12 Jurisdictie van de Hogere Religieuze Oversten

De Jurisdictie van de Hogere Religieuze Oversten tijdens een langdurige vacature van de Apostolische Stoel

Canones 198 en 81 van het Codex Iuris Canonici van 1917 toegepast op de traditionele katholieke gemeenschappen

 

Inhoudsopgave

 

  1. Inleiding
  2. De notie van «Ordinarius» volgens canon 198
  3. De hogere religieuze oversten als ordinarii pro suis subditis
  4. Canon 81 en de buitengewone macht van dispensatie
  5. Het onderricht van de klassieke canonisten
  6. Toepassing op de traditionele katholieke gemeenschappen
  7. Beperkingen van de bevoegdheden van de hogere oversten
  8. De betekenis van dit onderricht tijdens een langdurige kerkelijke crisis
  9. Besluit
  10. Bronnen

 

 

 

  1. Inleiding

 

Sinds de grote kerkelijke crisis van de twintigste eeuw bevinden talrijke traditionele katholieke priesters en gelovigen zich in een uitzonderlijke situatie. In uitgestrekte gebieden van de wereld ontbreken de territoriale ordinarii die het katholieke geloof, de sacramenten en de traditionele discipline volledig bewaren.

 

In deze omstandigheden zijn verschillende traditionele gemeenschappen ontstaan die trachten het katholieke leven voort te zetten. Men denkt met name aan de Congregation of Mary Immaculate Queen (CMRI), aan de Society of Saint Pius V (SSPV), aan het Istituto Mater Boni Consilii (IMBC), aan de religieuze instituten gesticht door Mgr. Vezelis, evenals aan andere congregaties en traditionele gemeenschappen die functioneren onder de autoriteit van hogere religieuze oversten.

 

Hieruit rijst een fundamentele canonieke vraag op:

 

Welke jurisdictie bezitten de oversten van dergelijke gemeenschappen?

Zijn zij louter administrateurs?

Beschikken zij over een echte ordinairiale jurisdictie?

Kunnen zij, in bepaalde omstandigheden, dispenseren van de algemene kerkelijke wetten?

En hoever reikt hun autoriteit wanneer de katholieke territoriale ordinarii ontbreken of onbereikbaar zijn?

 

Het antwoord op deze vragen vereist het onderzoek van canon 198 en canon 81 van het Codex Iuris Canonici van 1917.

 

  1. De notie van «Ordinarius» volgens canon 198

 

Canon 198 §1 bepaalt:

 

«Nomine Ordinarii venit, praeter Romanum Pontificem, Episcopus residentialis, Abbas vel Praelatus nullius, Vicarius Generalis, Administrator, Vicarius et Praefectus Apostolicus, itemque ii qui, praedictis deficientibus, interim ex iuris praescripto vel probatis statutis eorum locum tenent in regimine ; pro suis vero subditis, Superiores maiores in religionibus clericalibus exemptis.»

 

Vertaling:

«Onder de naam ordinarius verstaat men, naast de Romeinse Pontifex, de residentiële bisschop, de abt of de prelaat nullius, de generale vicaris, de administrator, de vicaris en de apostolische prefect, alsook zij die, bij gebrek aan de voorgaanden, tijdelijk hun plaats innemen in het bestuur volgens het recht of de goedgekeurde statuten; en, ten aanzien van hun eigen onderdanen, de hogere oversten in de clerikale geëxempte religies.»

 

De wetgever erkent dus uitdrukkelijk dat de hogere oversten van de clerikale geëxempte religies werkelijk ordinarii zijn.

Hun macht is niet louter gedelegeerd.

Zij bezitten een ordinairiale jurisdictie die aan hun ambt is verbonden.

 

Dit punt is van fundamenteel belang omdat canon 198 hen niet beschouwt als eenvoudige vertegenwoordigers van een bisschop of van Rome, maar als houders van een eigen ordinair macht.

 

  1. De hogere religieuze oversten als ordinarii pro suis subditis

 

Dezelfde canon bevat evenwel een wezenlijke beperking.

