Vaticaan II
Lijst van Ketterijen en Dwalingen
Inleiding
- De theologische noten of kwalificaties van de Kerk
- Lijst van ketterijen van Vaticanum II
2.1. Het burgerlijk recht op «godsdienstvrijheid»
2.2. «De Openbaring is voltooid aan het Kruis»
2.3. De ketterse en schismatieke sekten zijn «middelen van heil»
2.4. «Het openbaar gemeenschappelijk gebed met ketters en schismatici is nuttig en
lovenswaardig»
2.5. De Joden worden in de Schrift niet voorgesteld als verworpen of vervloekt
2.6. De Kerk heeft een hoge achting voor de leerstellingen die van de hare
verschillen
2.7. «De theologische bijeenkomsten en discussies op voet van gelijkheid tussen
katholieken en niet-katholieken zijn lovenswaardig»
2.8. «De Kerk heeft de hulp van de ongelovigen nodig»
2.9. Katholieke missionarissen zouden moeten samenwerken met de
«missionarissen» die ketters zijn
2.10. «De gebreken in de formulering van de leer van de Kerk dienen te worden
gecorrigeerd»
2.11. Andere ketterijen van Vaticanum II en een ketterij in het «proper» van Goede
Vrijdag van de Novus Ordo-«mis»
- Tweede systematische lijst van dwalingen van Vaticanum II
1. Ecclesiologie (Leer over de Kerk)
1.1. Subsistentie van de Kerk van Christus in de Katholieke Kerk (niet-exclusief)
1.2. Bisschoppelijke collegialiteit en gerelativeerde pauselijke primaatschap
1.3. Volk van God als actief subject van de Traditie
1.4. Kerk als sacrament van de menselijke eenheid (niet-exclusief voor niet-
katholieken)
2. Antropologie en Soteriologie (Leer over de Mens en de Verlossing)
2.1. Absolute menselijke waardigheid, onafhankelijk van de erfzonde
2.2. Progressieve en niet-instantane rechtvaardiging
2.3. De mens als middelpunt en hoogtepunt van de schepping
2.4. Geboortebeperking als mogelijke deugd
3. Oecumenisme en Interreligieuze Betrekkingen
– Moslims als aanbidder van de ware God
4. Godsdienstvrijheid
– Neutraliteit van de Staat in godsdienstzaken
5. Liturgie en Sacramenten
5.1. Volkstalen met voorrang in de Mis
5.2. Actieve deelname van de gelovigen als wezen van de liturgie
5.3. Novus Ordo als protestantse opvatting van de Mis
6. Sociale en Pastorale Vragen
6.1. Socialisme en communisme niet veroordeeld
6.2. Evolutieleer en modernisme
- Besluit: Het Conciliábulum van Vaticanum II is zeker meervoudig ketters.
Inleiding
Het Concilie Vaticanum II (1962-1965), bijeengeroepen door Johannes XXIII en gesloten door Paulus VI, wordt vaak voorgesteld als een pastoraal concilie dat de Kerk wilde aanpassen aan de moderne wereld (aggiornamento). Nochtans hebben vele traditionele theologen en critici, geïnspireerd door analyses zoals die van Mgr. Marcel Lefebvre, Romano Amerio of Arnaldo Xavier da Silveira, reeds van bij het begin, zelfs tijdens het concilie zelf, dubbelzinnigheden, tegenstrijdigheden en potentiële leerstellige dwalingen in de teksten ervan vastgesteld.
Deze dwalingen worden beschouwd als afwijkingen van de traditionele magisteriële leer, vaak gekwalificeerd als ketterijen of dwalende stellingen.
Dit document presenteert een lijst van de meest significante tegenstrijdigheden met de katholieke leer, gekwalificeerd als ketters, die wij hebben geïdentificeerd in de documenten van Vaticanum II, telkens vergezeld van een samenvatting van de bewijzen die aantonen dat de leer werkelijk ketters is.
De definitie van ketterij, volgens het Wetboek van Canoniek Recht van 1917 (canon 1325 §2), luidt:
«Haereticus est qui post baptismum receptum, nomen retinens christianum, pertinaciter aliquam veritatem de fide divina et catholica credendam denegat aut de ea dubitat.»
(Vertaling: «Ketter is hij die, na het ontvangen van het doopsel, terwijl hij de naam van christen behoudt, met hardnekkigheid een waarheid van goddelijk en katholiek geloof die geloofd moet worden, ontkent of eraan twijfelt.»)
Wij passen deze definitie toe op de dwalingen van Vaticanum II, volgens drie stappen: (1) bewijzen dat de dwalende stelling uit Vaticanum II en zijn (anti-)pausen komt, (2) aantonen dat zij een waarheid van de Openbaring tegenspreekt, (3) bewijzen dat deze waarheid als dogma door het onfeilbare Magisterium is gedefinieerd. Indien deze stappen vervuld zijn, is bewezen dat Vaticanum II ketters is.
Wij vermoeden dat een aandachtige lectuur van de documenten van Vaticanum II nog vele andere ketterijen zou onthullen, maar wij achten dat de hieronder opgesomde de bekendste en meest flagrante zijn.
- De theologische noten of kwalificaties van de Kerk
Voordat wij met de lijst beginnen, kan het nuttig zijn de verschillende theologische noten of kwalificaties te herinneren die de Kerk toekent aan de leerstellingen die zij op een of andere manier de hare heeft gemaakt, alsook de bijbehorende noten van theologische censuur of veroordeling die toegepast worden op de tegenstrijdige stellingen.
In deze lijst behandelen wij uitsluitend de «ketterijen» in strikte zin en niet de andere «dwalingen», omdat alleen ketterijen alle ambt en jurisdictie doen verliezen (zie Paus Paulus IV, Apostolische Bul «Cum ex apostolatus officio», van 15 februari 1559).
- Lijst van ketterijen van Vaticanum II
2.1. Het burgerlijk recht op «godsdienstvrijheid»
«Het Concilie verklaart bovendien dat het recht op godsdienstvrijheid zijn grondslag heeft in de waardigheid zelf van de menselijke persoon… Dit recht op godsdienstvrijheid moet erkend worden in het grondwettelijk recht waardoor de samenleving bestuurd wordt. Het moet aldus een burgerlijk recht worden.» (Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis Humanae, paragraaf 2)
Bovendien hebben de «pausen» van Vaticanum II maatregelen genomen opdat, in de landen waar deze vrijheid nog geen «burgerlijk recht» was, zij het wel zou worden. Zo werden de katholieke grondwetten van Spanje en Colombia op uitdrukkelijk bevel van het Vaticaan opgeheven, en werden de wetten van deze landen gewijzigd om de openbare beoefening van niet-katholieke godsdiensten toe te laten. En, als om zo duidelijk mogelijk de pogingen van bepaalde misleide «conservatieve» leden van de conciliaire sekte te weerleggen om deze tekst op een onwaarschijnlijke manier uit te leggen, heeft Karol Wojtyla nooit een gelegenheid gemist om zijn eigen interpretatie —ongetwijfeld de juiste— van de intentie van het Concilie in te prenten. Bijvoorbeeld, in februari 1993, in de overwegend heidense Afrikaanse Republiek Benin, verklaarde hij dat «de Kerk de godsdienstvrijheid beschouwt als een onvervreemdbaar recht…».
