10 Territoriale Jurisdictie : Bij Goddelijk of Kerkelijk Recht ?

De Territoriale Jurisdictie in de Kerk:

Bij Goddelijk Recht of Materie van Kerkelijk Recht?

Het Apostolisch Model en zijn implicaties

in tijden van Leegstand van de Apostolische Stoel

 

Inhoudsopgave  

 

  1. Inleiding  
  2. De apostolische werkterreinen van de Apostelen in de eerste eeuw: afwezigheid van exclusieve territoriale afbakeningen  

   2.1 Palestina en Syrië  

   2.2 Klein-Azië  

   2.3 Griekenland en de Egeïsche regio  

   2.4 Rome en het Westen  

   2.5 Synthese van de gedeelde predikingsgebieden  

  1. Fundamentele theologische en canonische onderscheidingen voor de bisschoppelijke jurisdictie  

   3.1 Het apostolisch model als fundament  

   3.2 Onderscheid tussen macht van de orde en macht van jurisdictie  

   3.3 Pauselijke primaatschap van goddelijk recht en territoriale organisatie van kerkelijk recht  

   3.4 De huidige crisis en het beginsel van suppletie van jurisdictie  

  1. De rol van het bisschoppencollege in het bestuur van de Kerk en de herstelling van het primaatschap bij afwezigheid van kardinalen  

   4.1 Het universele karakter van de apostolische zending  

   4.2 Toepassing op de opvolgers van de Apostelen  

   4.3 Mogelijkheid van een ingrijpen van de Kerk in geval van uiterste noodzaak  

  1. Besluit  
  2. Lijst van bronnen  

 

 

 

 

  1. Inleiding

 

De apostolische prediking in de eerste eeuw heeft zich niet ontwikkeld volgens strikt omschreven en exclusieve territoria. De Twaalf en de apostel Paulus werkten vaak in dezelfde regio’s, soms gelijktijdig, soms opeenvolgend. Dit artikel biedt een historische synthese van deze overlappende apostolische werkterreinen, gebaseerd op de Heilige Schrift en de primitieve traditie van de Kerk. Het toont de eenheid en de katholieke universaliteit van de Kerk van Christus, die zich uitstrekt over de gehele bekende wereld zonder exclusieve verdeling van territoria.

 

Steunend op deze historische realiteit, onderzoekt de studie of de territoriale jurisdictie voor de bisschoppen essentieel is van goddelijk recht of veeleer een secundaire regeling van kerkelijk recht. Zij trekt daaruit consequenties voor het bestuur van de Kerk in de huidige crisis. Volgens de sedevacantistische these, gegrond op het traditionele beginsel volgens hetwelk publieke en notorische ketterij automatisch het verlies van het kerkelijk ambt meebrengt, is de Stoel van Petrus vacant sinds Paulus VI. Dit stemt overeen met de constante leer van de Kerk vóór 1962 over het verlies van het pauselijk ambt in geval van manifeste ketterij.

 

  1. De apostolische werkterreinen van de Apostelen in de eerste eeuw: afwezigheid van exclusieve territoriale afbakeningen

 

2.1 Palestina en Syrië

Jeruzalem vormt het eerste centrum van de Kerk. Petrus, Johannes en Jakobus de Mindere zijn er gevestigd volgens de Handelingen van de Apostelen, hoofdstukken 1 tot 12. Na de verstrooiing veroorzaakt door de vervolging, blijven zij het brandpunt van de apostolische activiteit.

 

Antiochië ontwikkelt zich snel als tweede centrum. Paulus en Barnabas werken er intensief volgens de Handelingen van de Apostelen, hoofdstukken 11 tot 13. Petrus is eveneens verbonden met Antiochië door de Brief aan de Galaten, hoofdstuk 2. Deze regio toont dus een duidelijke overlapping tussen meerdere apostelen, met Jeruzalem en Antiochië als knooppunten van de gemeenschappelijke prediking.

 

2.2 Klein-Azië

Klein-Azië is een van de belangrijkste gedeelde missionaire territoria. Paulus evangeliseert er uitgebreid, met name in Efeze, Galatië en Kolosse, zoals beschreven in zijn brieven en in de Handelingen. De apostel Johannes resideert in Efeze volgens een ononderbroken traditie en oefent er zijn apostolaat uit gedurende een lange periode tot aan zijn dood. Volgens bepaalde oude tradities zijn Filippus en Andreas eveneens geassocieerd met regio’s van Klein-Azië. Hier vormt zich een netwerk van overlappende apostolische aanwezigheid, vooral in de stedelijke centra.

