan zijn boze werken.”

 

In de context van de semi-ketterij dient dit Formulier als gids voor het gedrag: hij die de gemeenschap met ketters onderhoudt, zonder hun bekering te eisen, deelt hun lot (het anathema), zelfs indien hij niet formeel ketter is. Dit is van toepassing op de semi-ketters, die de ketterij begunstigen door dubbelzinnigheid of compromis.

De tegenargumenten die beweren dat het Formulier puur historisch is en niet bindend voor hedendaagse situaties, worden weerlegd door zijn herhaald gebruik in de concilies en zijn universele toepassing, alsook door het onderwijs van Bossuet; het is geen subjectieve interpretatie, maar een objectieve leer die elke medeplichtigheid met de ketterij bestraft. Kortom, het Formulier, pauselijke geloofsbelijdenis, ontvangen en hergebruikt, geniet een zeer hoge autoriteit; meerdere theologen houden het voor onfeilbaar door zijn invoeging in het constante onderwijs.

 

10.5.2. Toepassing op Hedendaagse Situaties

 

Vanuit sedevacantistisch standpunt is de semi-ketterij evident in de hedendaagse groeperingen die compromissen zoeken met wat de sedevacantisten beschouwen als het afvallige Rome. Het onderwijs vóór 1963, waaronder Cum ex apostolatus officio (Paus Paulus IV, 1559), bevestigt dat een ketter automatisch zijn ambt verliest, zonder formele verklaring. Het sedevacantisme betoogt dat de “pausen” na 1963 dit lot hebben ondergaan door openbare ketterijën, zoals in de documenten van Vaticaan II, en dat elke erkenning van hen een semi-ketterij impliceert.

 

10.5.3. Het voorbeeld van de FSSPX

 

Een prominent hedendaags voorbeeld is de Priesterbroederschap Sint-Pius X (FSSPX), onder leiding van Mgr. Fellay, die akkoorden zoekt met wat de sedevacantisten beschouwen als het ketterse Rome. Er zijn vier akkoorden: Fellay als rechter in Rome; jurisdictie voor de biecht, de huwelijken en voor de wijdingen. Deze zijn gemeenschap met ketters, vallend onder het anathema van het Formulier van Hormisdas, omdat zij geen bekering eisen.

 

De tegenargumenten, zoals die beweren dat deze akkoorden puur praktisch zijn en zonder leerstellig compromis, worden weerlegd door de Schrift (2 Joh. 1:10-11) en de interpretatie van Bossuet van het Formulier, die elk contact zonder doel van bekering veroordeelt. Het sedevacantisme weerlegt dit door te wijzen op de onfeilbare belofte dat de poorten van de hel niet zullen overwinnen (Mt. 16:18), wat impliceert dat een ketter “Rome” niet de ware Kerk is. Nog moet men onderscheid maken tussen de materiële en de formele gemeenschap door de verschillende leden van de FSSPX.

 

Bovendien worden figuren zoals Johannes XXIII (1958) gezien als semi-ketters door verdenkingen onder Pius XII, zonder formele veroordeling, en zijn keuze van naam die echo geeft aan een antipaus. Het retrospectief zicht onthult duidelijk een dubbelzinnigheid die het modernisme begunstigt.

 

10.6. Verwerping van de Tegenargumenten

 

De tegenargumenten beweren vaak dat de semi-ketterij subjectief is of dat de intenties haar verontschuldigen. Dit wordt ongeldig gemaakt door de objectieve criteria van de concilies: de intenties doen er niet toe indien de positie de ketterij begunstigt. De politieke contexten, zoals bij Justinianus, veranderen niets aan de theologische veroordeling. Immers de afwezigheid van kwade intentie verontschuldigt niet de objectiviteit van de dwaling noch haar gevaar; maar de hardnekkigheid blijft de scheidslijn van de formele ketterij.

 

Het sedevacantisme weerlegt de posities “erkennen en weerstaan” (zoals de FSSPX) als incoherent, omdat zij een ketter als paus erkennen, wat het onderwijs vóór 1963 tegenspreekt dat ketters geen jurisdictie hebben. Het Formulier van Hormisdas versterkt dit: de gemeenschap met ketters leidt tot hetzelfde lot, zonder uitzondering voor “goede intenties”.