De juiste leer, die vaak door de pausen herhaald werd, wordt op een bijzonder gezaghebbende wijze uiteengezet in het volgende fragment uit de encycliek Quanta Cura (8 december 1864) van Pius IX:
«§5. En uit dit totaal valse idee van de sociale organisatie aarzelen zij niet deze dwalende mening te bevorderen, bijzonder noodlottig voor de katholieke Kerk en voor het heil der zielen, door onze voorganger Gregorius XVI als waanzin gekwalificeerd, namelijk dat de vrijheid van geweten en van eredienst het eigen recht is van elke mens, en door de wet moet worden afgekondigd in elke correct ingerichte samenleving… Alle en elk van de afzonderlijk in deze brief genoemde leerstellingen, door Ons apostolisch gezag, verwerpen, verbieden en veroordelen Wij; en Wij willen en bevelen dat zij door alle zonen van de Kerk als absoluut verworpen worden beschouwd.»
Pius IX dacht dus duidelijk dat de «waanzin» waarover hij sprak ketters was, omdat hij stelt dat zij de goddelijke Openbaring tegenspreekt. Bovendien was dit begrip van godsdienstvrijheid reeds uitdrukkelijk veroordeeld door Pius VII in zijn apostolische brief «Post Tam Diuturnas», zodat er geen twijfel over bestaat.
Kortom, het burgerlijk recht op absolute godsdienstvrijheid van Dignitatis Humanae §2 dat «Elke mens heeft recht op godsdienstvrijheid, zonder dwang», bevestigt een natuurlijk recht op godsdienstig dwalen, in strijd met de plicht van de Staat om de ware godsdienst te bevorderen. Het staat tegenover Pius IX, «Quanta Cura» (1864): «De vrijheid van erediensten is een dwaling» (DS 2890) en tegenover Gregorius XVI, Mirari Vos (1832): «Vrijheid van geweten is een delirium.»
Pius VII, Post Tam Diuturnas (1824), veroordeelt deze «vrijheid» reeds als in strijd met de goddelijke orde. De Staat is niet neutraal: hij moet alle dingen onderwerpen aan Christus de Koning (Quas Primas, Pius XI, 1925). DH ontkent de sociale koningschap van Christus.
Theologische censuur: KETTERS.
2.2. «De Openbaring is voltooid aan het Kruis»
«…Door op het kruis het werk van de verlossing te voltooien dat de mensen het heil en de ware vrijheid moest verschaffen, heeft Hij Zijn openbaring voltooid» (Dignitatis Humanae, paragraaf 11).
Dit spreekt de traditionele en definitieve katholieke leer tegen volgens welke vele waarheden door de Kerk als door God geopenbaard voorgesteld, nog niet door Onze Heer vóór Zijn Verrijzenis waren geopenbaard, maar vóór de dood van de laatste apostel (Sint Jan).
Bijvoorbeeld, het Concilie van Trente (Zitting 6, hoofdstuk 14) heeft geleerd dat «Jezus Christus het sacrament van de Boetvaardigheid heeft ingesteld toen Hij zei: “Ontvangt de Heilige Geest; aan wie gij de zonden vergeeft, hun zullen zij vergeven zijn, en aan wie gij ze weerhoudt, hun zullen zij weerhouden zijn.”» Deze woorden werden door Onze Heer (Joh. 20:23) uitgesproken op de avond van Paaszondag, meer dan twee volle dagen na Zijn Kruisiging. En natuurlijk biedt de katholieke traditie niet de minste reden om te geloven dat Onze Heer vóór de Kruisiging Zijn intentie om dit sacrament in te stellen had geopenbaard; beweren dat Hij dat gedaan heeft zou dus een nieuw dogma uitvinden dat nooit in de Kerk gehoord is. En zelfs dan blijft het bezwaar dat vragen zoals de precieze identiteit van de bedienaren van het sacrament niet vóór de Passie geopenbaard konden zijn, aangezien de afval van Judas door Onze Heer geheim werd gehouden tot zij plaatsgreep.
De lijst van dogmas die door Onze Heer na Zijn Kruisiging geopenbaard werden, omvat de vorm van het sacrament van het Doopsel, de instelling van het sacrament van de Boetvaardigheid, de uitbreiding van het mandaat van de Apostelen om aan de hele wereld te prediken, de afschaffing van de vaderlandse godsdiensten als middelen van heil, de inwerkingtreding van de primaatschap en onfeilbaarheid die aan Sint Petrus beloofd waren, en natuurlijk de Verrijzenis van Onze Heer zelf. Deze laatste had Hij natuurlijk lang tevoren geprofeteerd; maar het is als historisch feit dat wij er vandaag in moeten geloven, en haar historische verwezenlijking is pas op de ochtend van Pasen geopenbaard, toen zij plaatsvond en door de engelen aan de heilige vrouwen werd aangekondigd.
Zo ontkent de leer van Vaticanum II over dit onderwerp de goddelijke openbaring van een deel van het katholieke geloof en van het katholieke sacramentele stelsel, door zelfs de hoeksteen van het christendom tot de status van niet-essentieel en niet-geopenbaard te herleiden, over welke Sint Paulus schreef: «Indien Christus niet verrezen is, is uw geloof ijdel» (1 Kor. 15:17). Maar natuurlijk, indien Onze Heer Zijn keuze van Sint Paulus als Apostel niet geopenbaard heeft (een feit dat waarschijnlijk meer dan een jaar na de Kruisiging plaatsvond), is het niet verwonderlijk dat de conciliaire sekte zijn leer negeert!
Tenslotte merken wij op dat, bij het veroordelen van de leer van hen die beweren dat er sinds het apostolisch tijdperk nieuwe openbaringen aan het deposito van het Geloof zijn toegevoegd, de Kerk gewoon is te leren dat, zoals hierboven vermeld, het sluitingspunt, waarna geen andere openbaring meer gemaakt is, de dood van de laatste Apostel is (Sint Pius X, Decreet Lamentabili Sane van 3 juli 1907, Stelling 21). Het is duidelijk dat de Kerk niet zo’n late datum als sluitingspunt van de Openbaring zou hebben gekozen indien deze al veel vroeger gesloten was, namelijk op het ogenblik van de Kruisiging.