 

2.3 Griekenland en de Egeïsche regio

Paulus predikt in Macedonië en Griekenland, met belangrijke centra zoals Filippi, Thessaloniki, Athene en Korinthe, zoals uiteengezet in de Handelingen van de Apostelen, hoofdstukken 16 tot 18.

 

De oude traditie plaatst Andreas in Achaje, in het bijzonder in Patras, waar hij het martelaarschap zou hebben ondergaan. Deze regio vormt dus een predikingsveld dat gedeeld wordt tussen Paulus en ten minste één van de Twaalf.

 

2.4 Rome en het Westen

Rome is het duidelijkste voorbeeld van een gemeenschappelijk apostolisch werkterrein. Paulus bereikt Rome en predikt er gedurende meerdere jaren, zoals beschreven in de Handelingen van de Apostelen, hoofdstuk 28. Petrus is eveneens verbonden met Rome door de unanieme traditie en wordt er vereerd als martelaar. Deze dubbele aanwezigheid geeft Rome een unieke positie als centrum van gemeenschappelijke apostolische activiteit en als zetel van het primaatschap van Petrus.

 

2.5 Synthese van de gedeelde predikingsgebieden

De voornaamste gebieden van overlapping zijn: Jeruzalem en Palestina als centrum van oorsprong; Antiochië en Syrië als missionaire kruispunten; Klein-Azië als werkterrein van meerdere apostelen; Griekenland als territorium van Paulus en Andreas; Rome als gemeenschappelijk centrum van Petrus en Paulus.

 

Deze gegevens tonen een missionair netwerk waarin samenwerking en opvolging de norm zijn, in overeenstemming met de eenheid van de apostolische zending.

 

  1. Fundamentele theologische en canonische onderscheidingen voor de bisschoppelijke jurisdictie

 

3.1 Het apostolisch model als fundament

De voorgaande historische synthese van de gemeenschappelijke apostolische werkterreinen van de Twaalf en de heilige Paulus onthult een fundamentele realiteit van de primitieve Kerk: de apostolische zending in de eerste eeuw was niet georganiseerd volgens strikt afgebakende en exclusieve territoriale jurisdicties. De Apostelen bezaten en oefenden volle pastorale autoriteit uit terwijl zij hoogmobiel bleven. Petrus verplaatste zich tussen Jeruzalem, Antiochië en uiteindelijk Rome. Paulus doorkruiste systematisch Klein-Azië, Griekenland en bereikte Rome zonder gebonden te zijn aan één enkel vast territorium. De andere apostelen, volgens de constante kerkelijke traditie vastgelegd door Eusebius van Caesarea in zijn Historia ecclesiastica en door de heilige Hieronymus in De viris illustribus, oefenden eveneens hun bediening uit over uitgestrekte regio’s zonder het moderne concept van exclusieve diocesane grenzen. Deze mobiliteit weerspiegelt het wezenlijk missionaire en universele karakter van het apostolisch mandaat gegeven door Christus in Matteüs 28, 19: Gaat dus heen en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen.

 

3.2 Onderscheid tussen macht van de orde en macht van jurisdictie

De katholieke leer onderscheidt duidelijk de macht van de orde en de macht van jurisdictie. De macht van de orde, verleend door de geldige bisschopswijding, geeft de volheid van het priesterschap en de radicale bekwaamheid om de sacramentele en pastorale handelingen uit te oefenen. De macht van jurisdictie daarentegen wordt normaal ontvangen door een legitieme canonieke missie. Het Wetboek van Canoniek Recht van 1917, canon 109, stelt met precisie: Zij die in de kerkelijke hiërarchie worden opgenomen, worden niet gekozen door de instemming of de roeping van het volk of van de wereldlijke macht; maar zij worden in de graden van de macht van de orde gesteld door de heilige wijding; in het hoogste pontificaat, door het goddelijk recht zelf, onder vervulling van de voorwaarde van een legitieme verkiezing en van haar aanvaarding; in de andere graden van jurisdictie, door de canonieke missie. Het Concilie van Trente, sessie XXIII, De reformatione, hoofdstuk 4, leert dat de bisschoppen door de Heilige Geest zijn ingesteld om de Kerk te besturen als opvolgers van de Apostelen, zonder evenwel aan de wijding alleen de effectieve uitoefening van de universele jurisdictie toe te schrijven.