De hogere overste is ordinarius:

«pro suis subditis»

dat wil zeggen:

«voor zijn eigen onderdanen.»

 

Zijn jurisdictie is dus persoonlijk. Zij is niet territoriaal.

 

Dit wordt bevestigd door canon 198 §2:

«Nomine autem Ordinarii loci vel loci Ordinarii venit omnis Ordinarius praeter Superiores religiosos.»

 

Vertaling:

«Onder de naam ordinarius loci of ordinarius van de plaats verstaat men elke ordinarius behalve de religieuze oversten.»

 

De hogere overste is dus werkelijk ordinarius, maar hij is geen ordinarius loci. Zijn macht strekt zich uit over personen, niet over een grondgebied.

 

Wernz en Vidal schrijven:

«Superiores maiores religionum clericalium exemptarum sunt Ordinarii tantum respectu propriorum subditorum.»

 

Vertaling:

«De hogere oversten van de clerikale geëxempte religies zijn ordinarii slechts ten aanzien van hun eigen onderdanen.»

 

Hun jurisdictie is derhalve reëel en ordinair, maar intern en persoonlijk.

 

  1. Canon 81 en de buitengewone macht van dispensatie

 

Canon 81 bepaalt:

«Ordinarii infra Romanum Pontificem nequeunt a legibus generalibus Ecclesiae dispensare, etiam in casu particulari, nisi haec potestas eis explicite vel implicite concessa fuerit, aut nisi difficilis sit recursus ad Sanctam Sedem et simul in mora sit periculum gravis damni, et agatur de dispensatione quam Sedes Apostolica concedere solet.»

 

Vertaling:

«De ordinarii die onder de Romeinse Pontifex staan, kunnen niet dispenseren van de algemene wetten van de Kerk, zelfs niet in een bijzonder geval, tenzij deze macht hun uitdrukkelijk of impliciet is toegekend, of tenzij het beroep op de Heilige Stoel moeilijk is en er tegelijk bij vertraging gevaar is van ernstige schade, en het gaat om een dispensatie die de Apostolische Stoel gewoonlijk verleent.»

 

De canon stelt drie voorwaarden:

 

  1. Moeilijk beroep op de Apostolische Stoel.
  2. Gevaar van ernstige schade bij vertraging.
  3. Een dispensatie die Rome gewoonlijk verleent.

 

Van groot belang is het feit dat canon 81 spreekt over «Ordinarii infra Romanum Pontificem» en niet over «Ordinarii loci».

 

Aangezien canon 198 de hogere oversten uitdrukkelijk onder de ordinarii rekent, bestaat er een ernstig juridisch argument dat canon 81 ook op hen van toepassing is binnen de grenzen van hun eigen jurisdictie.

 

Deze interpretatie vindt bijkomende steun in de terminologie van het Wetboek zelf. Canon 81 spreekt niet over de “Ordinarii loci”, maar over de “Ordinarii infra Romanum Pontificem”. De wetgever maakt immers uitdrukkelijk onderscheid tussen deze twee begrippen in canon 198 §2: “Nomine autem Ordinarii loci vel loci Ordinarii venit omnis Ordinarius praeter Superiores religiosos.” Vertaling: “Onder de naam ordinarius loci of ordinarius van de plaats verstaat men elke ordinarius behalve de religieuze oversten.” Het Wetboek kent dus perfect het technische verschil tussen de algemene notie van “Ordinarius” en de meer beperkte notie van “Ordinarius loci”. Indien de wetgever het voordeel van canon 81 had willen beperken tot de ordinarii loci alleen, dan had het volstaan om deze precieze uitdrukking te gebruiken, die hij elders constant hanteert. Het feit dat hij de bredere term “Ordinarii” heeft gekozen, vormt dus een ernstig tekstueel argument ten gunste van de inclusie van allen die juridisch als ordinarii worden gekwalificeerd door canon 198, inclusief de hogere oversten van de clerikale geëxempte religies, binnen de grenzen van hun eigen jurisdictie.