Terloops hebben wij zien argumenteren dat het Latijnse woord «perficere», dat in de oorspronkelijke tekst van Dignitatis Humanae hierboven geciteerd voorkomt, «volmaken» betekent eerder dan «voltooien». Zelfs indien dat zo was, zien wij niet hoe dit de tegenpartij zou helpen, want de goddelijke Openbaring zou nauwelijks volmaakt kunnen worden geacht zonder de Verrijzenis en al de rest — de Apostelen dachten zeker dat de Verrijzenis het waard was gekend te worden, en, terugdenkend aan hun gemoedstoestand op Goede Vrijdag en Stille Zaterdag, zouden zij ongetwijfeld gelachen hebben om het idee dat de Openbaring zonder haar volmaakt was. Maar hoe dan ook, «perficere» betekent normaal niet «volmaken». Haar natuurlijke betekenis is «voltooien» of «tot voleinding brengen»; en zelfs wanneer de secundaire betekenis «volmaken» mogelijk is, is het altijd in de zin van volmaken door voltooiing.
Kortom, de Openbaring is voltooid met de dood van de laatste Apostel; de post-kruisigingsdaden maken er deel van uit, dus:
Theologische censuur: KETTERS.
2.3. De ketterse en schismatieke sekten zijn «middelen van heil»
«De gescheiden Kerken en gemeenschappen als dusdanig, hoewel wij geloven dat zij aan de reeds vermelde gebreken lijden, zijn geenszins verstoken van betekenis en belang in het mysterie van het heil. Want de Geest van Christus heeft niet geaarzeld hen als middelen van heil te gebruiken, waarvan de doeltreffendheid voortvloeit uit de volheid zelf van de genade en waarheid die aan de katholieke Kerk toevertrouwd is.» (Decreet over het oecumenisme Unitatis Redintegratio, paragraaf 3)
Dit spreekt een leerstelling tegen die misschien vaker dan enige andere door de Kerk herhaald is en die onbetwistbaar door God geopenbaard is. Eén enkel voorbeeld van de magisteriële leer van de ware leer volstaat, en wij kiezen dit, ontleend aan het Concilie van Florence onder paus Eugenius IV (1441):
«De allerheiligste Romeinse Kerk gelooft vast, belijdt en predikt dat niemand van hen die zich buiten de katholieke Kerk bevinden, niet alleen de heidenen, maar ook de Joden, de ketters en de schismatici, deel kan hebben aan het eeuwig leven; maar dat zij zullen gaan in het eeuwig vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is, tenzij zij zich vóór hun dood met haar verenigd hebben…»
Wij hebben horen zeggen dat het woord «middelen», aanwezig in dit aberrante fragment, misschien bedoeld was om iets als «springplank» te betekenen; maar natuurlijk is het woord noch in zichzelf, noch in het Latijnse woord waarvan het de vertaling is, in staat die betekenis te dragen. Een filosofisch axioma stelt dat «een middel dat zijn doel niet kan bereiken, geen middel is». Een vliegtuig nemen is een middel om van Engeland naar Frankrijk te gaan, maar fietsen is dat niet, zelfs indien men, bij het bereiken van de rand van het Kanaal, de fiets terzijde werpt en een ander vervoermiddel gebruikt.
Kortom, de beschouwing van niet-katholieke sekten als middelen van heil in Unitatis Redintegratio §3 («Christus gebruikt de niet-katholieke sekten als middel van heil») kent een heilbrengende rol toe aan ketterse gemeenschappen, ontkent de exclusiviteit van de katholieke Kerk en staat daarom tegenover het Concilie van Florence (1442): «Buiten de katholieke Kerk is er geen heil» (DS 1351), en Pius XII, Humani Generis (1950) die leert dat «De sekten niet redden.»
Lees vervolgens Sint Cyprianus: «Buiten de Kerk is er geen heil» (De Unitate Ecclesiae).
En het Syllabus (Pius IX, stellingen 16-18) dat het indifferentisme veroordeelt. De sekten zijn slechts wegen van verderf (cf. Sint Augustinus tegen de donatisten).
Bijgevolg:
Theologische censuur: KETTERS.
2.4. «Het openbaar gemeenschappelijk gebed met ketters en schismatici is nuttig en lovenswaardig»
«In bepaalde omstandigheden, zoals in gebedsdiensten “voor de eenheid” en bij oecumenische bijeenkomsten, is het toegelaten, ja wenselijk, dat katholieken zich in gebed verenigen met hun gescheiden broeders. Zulke gemeenschappelijke gebeden zijn zeker een zeer doeltreffend middel om de genade van de eenheid af te smeken, en zij zijn een authentieke uitdrukking van de banden die de katholieken nog steeds met hun gescheiden broeders verbinden.» (Unitatis Redintegratio, paragraaf 8)
In dit korte fragment is het de Vaders van Vaticanum II gelukt twee afzonderlijke leerstellige valsheden in te voegen:
- Dat het wenselijk is dat katholieken deelnemen aan «gebedsdiensten» met hun «gescheiden broeders». Verre van wenselijk, zijn gemeenschappelijke godsdienstige activiteiten met niet-katholieken (behalve in het geval van personen die reeds bekend zijn op weg naar bekering) verboden.
- Dat zulke gemeenschappelijke gebeden «een zeer doeltreffend middel zijn om de genade van de eenheid af te smeken».
De juiste leer is duidelijk uiteengezet in canon 1258 van het Wetboek van Canoniek Recht van 1917 («§1. Het is de gelovigen niet toegelaten actief bij te wonen of deel te nemen, onder welke vorm ook, aan de heilige riten van niet-katholieken»), die zelfs de meest vurige voorstander van Vaticanum II niet kan ontkennen in werking was ten tijde van het Concilie.
Deze canon stelt dat het ongeoorloofd is op actieve wijze, op welke manier ook, deel te nemen of deel te nemen aan de devotionele handelingen van niet-katholieken; en dit is slechts een herhaling en bevestiging van wat altijd de regel van de Kerk is geweest. Casuïsten werden geraadpleegd over mogelijke uitzonderingen in Engeland in de 16de eeuw, waar en wanneer het er werkelijk toe deed, en de enige toegevingen die zij vonden waren zeer geringe activiteiten, zoals het zeggen van de dankzegging — en zelfs dat werd alleen toegestaan om een ernstig gevaar te vermijden.
Zeker, indien canon 1258 slechts een zuivere kerkelijke wet was — met andere woorden, een vorm van menselijke wet — zou Vaticanum II (indien het een waar concilie was) het kunnen abrogeren en een nieuwe wet kunnen opleggen. Maar canon 1258 was geen zuivere kerkelijke wet. Zij vertegenwoordigt ten dele een toepassing van de goddelijke wet; en zelfs een paus kan een goddelijke wet niet afschaffen (noch er van dispenseren).