 

3.3 Pauselijke primaatschap van goddelijk recht en territoriale organisatie van kerkelijk recht

Het primaatschap van de Romeinse Pontifex en zijn opvolgers is van goddelijke instelling, zoals plechtig gedefinieerd door het Eerste Vaticaans Concilie in Pastor aeternus, hoofdstukken 1 en 3. De Romeinse Pontifex bezit een vol, hoogste, onmiddellijke en gewone universele macht over de gehele Kerk. Hij kan derhalve territoria toewijzen aan bisschoppen en hun uitoefening van de jurisdictie regelen voor het algemeen welzijn. Dit administratieve handelen blijft evenwel een uitoefening van kerkelijk bestuur. De precieze territoriale afbakening van de bisschoppelijke zetels, de toewijzing van specifieke delen van het volk van God aan individuele bisschoppen met uitsluiting van de anderen, en de gedetailleerde organisatie van de diocesane structuren zijn zaken van kerkelijk recht. Deze dienen de goede orde van de Kerk maar zijn geen onveranderlijke goddelijke voorschriften. Het apostolisch tijdperk zelf dient als eerste historisch getuige dat strikte territoriale jurisdictie niet van goddelijk recht is. Bovendien toont de geschiedenis dat pausen duizenden bisdommen hebben opgericht, gewijzigd, samengevoegd, verdeeld of opgeheven, wat onmogelijk zou zijn indien de territoriale grenzen van goddelijk recht waren.

 

3.4 De huidige crisis en het beginsel van suppletie van jurisdictie

Volgens de sedevacantistische these is de Stoel van Petrus vacant sinds de publieke en notorische ketterij van Paulus VI in 1964. In deze langdurige staat van vacature zijn de gewone mechanismen voor de toekenning van territoriale jurisdictie onderbroken. De kerkelijke wetten, zijnde positief menselijk recht in de Kerk, kunnen door de Kerk zelf worden gesuppleerd in geval van noodzaak volgens het beginsel ecclesia supplet (vgl. canon 209 van het Wetboek van 1917 voor de jurisdictie van het externe en interne forum in bepaalde gevallen, uitgebreid bij analogie tot het welzijn van de zielen in een buitengewone situatie). Elke geldig gewijde bisschop, die de volheid van het sacrament van de orde heeft ontvangen, bezit de radicale bekwaamheid om de bisschoppelijke jurisdictie te ontvangen en uit te oefenen. Bij afwezigheid van een regerende paus die territoria kan toewijzen, moet elke bisschop, in geweten en geleid door de noden van de zielen, het veld bepalen waarin hij zijn apostolische activiteit zal uitoefenen, zonder dat deze vrijheid tot anarchie leidt, want de Kerk wordt bestuurd door de Heilige Geest zoals gezegd wordt in de Handelingen van de Apostelen 20, 28 en Johannes 16, 13. De beloften van Onze Heer blijven van kracht: Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld in Matteüs 28, 20, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen in Matteüs 16, 18. Het dogma van de onfeilbaarheid van de Kerk waarborgt dat, zelfs bij afwezigheid van een zichtbaar hoofd, de Kerk blijft bestaan en handelen overeenkomstig haar goddelijke constitutie.

 

  1. De rol van het bisschoppencollege in het bestuur van de Kerk en de herstelling van het primaatschap bij afwezigheid van kardinalen

 

4.1 Het universele karakter van de apostolische zending

De Apostelen zelf, van wie de bisschoppen opvolgers zijn wat het bisschoppelijk ambt betreft maar niet wat de buitengewone apostolische voorrechten betreft, bezaten en oefenden een volle en universele pastorale autoriteit uit over de gehele Kerk van Christus zonder enige beperking tot een bepaald territorium. Dit blijkt uit de historische synthese in hoofdstuk 2 en uit de aard zelf van het apostolisch mandaat: Gaat dus heen en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen (Matteüs 28, 19). Hun autoriteit strekte zich uit tot het gehele lichaam van de gelovigen overal waar het Evangelie werd gepredikt. De Handelingen van de Apostelen en de brieven van de heilige Paulus bevestigen deze universele reikwijdte: de Twaalf en de heilige Paulus verplaatsten zich vrij, predikten gezamenlijk en oefenden een hoogste pastorale macht uit op elke plaats die zij bezochten, steeds in eenheid met het ene zichtbare hoofd, de heilige Petrus.

 