 

10.7. Kort

 

De semi-ketterij is klassiek de positie van een gedoopte die geen “propositio haeretica” met hardnekkigheid belijdt, en die niet formeel ketter is; naargelang de gevallen kan hij vallen onder “temeraria”, “suspecta”, enz. Als verzwakking van de orthodoxie is de semi-ketterij een blijvend gevaar, meermaals door de Kerk veroordeeld. Vanuit sedevacantistisch standpunt past het elk compromis met de hedendaagse dwalingen te vermijden, op straffe van anathema. Het onfeilbare Formulier van Paus Hormisdas biedt een duidelijke gids in deze materie. De Traditie eist waakzaamheid om de zuivere leer te bewaren. Zolang een gedoopte geen “propositio haeretica” met hardnekkigheid belijdt, is hij niet formeel ketter; naargelang de gevallen kan zij vallen onder “temeraria”, “suspecta”, enz. ‘Semi-ketterij’ is een historisch-polemisch gebruiksterm; indien men de technische censuren wil, blijven dit die van de handboeken (propositio haeretica, proxima haeresi, temeraria, suspecta, male sonans, enz.).

 

  1. De Bulle Cum ex apostolatus officio

 

11.1. Haar Tekst

 

Afgekondigd op 15 februari 1559 door Paulus IV, in een context van protestantse bedreiging, beoogt de bulle de infiltratie van ketters in kerkelijke ambten te verhinderen. De sleutelpassage (§3, uittreksel) stelt: “Sancimus, statuimus, decernimus, et definimus, quod[…] omnes, et singuli Episcopi, Archiepiscopi, Patriarchae, Primates, Cardinales[…] qui hactenus[…] deviasse, aut in haeresim incidisse[…] deprehensi, aut confessi, vel convicti fuerint[…] et in posterum deviabunt, aut in haeresim incident[…] ipso facto, et absque aliqua iuris, aut facti declaratione, omnino, et penitus a suis[…] dignitate[…] officio[…] privatos omnino esse, et fore.” Vloeiende vertaling: “Wij voegen toe en verklaren dat indien het ooit zou gebeuren dat een bisschop, zelfs handelend als aartsbisschop, patriarch, primaat of kardinaal van de Heilige Roomse Kerk, of legaat, of zelfs de Romeinse Pontifex, vóór zijn promotie of verheffing tot kardinaal of pontificaat, zou zijn afgeweken van het katholiek geloof of in ketterij zou zijn vervallen, zijn promotie of verheffing, zelfs indien zij met eenstemmige instemming en toestemming van alle kardinalen is geschied, nietig en van nul en gener waarde is, en geen enkel recht kan worden verworven door hem die aldus is gepromoveerd of verheven, zelfs indien hij vreedzaam het bezit van die waardigheid of dat ambt heeft verkregen.”

 

In §6 preciseert de bulle: “Si quilibet[…] in haeresim inciderit[…] ipso facto, et absque aliqua declaratione, privatus existat.” Vloeiende vertaling: “iedereen die in ketterij vervalt, is van rechtswege en zonder enige verklaring onmiddellijk beroofd van zijn waardigheid en zijn ambt.”

 

De bulle lijkt elke openbare ketterij te omvatten zonder uitdrukkelijke onderscheiding tussen formeel en materieel, wat een verduidelijking vereist om zich te harmoniseren met de traditionele leer.

 

11.2. Verzoening met de Traditionele Leer

 

De katholieke leer onderscheidt duidelijk de formele ketterij van de materiële ketterij, en de bulle schrijft zich in in dit theologisch kader. De volgende punten verzoenen de bulle met de leer:

 

11.2.1. Vermoeden van Hardnekkigheid: Een openbare ketterij wordt vermoed hardnekkig, vooral bij een geestelijke, die gehouden is het geloof te kennen.