 

Deze conclusie vloeit niet voort uit een willekeurige uitbreiding van de wettelijke tekst, maar uit een strikte toepassing van de definities die het Wetboek zelf verschaft. Zij bewijst niet op absoluut onweerlegbare wijze dat canon 81 noodzakelijk de hogere oversten viseert; zij stelt echter vast dat een dergelijke interpretatie een objectieve canonieke grondslag bezit en dat zij niet kan worden verworpen dan met behulp van voldoende bewijskrachtige positieve argumenten.

 

Een bijkomend argument vloeit voort uit de eigen finaliteit van canon 81. Deze bepaling werd ingesteld om te voorkomen dat een ernstige geestelijke schade zou voortvloeien uit de onmogelijkheid of moeilijkheid om in bijzondere situaties een beroep te doen op de Apostolische Stoel. De wetgever wilde dat in bepaalde uitzonderlijke omstandigheden de zaligheid der zielen niet in het gedrang zou komen door de praktische onmogelijkheid om tijdig een dispensatie te verkrijgen die de Heilige Stoel gewoonlijk verleent.

 

Nu oefenen de hogere oversten juist, ten aanzien van hun eigen onderdanen, een effectieve taak van bestuur en pastorale zorg uit. Deze religieuze ordinarii bij voorbaat uitsluiten van het toepassingsgebied van canon 81 zou in bepaalde gevallen neerkomen op het beroven van de onder hun autoriteit gestelde gelovigen van het juridische remedie dat deze bepaling juist wil verschaffen om ernstige geestelijke schade te voorkomen. Een dergelijke interpretatie zou het gevaar lopen de canon onwerkzaam te maken precies in de situaties waarin haar reden van bestaan het duidelijkst aan het licht treedt.

 

Zonder te pretenderen op absoluut beslissende wijze te bewijzen dat canon 81 noodzakelijk de hogere oversten viseert, versterkt deze teleologische overweging niettemin het argument dat uit de wettelijke tekst zelf is getrokken. Bij afwezigheid van een uitdrukkelijke uitsluiting door de wetgever, lijkt het meer in overeenstemming met de ratio legis om te erkennen dat de ordinarii bedoeld in canon 198, binnen de grenzen van hun eigen jurisdictie en onder de strenge voorwaarden van canon 81, kunnen genieten van de uitzonderlijke dispensatiemacht die deze bepaling verleent om ernstige schade voor de zielen af te wenden.

 

Een historische overweging bevestigt nog meer de samenhang van deze interpretatie. De hoedanigheid van ordinarius die door canon 198 wordt erkend voor de hogere oversten van de clerikale geëxempte religies vormt geen innovatie die door het Codex van 1917 werd ingevoerd. Ruim voor de codificatie erkende het canonieke recht en de constante praktijk van de Kerk deze oversten reeds een waarachtig ordinair gezag ten aanzien van hun eigen onderdanen.

 

Het Concilie van Trente zelf veronderstelt het bestaan van deze eigen jurisdictie wanneer het de rechten van bestuur van de reguliere oversten in de geëxempte instituten bevestigt (Concilium Tridentinum, sess. XXV, De regularibus et monialibus). De na-tridentijnse canonisten beschrijven eveneens de hogere oversten als uitoefenaars, binnen de door het recht gestelde grenzen, van een ordinair en niet louter gedelegeerd gezag over hun religieuzen. Zo legt Ferraris uit dat de reguliere prelaten, ten aanzien van hun onderdanen, een eigen jurisdictie bezitten die uit hun ambt voortvloeit: «Praelati regularium habent jurisdictionem ordinariam in suos subditos» (Lucius Ferraris, Prompta Bibliotheca Canonica, Juridica, Moralis, Theologica, Romae, Typographia Vaticana, editie 19de eeuw, artikel «Praelatus regularis»). Evenzo leert Schmalzgrueber dat de reguliere oversten een ordinair jurisdictie uitoefenen over hun onderdanen krachtens hun ambt, volgens de ontvangen canonieke traditie (Franciscus Schmalzgrueber S.J., Jus Ecclesiasticum Universum, lib. I, tit. De Regularibus).