Een volledig voldoende bewijs dat een goddelijke wet in het spel is, vindt men in de volgende instructie over het onderwerp van de «communicatio in sacris cum acatholicis» gericht aan de katholieken van Engeland door kardinaal Allen in zijn brief van 12 december 1592:
«…Gij [priesters] en al mijn broeders moet waken om niet te leren noch te verdedigen dat het geoorloofd is met protestanten te communiceren in hun gebeden of diensten of in de conventikels waar zij samenkomen om hun onware sacramenten toe te dienen; want dit is in strijd met de praktijk van de Kerk en van de heilige Leeraren van alle tijden, die nooit gecommuniceerd hebben noch toegelaten hebben dat een katholieke persoon bad met arianen, donatisten of wie ook. Het is ook geen positieve wet van de Kerk, want in dat geval zou een dispensatie in bepaalde gelegenheden kunnen verleend worden; maar het is verboden door de eeuwige wet van God, zoals ik met vele evidente argumenten zou kunnen bewijzen… Om volkomen zeker te zijn, heb ik de mening gevraagd van de thans regerende paus [Clemens VIII], en hij heeft mij uitdrukkelijk gezegd dat deelnemen met protestanten, hetzij door met hen te bidden, naar hun kerken of diensten te gaan of andere dergelijke dingen, in geen geval geoorloofd of dispenceerbaar was.»
Kortom, het gemeenschappelijk gebed met ketters en schismatici van U.R. §8: «Het openbaar gemeenschappelijk gebed met ketters is nuttig» spreekt de verbod van de «communicatio in sacris» tegen en staat tegenover: Pius XI, Mortalium Animos: «Gemengd gebed verbieden» en Canon 1258 (CIC 1917), dus:
Theologische censuur: KETTERS voor de tweede propositie (de eerste zijnde gekwalificeerd als dwalend in het geloof in de oorspronkelijke tekst).
2.5. De Joden worden in de Schrift niet voorgesteld als verworpen of vervloekt
«Het is waar dat de Kerk het nieuwe Volk van God is, maar de Joden mogen niet worden voorgesteld als verworpen of vervloekt alsof dit uit de Heilige Schrift zou volgen.» (Verklaring over de betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke godsdiensten Nostra Aetate, paragraaf 4)
Voor een bewijs van de ware leer betreffende deze opmerkelijke bewering kunnen wij beginnen met de gelijkenis van Onze Heer die in Matteüs 21:33-45 is opgetekend en de traditionele interpretatie van de Kerk. «De verwerping van de Joden en de bekering van de heidenen worden hier voorspeld, zoals Christus leert in vers 43», zegt Cornelis a Lapide in zijn commentaar op dit fragment.
Vervolgens is er natuurlijk Matteüs 27:25: «En het hele volk, antwoordend, zei: Zijn bloed zij over ons en over onze kinderen.» Men mag veronderstellen dat er iets uit dit fragment van de Heilige Schrift volgt, en men vraagt zich af wat de Vaders van Vaticanum II in gedachten hadden. Voor de traditionele leer van de Kerk betreffende dit fragment keren wij opnieuw terug naar Cornelis a Lapide, waar hij commentaar geeft:
«En zo hebben zij [de Joden] zich, niet alleen zichzelf, maar hun meest recente nakomelingen, onderworpen aan het ongenoegen van God. Zij voelen het nog vandaag in al zijn kracht, verspreid over de wereld, zonder stad, zonder tempel, zonder offer, zonder priester of vorst… “Deze vloek”, zegt Sint Hieronymus, “rust op hen tot op de dag van vandaag, en het bloed van de Heer wordt niet van hen weggenomen”, zoals Daniël voorspeld had (Daniël 9:27).»
En, uit nieuwsgierigheid, indien men ons zou vragen welk fragment, onder alle van Vaticanum II die wij presenteren, wij geloven het moeilijkst uit te leggen zelfs met de meest subtiele debatmiddelen, zouden wij waarschijnlijk dit kiezen. Wij beweren niet dat het definitiever ketters is dan de andere, maar het lijkt de minste ontsnappingsmogelijkheden te bieden, vooral omdat de Vaders van Vaticanum II uitdrukkelijk gekozen hebben om hun leer te laten beoordelen in relatie tot de Heilige Schrift, die expliciet is in het absoluut duidelijk maken dat de Joden collectief verworpen werden voor hun rol in de Kruisiging. (Veel andere teksten van het Nieuwe Testament zouden in dit verband geciteerd kunnen worden, maar wij denken dat wij reeds voldoende bewijs hebben geleverd.)
Het traditionele gebed van Goede Vrijdag (pre-1955/1960) smeekt om de bekering van de «perfidis Judaeis» — «perfidis» betekent ontrouw aan de Messias, niet «verraders» in de moderne betekenis. Vaticanum II keert dit om, in strijd met de theologie van de substitutie (Kerk = nieuw Israël, Rm 11 traditioneel geïnterpreteerd).
Theologische censuur: KETTERS.
2.6. De Kerk heeft een hoge achting voor de leerstellingen die van de hare verschillen
«De katholieke Kerk verwerpt niets van wat waar en heilig is in deze [niet-christelijke godsdiensten]. Zij heeft een hoge achting voor de manier van leven en zich gedragen, de voorschriften en de leerstellingen die, hoewel in vele opzichten verschillend van haar eigen leer, vaak een straal weerspiegelen van die waarheid die alle mensen verlicht.» (Nostra Aetate, paragraaf 2)
Afgezien van de schandalige verwijzing naar leven, gedrag en voorschriften, concentreren wij ons op de bewering dat de Kerk «een hoge achting heeft» voor de «leerstellingen» van de valse godsdiensten, niet alleen die welke toevallig waar kunnen zijn, maar zelfs die welke «verschillen… van haar eigen leer». Aangezien de leer van de katholieke Kerk waar is, is het een logische noodzaak dat elke leerstelling die daarvan verschilt vals is. De Vaders van Vaticanum II hebben dus vastgesteld dat de Kerk «een hoge achting heeft» voor valse leerstellingen. Natuurlijk is dit volkomen waar voor de conciliaire sekte; maar de houding van de katholieke Kerk tegenover valse leerstellingen is altijd dezelfde geweest als die van haar Goddelijke Stichter: een ongeremde afkeer.
Kortom, de niet-christelijke godsdiensten die heiligheid en waarheid dragen volgens Nostra Aetate §2: «De niet-christelijke godsdiensten bezitten heiligheid en waarheid» zijn syncretisme dat Christus als de enige Middelaar relativeert. Het staat tegenover Pius XI, Mortalium Animos (1928) die stelt dat «De heidense godsdiensten de waarheid niet hebben»; en zie Hand. 4:12 «Er is geen heil in geen ander; want er is onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij gered moeten worden.» Dus:
Theologische censuur: KETTERS.