 

11.2.1.1. Allen: De H. Thomas breidt dit uit tot allen (Theologische Summa, I-II, q. 76, a. 2): “iedereen is gehouden in het algemeen de waarheden van het geloof en de universele voorschriften van het recht te kennen, en ieder in het bijzonder is gehouden te kennen wat zijn staat of zijn functie betreft.”

 

11.2.1.2. De Geestelijken: Wernz–Vidal, Ius Canonicum, dl. VII: “Clerici, qui in sacris disciplinis sunt instituti et fidei doctores esse debent, ignorantia fidei excusari non possunt.” (“De geestelijken, gevormd in de heilige wetenschappen en geroepen om leraren van het geloof te zijn, kunnen niet door onwetendheid in geloofszaken worden verontschuldigd.”)

 

– Regel

 

Dit is een regel die ruimer is dan voor de materie van ketterij, zij geldt voor elke bedrog of fraude, dus gedraagt zij zich als een rechtsbeginsel: Wetboek van Canoniek Recht van 1917, canon 2200 §2, stelt een algemeen beginsel vast “Posita externa legis violatione, dolus in foro externo praesumitur, donec contrarium probetur.” (“De uiterlijke schending van de wet zijnde gesteld, wordt het bedrog in het uitwendig forum vermoed, totdat het tegendeel bewezen wordt.”) Verdraaiing — van geloof — ketterij: schending — van wet — bedrog. De ketterij is als een bedrog van schending van de wet van het geloof. De wet of de regel van geloof is dat men alles moet geloven wat geopenbaard is.

 

– Heilige Schrift

 

Dit is in overeenstemming met de katholieke leer, die stelt dat de geestelijken, als herders van de gelovigen, gehouden zijn aan een hogere standaard van kennis en verantwoordelijkheid. Cf. Ezech. 33:6: “Indien echter de wachter het zwaard ziet komen en niet op de bazuin blaast[…] zal Ik zijn bloed van de hand van de wachter eisen” — (“Maar indien de wachter het zwaard ziet komen en niet op de bazuin blaast[…] zal Ik zijn bloed van de hand van de wachter eisen.”)

– De theologen

Hier volgen de klassieke auteurs van de traditionele katholieke theologie (vóór 1963) die leren dat de geestelijken, als openbare leraren van het geloof (bisschoppen, priesters, en vooral een pontifex), gehouden zijn aan een ernstige en zekere kennis van de waarheden die zij moeten onderwijzen en verdedigen. Bij hen is onoverwinnelijke onwetendheid in dogma’s moreel uitgesloten in gevallen van openbare belijdenis van dwaling. Daarom vermoedt de Kerk legitiem de hardnekkigheid en behandelt uiterlijk zulke ketterij als formeel, wat ipso facto verlies van jurisdictie met zich meebrengt. Niettemin kan de theoretische mogelijkheid van een puur materiële ketterij principieel niet absoluut worden ontkend.

De H. Robert Bellarminus (Kerkleraar, †1621), in De Romano Pontifice (boek II, hoofdstuk XXX), leert dat de manifeste en openbare ketterij van een geestelijke, vooral van een pontifex, ipso facto verlies van jurisdictie met zich meebrengt, en dat de hardnekkigheid gemakkelijker wordt vermoed bij een openbare leraar, zonder noodzaak van voorafgaande vermaningen om het uiterlijke feit vast te stellen. Hij verwerpt het idee dat onwetendheid een dergelijk ambt in openbare en notorische gevallen kan verontschuldigen, omdat de last van leraar de kennis zeker doet vermoeden; hij citeert historische voorbeelden (zoals Nestorius) waarbij de openbare ketterij van een geestelijke voor formeel werd gehouden zonder verontschuldigbare onwetendheid.

Francisco Suarez (†1617), in de Disputationes de Fide en in de Defensio Fidei Catholicae, bevestigt dat de geestelijken, door hun ambt van openbare leraren, een zware verplichting hebben om het geloof dat zij onderwijzen volkomen te kennen. In gevallen van openbare belijdenis van dwaling is onoverwinnelijke onwetendheid moreel uitgesloten; de hardnekkigheid wordt vermoed, en de dwaling wordt als formeel behandeld in het uitwendig forum. Suarez dringt aan op het feit dat onwetendheid bij zulke geestelijke affectief of te wijten aan nalatigheid zou zijn.