 

De Codex van 1917 heeft deze juridische hoedanigheid dus niet ex nihilo geschapen; hij heeft een reeds bestaande situatie gecodificeerd en verduidelijkt, geworteld in de voorafgaande canonieke traditie. Derhalve betekent het interpreteren van de term «Ordinarii» in canon 81 als omvattend de hogere oversten bedoeld in canon 198 niet een kunstmatige uitbreiding van de wettelijke tekst voorbij haar natuurlijke zin. Een dergelijke lezing past integendeel in de continuïteit van een oude juridische traditie die deze oversten reeds een ware ordinair jurisdictie toegekende ten aanzien van hun eigen onderdanen.

 

Deze historische continuïteit bewijst op zichzelf niet dat canon 81 noodzakelijk de hogere oversten viseert; zij toont echter aan dat hun inclusie onder de «Ordinarii» waarop deze bepaling van toepassing kan zijn, in overeenstemming is met de organische ontwikkeling van het canonieke recht veeleer dan ermee in strijd.

 

  1. Het onderricht van de klassieke canonisten

 

De klassieke canonieke auteurs bevestigen het restrictieve karakter van canon 81.

 

Gasparri merkt op:

«Non requiritur impossibilitas physica, sed sufficit gravis difficultas.»

 

Vertaling:

«Men vereist geen fysieke onmogelijkheid; een ernstige moeilijkheid volstaat.»

 

Cappello schrijft:

«Potestas dispensandi ex can. 81 est extraordinaria atque ad casus vere urgentes limitata.» (klassiek commentaar van Felix M. Cappello S.J. in zijn Summa Iuris Canonici in usum scholarum concinnata, vol. I, De normis generalibus)

 

Vertaling:

«De macht tot dispenseren volgens canon 81 is buitengewoon en beperkt tot werkelijk dringende gevallen.»

 

Coronata verklaart:

«Dispensare non est legem destruere nec novam condere.»

 

Vertaling:

«Dispenseren betekent de wet niet vernietigen noch een nieuwe maken.»

 

De klassieke commentatoren beschouwen canon 81 derhalve niet als een bron van pontificaal gezag, maar als een uitzonderlijke bepaling van het recht om ernstige schade voor de zielen te voorkomen.

 

  1. Toepassing op de traditionele katholieke gemeenschappen

 

Hier blijkt de praktische relevantie van de vraag.

 

De gemeenschappen zoals:

– de CMRI;

– de SSPV;

– het IMBC;

– de religieuze instituten gesticht door Mgr. Vezelis;

– en andere vergelijkbare traditionele congregaties;

 

worden in de praktijk bestuurd door hogere oversten.

 

Indien deze oversten juridisch kunnen worden gelijkgesteld met de hogere oversten van de clerikale geëxempte religies bedoeld in canon 198, dan volgt daaruit dat zij ordinarii zijn voor hun onderdanen. Het hier gepresenteerde redenering verloopt via juridische analogie, gebaseerd op de continuïteit van het nagestreefde doel en de interne hiërarchische structuur; zij pretendeert geen strikte canonieke identiteit.

 

Maar in dat geval bestaat er een ernstig juridisch argument dat zij, onder de voorwaarden van canon 81, gebruik kunnen maken van de voorziene dispensatiemacht.

 

Hun autoriteit zou zich dan in het bijzonder kunnen uitstrekken tot:

– de interne discipline;

– de religieuze gehoorzaamheid;

– de vorming van de kandidaten;

– de benoeming voor interne functies;

– het bestuur van de gemeenschap;

– en bepaalde dispensaties die noodzakelijk zijn om ernstige geestelijke schade te voorkomen.

 

Het dient evenwel erkend te worden dat de formele toepassing van canon 198 op bepaalde moderne traditionele gemeenschappen een afzonderlijke juridische studie vereist. Canon 198 spreekt immers letterlijk over clerikale geëxempte religies in de klassieke zin van de Codex. Dit punt blijft derhalve voor discussie vatbaar.

 

  1. Beperkingen van de bevoegdheden van de hogere oversten

 

Zelfs indien men aanneemt dat canon 198 en canon 81 toepasselijk zijn, blijven belangrijke beperkingen bestaan.