2.7. «De theologische bijeenkomsten en discussies op voet van gelijkheid tussen katholieken en niet-katholieken zijn lovenswaardig»
«Katholieken die reeds een adequate vorming hebben, moeten een meer adequate kennis verwerven van de respectieve leerstellingen van onze gescheiden broeders, van hun geschiedenis, hun geestelijk en liturgisch leven, hun godsdienstige psychologie en hun culturele achtergrond. Zeer waardevol hiervoor zijn de bijeenkomsten van beide partijen — in het bijzonder voor de bespreking van theologische problemen — waarbij elk met de ander op voet van gelijkheid kan omgaan, mits zij die onder leiding van de autoriteiten deelnemen werkelijk bevoegd zijn.» (Unitatis Redintegratio, paragraaf 9)
Wat men ook moge zeggen ter verdediging van de orthodoxie van deze ketterse leer, het is een onontkoombaar feit dat men, door in een discussie met iemand op voet van gelijkheid te treden, elke aanspraak op een hogere autoriteit dan die van de andere partij opgeeft. Anders zou voet van gelijkheid eenvoudigweg niet gelijk zijn. Bedenk: hoe kan de Kerk aan katholieken, zelfs de meest bekwame, aanbevelen om een theologische discussie aan te gaan met protestanten tenzij de protestanten open van geest zijn en bereid om te erkennen dat hun godsdienstige opinies ten minste twijfelachtig zijn en ze te veranderen als zij duidelijke bewijzen van het tegendeel vinden? En toch, opdat een katholiek in dialoog zou treden met zo’n protestant op voet van gelijkheid, zou het nodig zijn dat de katholiek dezelfde houding heeft tegenover zijn eigen godsdienstige overtuigingen — met andere woorden, dat hij ze beschouwt als voorlopige opinies in plaats van als goddelijk gewaarborgde waarheden, onwankelbaar zeker, waarvoor hij duizend doden zou verkiezen te sterven dan ook maar het minste detail ervan een vluchtig ogenblik in twijfel te trekken.
Zo spoort het Concilie katholieken aan om de goddelijke verplichting van allen om de katholieke geloof te erkennen te verbergen, om de onmogelijkheid voor elke katholiek — zonder afschuwelijk doodzonde — om het minste detail van zijn geloof in vraag te stellen te verbergen, en om de noodzaak voor alle ketters om zich aan de Kerk te onderwerpen te verbergen. Het spoort katholieken aan om de houding te vertonen dat de betwiste theologische vragen tussen katholieken en niet-katholieken een kwestie van open debat zijn: opinie tegen opinie. Er is geen andere manier om deze woorden van het Concilie te lezen. En het gedrag dat door Vaticanum II wordt aanbevolen, is uitdrukkelijk veroordeeld in Mortalium Animos van Pius XI:
«Hoewel het gemakkelijk is vele niet-katholieken te vinden die vaak de broederlijke gemeenschap in Jezus Christus prediken, zult gij er geen vinden in wiens geest het opkomt zich te onderwerpen en te gehoorzamen aan de Vicarius van Christus, hetzij als leraar of als hoofd van de Kerk. Ondertussen beweren zij dat zij graag met de Romeinse Kerk zouden onderhandelen, maar op basis van gelijkheid van rechten en als gelijken. Indien zij zo konden onderhandelen, lijken zij er niet aan te twijfelen dat een akkoord zou kunnen worden gesloten waardoor zij niet verplicht zouden zijn de opinies op te geven die tot nu toe de oorzaak zijn van hun dwalen buiten de ware kudde van Christus. Onder zulke voorwaarden is het duidelijk dat de Apostolische Stoel in geen geval aan hun bijeenkomsten kan deelnemen, en dat katholieken in geen geval aan zulke inspanningen kunnen hechten of hun hulp kunnen verlenen…»
De Heilige Vader heeft ook geleerd dat: «…hij die hen steunt die deze theorieën aanhangen en proberen ze te verwezenlijken, volledig de goddelijk geopenbaarde godsdienst verlaat.»
Vaticanum II stelt dat de bijeenkomsten van beide partijen — in het bijzonder voor de bespreking van theologische problemen en waarbij elk met de ander op voet van gelijkheid kan omgaan — «zeer waardevol» zijn. Pius XI zegt dat zij niet kunnen worden overwogen en dat de theorieën die zulke bijeenkomsten als goed verdedigen neerkomen op apostasie.
Theologische censuur: KETTERS TEGEN HET KERKKELIJK GELOOF.
2.8. «De Kerk heeft de hulp van de ongelovigen nodig»
«In onze dagen, wanneer de dingen zo snel veranderen en de denkschema’s zo sterk verschillen, moet de Kerk dit uitwisseling [dat wil zeggen de uitwisseling tussen de Kerk en de verschillende culturen] intensiveren door een beroep te doen op de hulp van personen die in de wereld leven, die deskundig zijn in haar organisaties en vormen van vorming, en die haar mentaliteit begrijpen, hetzij gelovigen of ongelovigen.» (Gaudium et Spes, paragraaf 44)
Volledig duidelijk, terwijl de ongelovigen de meest dringende en wanhopige behoefte hebben aan alles wat de Kerk hen te bieden heeft, heeft de Kerk zelf absoluut niets van hen nodig. Haar zending is de waarheid te prediken en de middelen van heiliging aan alle mensen aan te bieden, en niet te handelen als een interculturele ruilwinkel; en haar Goddelijke Stichter, door middel van de wezenlijk onveranderlijke constitutie waarmee Hij haar heeft toegerust en de onophoudelijke inspiratie en bescherming van de Heilige Geest die Hij haar met Pinksteren heeft gezonden, heeft haar alles gegeven wat zij nodig kan hebben om haar zending te volbrengen. De suggestie dat de Kerk, om welke reden ook, de bijstand nodig zou kunnen hebben van een groep personen die gekwalificeerd zijn, niet door theologische eruditie of heiligheid, maar alleen door hun vertrouwdheid met de wegen en de geest van de wereld — waarvan geschreven staat dat «de hele wereld in het kwaad ligt» (1 Joh. 5:19) — en waaronder ongelovigen, kan slechts één mogelijke kwalificatie verdienen…
Theologische censuur: KETTERS.