Kardinaal Louis Billot (†1931), in het Tractatus de Ecclesia Christi (Tomus I, thesis XI, editie van 1909), verklaart dat de ketterij die van het zichtbare lichaam van de Kerk afsnijdt de uiterlijke en notorische ketterij is. Voor geestelijken, vooral leraren, is onoverwinnelijke onwetendheid over de dogma’s die zij moeten onderwijzen moreel uitgesloten in openbare gevallen; zij zou affectief, grof of te wijten aan nalatigheid zijn. Billot preciseert dat de Kerk oordeelt volgens de uiterlijke tekenen en de formele schuld vermoedt zonder het inwendig forum te hoeven doorgronden.

Deze auteurs, onder de meest gezaghebbende van de post-tridentijnse traditie, stemmen dus in over een zeer sterke morele presumptie: de last van openbare leraar sluit praktisch onoverwinnelijke onwetendheid in geloofszaken uit, en de belijdenis van dwaling wordt als formeel behandeld in het uitwendig forum, met volledige kennis vermoed. Andere klassieke theologen (zoals Sylvius, Ballerini, Wernz-Vidal) volgen dezelfde lijn, maar de drie geciteerde zijn de meest expliciete en meest vaak ingeroepen.

– Betwistbaar

Deze presumptie is evenwel weerlegbaar: indien de betrokkene een onoverwinnelijke onwetendheid bewijst, is zijn dwaling materieel, en gelden de ipso facto sancties niet.

Canon 2199: “De toerekenbaarheid van het misdrijf hangt af van het bedrog van de dader of van zijn schuld in de onwetendheid van de geschonden wet of in de nalatigheid van de nodige zorg: bijgevolg vermeerderen, verminderen, onderdrukken alle oorzaken die het bedrog of de schuld vermeerderen, verminderen, onderdrukken, bijgevolg de toerekenbaarheid van het misdrijf.”

Deze canon stelt vast dat voor een strafrechtelijke sanctie een vrijwillige fout vereist is, wat onoverwinnelijke onwetendheid uitsluit.

Canon 2202: §1. Violatio legis ignoratae nullatenus imputatur, si ignorantia fuerit inculpabilis; secus imputabilitas minuitur plus minusve pro ignorantiae ipsius culpabilitate. (§1. De schending van een onbekende wet wordt in geen geval toegerekend indien de onwetendheid onschuldig is; in het tegenovergestelde geval wordt de toerekenbaarheid meer of minder verminderd naargelang de graad van schuld van de onwetendheid.)

  • 2. Ignorantia solius poenae imputabilitatem delicti non tollit, sed aliquantum minuit. (§2. De onwetendheid van de straf alleen onderdrukt de toerekenbaarheid van het misdrijf niet, maar vermindert haar enigszins.)
  • 3. Quae de ignorantia statuuntur, valent quoque de inadvertentia et errore. (§3. Wat over onwetendheid is bepaald, geldt ook voor onachtzaamheid en dwaling.)

 

11.2.2. Materiële Ketter en Sancties: Zie afdeling 4 hierboven.

 

11.2.3. Context van de Bulle:

 

De bulle beoogt de manifeste ketters, wier openbare en notorische dwaling een vrijwillige tegenstand tegen het geloof vermoedt. Zoals Bellarminus (De Romano Pontifice, lib. II, cap. 30) aantoont dat een openbare ketter, vooral een geestelijke, zijn ambt ipso facto verliest zonder formele verklaring, omdat zijn dwaling de gemeenschap met de Kerk verbreekt.