 

Hun macht strekt zich niet uit tot:

– de territoriale jurisdictie;

– het universele bestuur van de Kerk;

– de oprichting van bisdommen;

– de wetgeving voor de gehele Kerk;

– de constitutieve pontificale handelingen;

– de dispensatie van het goddelijke recht;

– de wijziging van de substantie van de sacramenten;

– de dispensaties die Rome niet gewoonlijk verleent.

 

De hogere overste blijft de ordinarius van zijn onderdanen. Hij wordt daardoor noch paus, noch patriarch, noch diocesane bisschop voor de gehele Kerk.

 

  1. De betekenis van dit onderricht tijdens een langdurige kerkelijke crisis

 

De huidige crisis stelt evenwel een bijkomende vraag.

 

Wat te doen indien de moeilijkheid van het beroep op de Apostolische Stoel niet tijdelijk maar langdurig is?

 

Het antwoord ligt niet uitsluitend in canon 81. Andere canonieke principes komen dan eveneens in aanmerking:

– het salus animarum;

– de epikie;

– de suplentie van jurisdictie;

– de rechten en plichten die voortvloeien uit het algemeen welzijn van de Kerk;

– de onfeilbaarheid (indefectibiliteit) van de Kerk.

 

Deze principes behoren tot een afzonderlijke juridische studie. Zij kunnen niet eenvoudigweg met canon 81 worden vereenzelvigd.

 

Zij tonen evenwel aan dat de Kerk nooit kan worden beschouwd als haar vermogen te hebben verloren om aan de gelovigen de nodige middelen van zaligheid te verschaffen.

 

  1. Besluit

 

Canon 198 van de Codex van 1917 erkent uitdrukkelijk de hogere oversten van de clerikale geëxempte religies als ordinarii voor hun eigen onderdanen.

 

Canon 81 verleent, in uitzonderlijke omstandigheden, een beperkte dispensatiemacht aan de ordinarii wanneer het beroep op de Apostolische Stoel moeilijk is, de vertraging ernstige schade veroorzaakt en het gaat om dispensaties die Rome gewoonlijk verleent.

 

Aangezien canon 81 spreekt over «Ordinarii» en niet over «Ordinarii loci», bestaat er een ernstig canonieke argument dat de hogere religieuze oversten ook onder deze bepaling vallen binnen hun eigen rechtsfeer.

 

Toegepast op de traditionele katholieke gemeenschappen zoals de CMRI, de SSPV, het IMBC, de door Mgr. Vezelis gestichte instituten en soortgelijke organismen, zou dit betekenen dat hun hogere oversten, onder voorbehoud van de hierboven uiteengezette juridische assimilatie, beschikken over een reële maar beperkte ordinairiale jurisdictie ten aanzien van hun onderdanen.

 

Deze macht blijft evenwel persoonlijk, intern en strikt begrensd. Zij verleent geen universeel kerkelijk bestuur noch enig pontificaal gezag.

 

Voor uitgebreidere machten die eventueel noodzakelijk zouden kunnen zijn tijdens een langdurige kerkelijke crisis, dienen andere canonieke principes te worden onderzocht.

 

  1. Bronnen

 

Codex Iuris Canonici, Romae, Typis Polyglottis Vaticanis, 1917.

Pietro Gasparri, Tractatus Canonicus de Matrimonio, Romae, Typis Polyglottis Vaticanis, 1932.

Franz Xavier Wernz – Pedro Vidal, Ius Canonicum, tomus II, Romae, Apud Aedes Universitatis Gregorianae, 1928.

Arthur Vermeersch – Joseph Creusen, Epitome Iuris Canonici, tomus I, Mechliniae–Romae, H. Dessain, 1937.

Felix Cappello S.J., Summa Iuris Canonici, vol. I, Romae, Apud Aedes Universitatis Gregorianae, 1933.

Matteo Coronata O.F.M. Cap., Institutiones Iuris Canonici, vol. I, Taurini, Marietti, 1947.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*