2.9. Katholieke missionarissen zouden moeten samenwerken met de «missionarissen» die ketters zijn
«In samenwerking met het Secretariaat voor de bevordering van de christelijke eenheid, zal zij [de Heilige Congregatie voor de verspreiding van het geloof] middelen en methoden zoeken om fraterne samenwerking en harmonieuze betrekkingen te bereiken en te organiseren met de missionaire ondernemingen van andere christelijke gemeenschappen, opdat, voor zover mogelijk, het schandaal van de verdeeldheid wordt weggenomen.» (Decreet over de missionaire activiteit van de Kerk Ad Gentes Divinitus, paragraaf 29)
Katholieke missionarissen zijn mannen die door God gezonden zijn door Zijn heilige Kerk om de waarheid te prediken aan hen die haar niet kennen, opdat zij, indien zij van goede wil zijn, het Evangelie kunnen omarmen door een bovennatuurlijke geloofsdaad, die de noodzakelijke basis is van het proces van rechtvaardiging. Protestantse «missionarissen» daarentegen zijn bedriegers geïnspireerd door de duivel, geen gezanten van God maar Zijn vijanden, die brutaal beweren Zijn waarheid bekend te maken terwijl zij die vervormen volgens hun vooroordelen en aan hen die dwaas genoeg zijn hun leerstellingen te aanvaarden, niet het licht brengen, maar een nog diepere graad van duisternis, zodat wij terecht op een heiden «bekeerd» door protestantse «missionarissen» de woorden van Onze Heer kunnen toepassen: «de laatste staat van die mens is erger dan de eerste» (Matteüs 12:45). Vandaar dat de grote jezuïetische commentator van de Schriften, Vader Cornelis a Lapide, schrijft:
«…het is nooit geoorloofd zich te verheugen wanneer men ketterij ziet prediken en verspreiden, zelfs onder de heidenen; want hoewel zij Christus aankondigen, kondigen zij tegelijk vele ketterijen aan… en deze ketterijen zijn verderfelijker dan het heidendom zelf; zodat het veel beter is voor de heidenen om geen enkele waarheid of leer van de ketters te ontvangen, dan ze gemengd met zoveel perverse dwalingen te ontvangen…» (Commentaar op de Brief aan de Filippenzen 1:18)
En in het licht hiervan, kan men geloven dat een concilie dat zich katholiek noemt een «fraterne samenwerking» aanbeveelt tussen katholieke missionarissen en hun meest dodelijke tegenstanders en opponenten? Kan iemand met nog een greintje katholiek geloof in zijn ziel zich ernstig voorstellen dat het geoorloofd is het werk van God te volbrengen door in overeenstemming te handelen met hen die vastbesloten zijn het te verijdelen? Kan iemand ernstig aanraden, voor de bevordering van welk project ook, dat het volbracht wordt, niet door hen die de natuur van het werk en zijn waarde begrijpen, en ernaar verlangen het gerealiseerd te zien, maar door een promiscue verbond van hen die het project begunstigen met hen die ertegen zijn, hen die het begrijpen en hen die er volledig blind voor zijn?
Wij denken dat een voldoende antwoord op deze vragen gegeven wordt door de woorden van Sint Paulus:
«Draagt het juk niet met de ongelovigen. Want welk aandeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid? Of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Of welk deel heeft de gelovige met de ongelovige? En welk akkoord heeft de tempel van God met de afgoden?» (2 Kor. 6:14-16)
Theologische censuur: de positie van wie ook die gelooft dat zulk beleid lovenswaardig is, is kennelijk KETTERS.
2.10. «De gebreken in de formulering van de leer van de Kerk dienen te worden gecorrigeerd»
«Bijgevolg, indien er in verschillende tijden en in verschillende omstandigheden gebreken zijn geweest in het moreel gedrag, in de discipline van de Kerk, of zelfs in de manier waarop de leer van de Kerk is geformuleerd — zorgvuldig te onderscheiden van het deposito van het geloof zelf — dienen deze op het geschikte ogenblik en op de gepaste wijze te worden gecorrigeerd.» (Unitatis Redintegratio, paragraaf 6)
Dit fragment is een goed voorbeeld van de manier waarop het ketterse concilie Vaticanum II het voorbeeld volgt van andere ketters door zijn vergif subtiel te verbergen en te schijnen de waarheid zelf te verdedigen die het tegelijk ontkent. De notie dat er gebreken kunnen zijn in de formulering van de leer van de Kerk vertegenwoordigt een verachtelijke aanval op de heiligheid, de onfeilbaarheid en de goddelijke bescherming die aan de Kerk gewaarborgd zijn door haar Goddelijke Stichter. Er wordt niets bereikt door de bedrieglijke ontwijking dat de leerstellige formulering «zorgvuldig onderscheiden moet worden van het deposito van het geloof zelf»; want het deposito van het geloof werd door God aan de mensen meegedeeld in de vorm van woorden, gesproken of geschreven, en is altijd op dezelfde manier door de heilige Kerk aan haar kinderen meegedeeld, door de stemmen en pennen van haar missionarissen, herders en Leeraren. Het zou dus volkomen onmogelijk zijn dat er gebreken zijn in de formulering van de katholieke leer zonder dat er een gebrek zou zijn in de bewaring en verkondiging door de Kerk van het deposito van het geloof zelf. Daarom behoedt de Heilige Geest de verklaringen van de Kerk voor dwaling — niet noodzakelijk door een directe inspiratie van de meest perfecte woorden mogelijk om Zijn zin mee te delen, zoals gebeurd is in het geval van de Heilige Schrift, maar ten minste door te verzekeren dat geen woord ooit gebruikt wordt in zulk een officiële formulering dat als defectueus zou kunnen worden beschouwd. En daarom heeft paus Sint Agatho (678-681) geschreven dat: «Niets van wat gedefinieerd is mag verminderd worden; niets veranderd; niets toegevoegd; maar zij moeten bewaard worden zowel wat de uitdrukking als de zin betreft.» (Brief aan de Keizer, geciteerd door paus Gregorius XVI in zijn encycliek Mirari Vos van 15 augustus 1832)
En natuurlijk kan geen ontsnappingsmogelijkheid uit de heterodoxie van de tegenstrijdige leer van Vaticanum II gebaseerd worden op de subtiele techniek van het gebruik van de conditionalis, «Indien… er gebreken zijn geweest… in de manier waarop de leer van de Kerk is geformuleerd…»; om de eenvoudige reden dat zelfs het overwegen van de hypothese toont dat men gelooft dat het mogelijk is dat zulke gebreken bestaan, en het geven van instructies over de manier om op zulke eventualiteit te reageren toont dat het zelfs waarschijnlijk is.
Theologische censuur: KETTERS.
2.11. Andere ketterijen van Vaticanum II en een ketterij in het «proper» van Goede Vrijdag van de Novus Ordo-«mis»
De voorgaande lijst is niet exhaustief, deels omdat wij nooit de lange, arbeidzame en moreel gevaarlijke taak wilden ondernemen om alle documenten van het Concilie aandachtig te lezen om elke aanval op het katholieke geloof die zij bevatten op te sporen. Wij denken echter dat het de moeite waard is hier te vermelden dat het decreet Unitatis Redintegratio over het oecumenisme en de verklaring Nostra Aetate over de niet-christelijke godsdiensten, evenals de meest bekende verklaring Dignitatis Humanae over de godsdienstvrijheid, een bijzondere categorie vormen, aangezien de ketterijen die zij bevatten niet toevallig zijn maar hun eigen bestaansreden uitmaken. Met andere woorden, elk van deze documenten bevat niet alleen geïsoleerde uitvallen tegen de katholieke waarheid, maar werd opgevat als een aanval op een katholieke leerstelling.