 

  1. Praktische Onderscheiding tussen Formele en Materiële Ketter

 

In de praktijk steunt de onderscheiding van een formele ketter van een materiële ketter in geval van openbare ketterij op objectieve criteria in het uitwendig forum, zonder te pretenderen de innerlijke intenties te oordelen. Hier volgen de praktische stappen, geordend om het kerkelijke proces te weerspiegelen:

 

12.1. Verificatie van de Dwaling:

 

De dwaling moet betrekking hebben op een waarheid van goddelijk en katholiek geloof die is gedefinieerd (de fide definita), zoals de goddelijkheid van Christus (Concilie van Nicea, 325) of de pauselijke onfeilbaarheid (Vaticaan I, Dei Filius, 1870, cap. 3). Een dwaling over een niet-gedefinieerde leer kan proxima haeresi of temeraria zijn, maar niet ketter in strikte zin (Tanquerey, Synopsis Theologiae Dogmaticae, dl. I). Voorbeeld: Bevestigen dat “alle godsdiensten tot het heil leiden” spreekt het dogma Extra Ecclesiam nulla salus tegen (Concilie van Florence, 1442, Denzinger, n. 802), wat een objectieve ketterij vormt.

 

12.2. Beoordeling van de Openbaarheid:

 

De dwaling is openbaar indien zij wordt geuit door woorden, geschriften of notorische daden, bekend bij een significant aantal personen. Een verborgen dwaling (bewaard in het geweten) valt niet onder het uitwendig forum en brengt geen sancties van de Kerk met zich mee (zie Prümmer, Manuale Theologiae Moralis, 1931, dl. I).

 

12.3. Canonische Vermaning:

 

Volgens het Wetboek van 1917 moet een persoon verdacht van ketterij formeel worden vermaand door de kerkelijke autoriteit (bisschop of bevoegde superior) om de hardnekkigheid vast te stellen. Twee vermaningen zijn over het algemeen vereist, tenzij de ketterij notorisch hardnekkig is (herhaald na openbare correctie). Brief van de H. Paulus aan Titus 3:10-11 (Vulgata): “Haereticum hominem post primam et secundam correptionem devita, sciens quia subversus est qui eiusmodi est, et peccat, cum sit proprio iudicio condemnatus.” Vertaling in het Nederlands: “Wat de ketterse mens betreft, na een eerste en een tweede vermaning, vermijd hem, wetende dat zulk een mens verdorven is en zondigt, daar hij door zijn eigen oordeel veroordeeld is.”

Indien de betrokkene zich na vermaning verbetert, was zijn dwaling materieel, en vermijdt hij de ipso facto sancties. Indien hij volhardt, wordt zijn ketterij formeel, wat excommunicatie en verlies van ambt ipso facto met zich meebrengt.

 

12.4. Context en Omstandigheden:

 

– Vorming: Een geestelijke (priester, bisschop) wordt vermoed de geloofswaarheden te kennen, wat onoverwinnelijke onwetendheid onwaarschijnlijk maakt. Bellarminus (op. cit., cap. 30) merkt op dat de openbare ketterij van een geestelijke bijna altijd formeel is.

– Gedrag: Een verlangen naar correctie of een geuite onwetendheid duidt op een materiële ketterij. Een hardnekkige weigering (bijvoorbeeld de dwaling herbevestigen na vermaning) stelt de hardnekkigheid vast.

– Schandaal: Indien de openbare dwaling van een materiële ketter de gelovigen verwart, kunnen disciplinaire maatregelen (ferendae sententiae), zoals een schorsing, worden opgelegd, zonder de excommunicatie te vermoeden (Billot, op. cit.).

 

12.5. Praktisch Voorbeeld:

 

Stel dat een priester openbaar predikt dat “elke godsdienst goed en heiligend is”, wat het dogma tegenspreekt dat er buiten de Kerk geen heil is. Hier volgt hoe te handelen:

– Stap 1: De dwaling identificeren. Deze stelling is objectief ketter indien zij een gedefinieerde waarheid ontkent.

– Stap 2: De openbaarheid vaststellen. Indien de preek openbaar wordt gegeven of gepubliceerd, is de dwaling openbaar.