4.2 Toepassing op de opvolgers van de Apostelen

Wat waar was voor de Apostelen wat de radicale bekwaamheid betreft, moet, door de aard zelf van het bisschoppelijk ambt, ook gelden voor hun opvolgers. De territoriale beperking behoort niet tot het wezen van het episcopaat maar valt onder kerkelijk recht; het is een daad van pauselijk bestuur die de aanwezigheid van een regerende pontifex veronderstelt. Klassieke canonisten bevestigen dat de concrete bepaling van het diocesane territorium toebehoort aan het kerkelijk gezag. Wernz-Vidal in Ius Canonicum (Rome, 1938) en Coronata in Institutiones Iuris Canonici (Turijn, Marietti, 1947) leren dit expliciet. Eeuwenlang hebben apostolische vicarissen en missionaris-bisschoppen hun bediening uitgeoefend zonder vast territoriaal bisdom, wat bewijst dat het episcopaat intrinsiek geen stabiele omgrenzing vereist. Bij afwezigheid van zo’n pontifex laat het beginsel van suppletie van jurisdictie voor het heil van de zielen de bisschoppen toe hun apostolische bediening voort te zetten volgens de concrete noden van de zielen en onder de leiding van de Heilige Geest. Het Concilie van Trente leert dat de bisschoppen de opvolgers van de Apostelen zijn en door de Heilige Geest zijn geplaatst om de Kerk te besturen (sessie XXIII, De reformatione, hoofdstuk 4), terwijl het Eerste Vaticaans Concilie definieert dat het primaatschap alleen de bron is van de hoogste en universele macht die de uitoefening van de bisschoppelijke jurisdictie kan beperken of leiden (Pastor aeternus, hoofdstukken 1 en 3).

 

4.3 Mogelijkheid van een ingrijpen van de Kerk in geval van uiterste noodzaak

Het gewone recht tot verkiezing van de Romeinse Pontifex behoort aan het college van kardinalen krachtens positief kerkelijk recht, zoals vastgelegd door de Constitutie Ubi periculum van het Tweede Concilie van Lyon in 1274. In geval van langdurige vacature en totale onmogelijkheid voor de kardinalen om te handelen, hebben bepaalde klassieke theologen, zoals kardinaal Thomas de Vio Cajetanus in zijn verhandeling De comparatione auctoritatis Papae et Concilii (Rome, 1511, met name de hoofdstukken over het buitengewoon beroep), overwogen dat dit recht bij uitzondering en op suppléerende wijze zou kunnen terugkeren naar de universele Kerk zelf, vaak begrepen als een onvolmaakt algemeen concilie of een representatieve bisschoppenvergadering. Dit is geen nieuwigheid maar een buitengewoon beroep op het beginsel volgens hetwelk de Kerk in tijden van uiterste noodzaak suppleert wat nodig is voor haar eigen eenheid en voor de herstelling van het zichtbare hoofd. De onfeilbaarheid van de Kerk en de bijstand van de Heilige Geest waarborgen dat een dergelijke actie, ondernomen voor het heil van de zielen en de herstelling van het primaatschap, in overeenstemming blijft met de goddelijke wil.

 

  1. Besluit

 

De precieze territoriale jurisdictie is niet essentieel van goddelijk recht. Zij is een nuttige maar secundaire regeling van kerkelijk recht die in tijden van noodzaak kan worden gesuppleerd of geschorst, zoals het apostolisch tijdperk zelf aantoont, versterkt door de leer van de canonisten en de geschiedenis van de missionaris-bisschoppen. In de huidige crisis van de vacature van de Stoel sinds 1964 keert de Kerk in de praktijk terug naar het oorspronkelijke missionaire model van de Apostelen, waarin de geldig gewijde bisschoppen hun bediening uitoefenen volgens de noden van de zielen en onder de leiding van de Heilige Geest, in afwachting van de providentiele herstelling van het zichtbare hoofd van de Kerk. Dit onderscheid tussen goddelijk recht en kerkelijk recht, samen met het beginsel van suppletie, stelt de Kerk in staat haar zending voort te zetten zonder haar goddelijke constitutie in gevaar te brengen.

 

  1. Lijst van bronnen

 

Heilige Schrift

Novum testamentum Graece, Nestle-Aland, Stuttgart, Deutsche Bibelgesellschaft, 2012, Grieks.

Biblia sacra Vulgata, Weber-Gryson, Stuttgart, Deutsche Bibelgesellschaft, 2007, Latijn.

 

Vaders van de Kerk

Eusebius van Caesarea, Historia ecclesiastica, Leipzig, Hinrichs, 1903–1909, Grieks.

Hieronymus, De viris illustribus, Parijs, Migne, 1845, Latijn.

 

Conciliaire documenten

Eerste Vaticaans Concilie, Pastor aeternus, 1870 (vgl. Denzinger-Schönmetzer, nrs. rond 3050-3075).

Concilie van Trente, sessie XXIII, De reformatione, hoofdstuk 4, 1563.

 

Canoniek recht

Wetboek van Canoniek Recht, 1917, canon 109.

 

Theologen en canonisten

Kardinaal Thomas de Vio Cajetanus, De comparatione auctoritatis Papae et Concilii, Rome, 1511.

Wernz-Vidal, Ius Canonicum, Rome, 1938.

Coronata, Institutiones Iuris Canonici, Turijn, Marietti, 1947.

Sint Robertus Bellarminus, De Romano Pontifice, boek IV, Ingolstadt, 1586.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*