«Nostra Aetate» beoogt de hoeksteen van de christelijke leer te ondermijnen volgens welke «er geen andere naam onder de hemel aan de mensen gegeven is, waardoor wij gered moeten worden [dan] door de naam van Onze Heer Jezus Christus van Nazareth» (Hand. 4:10,12).
«Unitatis Redintegratio» streeft ernaar de naadloze tuniek van Christus te verscheuren en van Zijn trouwe bruid de Kerk een hoer te maken door te ontkennen dat «een man die een ketter is… verdorven is en zondigt, door zijn eigen oordeel veroordeeld» (Tit. 3:10,11).
En «Dignitatis Humanae» is natuurlijk gericht tegen de sociale koningschap van Christus, de plicht van de Staat om de enige ware godsdienst te omarmen en te bevorderen terwijl hij de openbare uitingen van alle valse godsdiensten beperkt, echoënd op de godslasterlijke kreet van de Joden, «Wij hebben geen andere koning dan Caesar» (Joh. 19:15); «Wij willen niet dat deze Mens over ons regeert» (Luc. 19:14).
Tenslotte, om deze lijst af te sluiten, denken wij dat het de moeite waard is een ketterij te vermelden die niet in de documenten van Vaticanum II was opgenomen maar verscheen in de tekst van de Novus Ordo die door Paulus VI na het Concilie werd afgekondigd. Zij bevindt zich in het proper van de liturgie van Goede Vrijdag, waar de celebranten en deelnemers van de Novus Ordo God vragen om te verlenen dat de Joden «mogen groeien/voortgaan in de trouw aan Zijn Verbond» («in sui foederis fidelitate proficere»). De evidente implicatie is dat de Joden reeds, in zekere mate, trouw zijn aan Gods verbond. Maar in werkelijkheid is dat niet het geval, want het Oude Verbond eiste van de Joden dat zij de Messias, Jezus Christus, zouden erkennen, en toen zij Hem verwierpen, werd het onherroepelijk verbroken en voor altijd opgeheven. Zo kan zelfs hun uiterlijke naleving van de mozaïsche ceremonies niet als «trouw» worden beschouwd, want het is «de fide» dat de mozaïsche wet is opgeheven. En, het hoeft niet gezegd, de Joden zijn zeker niet trouwer aan het Nieuwe Verbond dan zij aan het Oude waren!
Theologische censuur: KETTERS.
- Vervolg: systematische lijst van andere ketterijen en dwalingen
- Ecclesiologie (Leer over de Kerk)
1.1. Subsistentie van de Kerk van Christus in de Katholieke Kerk (niet-exclusief)
– Citaat: Lumen Gentium (LG) 8: «Deze Kerk, in deze wereld als een samenleving opgericht en georganiseerd, subsisteert [subsistit in] in de katholieke Kerk.»
– Uitleg: Het gebruik van «subsistit in» (subsisteert in) in plaats van «est» (is) suggereert dat de Kerk van Christus niet identiek is met de Romeinse Katholieke Kerk, maar er gedeeltelijk in subsisteert, wat opent naar een inclusieve ecclesiologie waarin andere christelijke gemeenschappen deelnemen aan de ene Kerk.
– In strijd met: Pius XII, Mystici Corporis (1943): «De Kerk van Christus is de Romeinse Katholieke Kerk»; Leo XIII, Satis Cognitum (1896): «De Kerk is één, en zij is de katholieke Romeinse.»
– Deze ecclesiologische dwaling, afkomstig uit «Lumen Gentium», spreekt de uniciteit van de katholieke Kerk als de enige Kerk van Christus tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
1.2. Bisschoppelijke collegialiteit en gerelativeerde pauselijke primaatschap
– Citaat: LG 22: «Het college van de bisschoppen, met de paus, oefent de hoogste en volle autoriteit over de Kerk uit.»
– Uitleg: Dit impliceert een dubbele suprematie (paus en college), wat de absolute primaatschap van de paus verzwakt, gezien als een «bipolarisme» in strijd met de goddelijke monarchie van de Kerk.
– In strijd met: Vaticanum I, Pastor Aeternus (1870): «De paus bezit de volle en hoogste jurisdictie over de gehele Kerk» (DS 3064); Pius IX: «De autoriteit van de paus is niet ondergeschikt aan het college» (DS 3116). «Pastor Aeternus» definieert de monarchale primaatschap van de Paus, niet collegiaal. De collegialiteit relativeert dit en bereidt de kerkelijke democratie voor.
– Deze stelling ontkent de absolute primaatschap van Petrus, spreekt het gedefinieerde dogma tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
1.3. Volk van God als actief subject van de Traditie
– Citaat: Dei Verbum (DV) 8: «De Traditie vordert dankzij de menselijke ervaring en het sensus fidelium.»
– Uitleg: Dit kent een evolutionaire rol toe aan de collectieve ervaring, met risico op subjectivisme waarbij de Traditie niet langer alleen door het Magisterium bewaard wordt, maar mede-geschapen door de gelovigen.
– In strijd met: Vaticanum I (1870): «De Traditie wordt geïnterpreteerd door het onfeilbare Magisterium» (DS 3011); Pius X, Pascendi (1907): «De menselijke ervaring kan het deposito van het geloof niet veranderen.»
Sint Pius X, Decreet Lamentabili Sane (3 juli 1907), Stelling 21. Deze stelling wordt veroordeeld als ketters, en stelt daarmee positief de tegenovergestelde leer als zeker vast: de Openbaring die het voorwerp van het katholieke geloof uitmaakt, is inderdaad voltooid met de Apostelen. Oorspronkelijke citaat (Latijn): «Revelatio, obiectum fidei catholicae constituens, non fuit cum Apostolis completa.» Vertaling: «De Openbaring, die het voorwerp van het katholieke geloof uitmaakt, is niet voltooid met de Apostelen.» Nota: Deze stelling is veroordeeld en verboden door het decreet. Verwijzing: Lamentabili Sane, Stelling 21. De veroordeling stelt de tegenovergestelde leer als zeker: de Openbaring is voltooid met de Apostelen.
– Dit idee draagt de autoriteit van de Traditie over aan de gelovigen, spreekt de magisteriële leer tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
1.4. Kerk als sacrament van de menselijke eenheid (niet-exclusief voor niet-katholieken)
– Citaat: LG 1: «De Kerk is het sacrament van de eenheid voor het hele menselijk geslacht.»
– Uitleg: Dit breidt de Kerk uit tot de gehele mensheid, minimaliseert de grenzen tussen katholieken en niet-katholieken, en suggereert een universele ontologische eenheid.
– In strijd met: Pius IX, Syllabus (1864): «De Kerk omvat de ketters en schismatici niet» (DS 2917); Innocentius III, Lateranen IV (1215): «Buiten de Kerk is er geen heil.»