– Stap 3: Vermaning. De bisschop vermaant de priester, legt de dwaling uit en eist een herroeping. Indien de priester zich verbetert, was zijn dwaling materieel, en blijft hij in gemeenschap. Indien hij volhardt, wordt zijn ketterij formeel, wat excommunicatie (Wetboek, canon 2314 §1) en verlies van ambt (Wetboek, canon 188 §4) met zich meebrengt.

– Stap 4: Onmiddellijke maatregelen. Indien de dwaling een schandaal veroorzaakt, kan de priester onmiddellijk worden geschorst (ferendae sententiae) om de gelovigen te beschermen, zelfs indien hij materieel is, in afwachting van de vermaning. De gelovigen moeten zulke priester vermijden om niet deel te hebben aan zijn schandaal (2 Joh. 1:10-11).

 

  1. Hedendaags Katholiek Perspectief (Sedevacantistisch)

 

In de huidige crisis worden de openbare ketterijën van Vaticaan II (bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid of het oecumenisme) als formeel beschouwd, omdat zij gedefinieerde dogma’s tegenspreken (Syllabus Errorum, Pius IX, 1864, prop. 16) en volharden ondanks de waarschuwingen van de gelovigen, priesters en vooral de bisschoppen die het geloof hebben bewaard. Volgens Cum ex apostolatus officio (§6) hebben de bezetters van de Stoel van Petrus, door deze manifeste ketterijën te belijden, hun ambt ipso facto verloren, zonder formele verklaring.

 

  1. Tegenargumenten en Verwerping

 

14.1. De bulle omvat de materiële ketterij, omdat zij spreekt van “enige ketterij” zonder onderscheiding.

 

Verwerping: De bulle beoogt de manifeste ketters (“deprehensi, confessi, vel convicti”), wat een vrijwillige tegenstand impliceert. Bellarminus (op. cit.) en Wernz-Vidal (op. cit.) bevestigen dat de ipso facto sancties gelden voor de openbare formele ketterij, niet voor de onvrijwillige materiële dwaling.

 

14.2. Zonder legitieme autoriteit na 1963 is de vermaning onmogelijk.

 

Verwerping: In de huidige crisis zijn de ketterijën van Vaticaan II notorisch hardnekkig omwille van hun openbare volharding en hun verwerping van de katholieke waarschuwingen.

 

  1. Besluit

 

Het Formulier van Hormisdas (515, Denzinger, n. 363) waarschuwt: “Nos pariter Acacium[…] anathematizamus[…] quia communionem alicuius amplexari, similem mereri sortem est.” (“Wij anathematizeren Acacius[…] want de communie van iemand (dat wil zeggen een ketter) omarmen, is een gelijk lot verdienen (in dit historische geval: de excommunicatie).”) De gelovigen moeten hen vermijden die de openbare ketterij verspreiden, overeenkomstig 2 Joh. 1:10-11, steunend op objectieve criteria in het uitwendig forum.

 

De formele ketterij is een bewust verzet tegen een dogma, bestraft met excommunicatie en terzijde stelling; de materiële ketterij is een onvrijwillige dwaling, zonder automatische sancties. De materiële ketter verliest zijn ambt “ipso facto” niet noch wordt hij “latae sententiae” geëxcommuniceerd, maar indien hij zijn dwaling openbaar verspreidt, moet hij worden gecorrigeerd of geschorst om de gelovigen te beschermen, zonder als formele ketter te worden behandeld zolang de hardnekkigheid niet is vastgesteld. In de canonieke praxis, indien er een vastgestelde openbare afvalligheid is, behandelt men de zaak in het uitwendig forum, onafhankelijk van de innerlijke psychologie.

 

Deze ontwikkeling verduidelijkt dat de materiële ketter ontsnapt aan de automatische sancties, maar onderhevig kan zijn aan disciplinaire maatregelen indien zijn dwaling openbaar wordt en het risico loopt de Kerk te schaden, in lijn met de onveranderlijke leer.

 

Een openbare ketterij brengt inderdaad ipso facto sancties (excommunicatie en verlies van ambt) met zich mee voor de manifeste formele ketter, omdat de openbaarheid de hardnekkigheid doet vermoeden (Wetboek van 1917, canon 2200 §2).

 

In de praktijk steunt de onderscheiding op:

  1. De verificatie van de dwaling (over een gedefinieerd dogma) en van haar openbaarheid.
  2. De formele vermaning om de hardnekkigheid vast te stellen.
  3. De beoordeling van de context (vorming, gedrag, schandaal).

 

In de huidige situatie zijn de manifeste ketterijën van Vaticaan II formeel, wat het ipso facto verlies van ambt voor de betrokken geestelijken met zich meebrengt, overeenkomstig Cum ex apostolatus officio. Deze leer beschermt het onveranderlijke geloof en de eenheid van de Kerk.

 

  1. Bronnen

 

– Wetboek van Canoniek Recht van 1917, canones 188 §4, 2200 §2, 2314 §1, 2316, 1325, 2314, 188, 2264, 2315, 2316, 2261.

– Paulus IV, Cum ex apostolatus officio, 15 februari 1559 (Magnum Bullarium Romanum, dl. IV, p. 354 e.v.).

– H. Thomas van Aquino, Theologische Summa, II-II, q. 11; q. 5, a. 3; q. 11, a. 3; I-II, q. 76, a. 2; II-II, q. 4, a. 1.

– Bellarminus, De Romano Pontifice, lib. II, cap. 30.

– Billot, De Ecclesia Christi, 1909, dl. I; 1927, dl. I.

– Franzelin, Theses de Ecclesia Christi, 1876; De Divina Traditione et Scriptura, Rome 1875.

– Wernz-Vidal, Ius Canonicum, 1933, dl. VII.

– Van Noort, Tractatus de Ecclesia Christi, 1920; De vera religione, cap. II.

– Tanquerey, Synopsis Theologiae Dogmaticae, dl. I; dl. III, n. 1245.

– Prümmer, Manuale Theologiae Moralis, 1931, dl. I.

– Denzinger, Enchiridion symbolorum, n. 802 (Concilie van Florence, 1442), n. 363 (Formulier van Hormisdas, 519); n. 3020; DS 3011; 2420 e.v.; 2598; 3050 e.v.

– Pius IX, Syllabus Errorum, 8 december 1864, prop. 16; prop. 80.

– Concilie van Trente, Sess. XXIV, can. 1, 1563; Sess. VI, can. 9.

– Dictionnaire de Théologie Catholique, art. Hérésie (ed. 1912).

– Pius X, Pascendi Dominici gregis, 1907.

– Cajetanus, Tractatus de Fide, 1530.

– Hurter, Compendium Theologiae Dogmaticae, 1907, dl. III.

– Theologia Wirceburgensis, 1880, dl. I.

– H. Augustinus, Contra Faustum, XX.

– Vaticaan I, Dei Filius, cap. 3-4.

– Adolphe Tanquerey, Synopsis theologiae dogmaticae, dl. I, dl. III.

– Billuart, De Virtutibus Theologicis, Dissert. V, art. 3; De Fide, diss. IV.

– Johannes van Sint-Thomas, Cursus Theologicus, dl. I; disp. 20.

– Melchior Cano, De locis theologicis, lib. XII.

– Pius X, Lamentabili Sane, 1907, prop. 25.

– Unigenitus, 1713.

– Auctorem fidei, 1794.

– Leo XIII, Officiorum ac Munerum, 1897.

– Leo XIII, Immortale Dei, 1885.

– Pesch, Praelectiones dogmaticae, I.

– Gousset, Théologie morale, I, ch. IV.

– Mgr. G. Van der Vorst, Institutiones Theologiae Fundamentalis, 1923.

– Bossuet, Defensio Declarationis Cleri Gallicani, Boek X, Hoofdstuk 7.

– H. Vincentius van Lerins, Commonitorium.

– Gratianus, Decretum, C. 24, q. 1.

– Katholieke Encyclopedie, 1913, art. Heresy; art. Semipelagianism; art. Arianism.

– Catechismus van het Concilie van Trente, over het 1ste en 2de Gebod.

– H. Alfonsus, Theologia Moralis, lib. IV.

– Van Noort, De vera religione, cap. II.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*