– Deze bewering verzwakt de exclusiviteit van de katholieke Kerk, spreekt de traditionele leer tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
- Antropologie en Soteriologie (Leer over de Mens en de Verlossing)
2.1. Absolute menselijke waardigheid, onafhankelijk van de erfzonde
– Citaat: Gaudium et Spes (GS) 22: «Elk menselijk wezen is verenigd in Jezus Christus.»
– Uitleg: Dit bevestigt een universele ontologische vereniging met Christus, negeert de erfzonde en de noodzaak van bekering, dicht bij een heilbrengend universalisme.
– In strijd met: Trente (1547): «Allen worden geboren in erfzonde» (DS 1512); Pius IX: «Zonder het katholieke geloof is er geen heil» (DS 2865).
– Deze stelling ontkent het effect van de erfzonde, spreekt de gedefinieerde leer tegen (cf. Concilie van Trente) en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
2.2. Progressieve en niet-instantane rechtvaardiging
– Citaat: Ad Gentes (AG) 13: «De rechtvaardiging is een geleidelijke ontwikkeling in de tijd.»
– Uitleg: Dit spreekt de rechtvaardiging als een instantane daad door de doopgenade tegen en introduceert een soteriologisch evolutionisme.
– In strijd met: Trente, Zitting VI (1547): «De rechtvaardiging is instantaan door de genade» (DS 1532).
– Dit idee spreekt de leer van het Concilie van Trente over de rechtvaardiging tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
2.3. De mens als middelpunt en hoogtepunt van de schepping
– Citaat: GS 12: «De mens is het middelpunt en de top van alle dingen.»
– Uitleg: Overmatig antropocentrisme, dat God op de tweede plaats zet, in strijd met het bijbelse theocentrisme.
– In strijd met: Pius X, Pascendi: «De mens is niet het middelpunt; God is het»; Genesis 1:1 vv.
– Deze bewering leidt de eer die God toekomt af, spreekt de traditionele theologie tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
2.4. Geboortebeperking als mogelijke deugd
– Citaat: GS 52: «Geboortebeperking kan deugdzaam zijn.»
– Uitleg: Dit opent de deur naar anticonceptie, spreekt de leer over de procreatie als primair doel van het huwelijk tegen.
– In strijd met: Pius XI, Casti Connubii (1930): «Elke anticonceptie is intrinsiek slecht» (DS 3717).
– Deze stelling spreekt de katholieke morele leer tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
- Oecumenisme en Interreligieuze Betrekkingen
Moslims als aanbidder van de ware God
– Citaat: NA 3: «De moslims vereren Jezus waardig als profeet.»
– Uitleg: Dit negeert de christologische verwerping van deze godsdiensten en riskeert indifferentisme.
– In strijd met: Trente: «Zonder Christus is er geen geldige eredienst» (DS 1529); Pius XI, Mortalium Animos (1928): «Er is geen andere naam (dan Jezus om ons te redden)…» en verbiedt alle «pan-christianisme».
– «Nostra Aetate» suggereert dit, spreekt de noodzaak van geloof in de Drievuldigheid tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
- Godsdienstvrijheid
Neutraliteit van de Staat in godsdienstzaken
– Citaat: DH 6: «De Staat moet de vrijheid van alle erediensten eerbiedigen.»
– Uitleg: Staatsrelativisme, dat de sociale heerschappij van Christus ontkent.
– In strijd met: Pius XI, Quas Primas (1925): «De Staat moet Christus Koning erkennen»; Syllabus, stelling 77.
– Dit idee spreekt de verplichting van de Staat om de ware godsdienst te steunen tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
- Liturgie en Sacramenten
5.1. Volkstalen met voorrang in de Mis
– Citaat: Sacrosanctum Concilium (SC) 36: «De volkstalen dienen in de Mis gebruikt te worden.»
– Uitleg: Dit marginaliseert het Latijn en riskeert liturgische fragmentatie.
– In strijd met: Trente, Zitting XXII: «Het Latijn is heilig» (DS 1749); Pius XII, Mediator Dei (1947): «Het Latijn behouden.»
– Deze praktijk spreekt de liturgische traditie tegen, maar kan als een disciplinaire dwaling worden beschouwd in plaats van een formele ketterij.
– Theologische nota: DWALING.
5.2. Actieve deelname van de gelovigen als wezen van de liturgie
– Citaat: SC 14: «De liturgie is een viering in gemeenschap.»
– Uitleg: Protestantisering, die de offerrol van de priester minimaliseert.
– In strijd met: Trente: «De Mis is een verzoenend offer» (DS 1743); Pius XII: «De priester handelt in persona Christi.»
– Dit idee verandert de offernatuur van de Mis, spreekt de traditionele leer tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
5.3. Novus Ordo als protestantse opvatting van de Mis
– Citaat: SC 47: «De Mis is een broederlijke maaltijd.»
– Uitleg: Reductie van de Eucharistie tot een banket, ontkenning van het offer.
– In strijd met: Trente: «De Mis vernieuwt Calvarië» (DS 1740).
– Deze hervorming ontkent het offerkarakter van de Mis, spreekt het Concilie van Trente tegen en vormt een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
- Sociale en Pastorale Vragen
6.1. Socialisme en communisme niet veroordeeld
– Citaat: GS 55: «De morele rijpheid van de mensheid» (zonder uitdrukkelijke veroordeling van het communisme).
– Uitleg: Ernstige omissie, die dialoog met veroordeelde dwalingen begunstigt.
– In strijd met: Pius XI, Quadragesimo Anno (1931): «Het socialisme is onverenigbaar met het katholicisme.»
– De afwezigheid van veroordeling spreekt de vorige encyclieken tegen (o.a. «Divini Redemptoris» van Pius XI) en vormt een formele ketterij door hardnekkige omissie.
– Theologische nota: KETTERS.
6.2. Evolutieleer en modernisme
– Citaat: GS 19: «Het atheïsme is een krachtige reactie tegen de duivel.»
– Uitleg: Relativisme, dat iets positiefs ziet in de dwaling.
– In strijd met: Pius X, «Pascendi»: «Het modernisme veroordelen» (DS 3475).
Bovendien veroordeelt Sint Pius X in «Pascendi» en «Lamentabili» alle subjectivisme en evolutie van het geloof. GS ziet iets «positiefs» in het atheïsme, wat godslasterlijk is.
– Deze ideeën, niet veroordeeld, spreken «Pascendi» van Pius X tegen en vormen een formele ketterij.
– Theologische nota: KETTERS.
- Besluit
De dwalingen van Vaticanum II, vaak dubbelzinnig en pastoraal, vormen een systematisch geheel dat als een breuk met de Traditie wordt ervaren. Zij riskeren een leerstellige relativisme, een antropocentrisme en een syncretisch oecumenisme, wat het concilie potentieel ongeldig maakt als «conciliábulum» (cf. Da Silveira).
Dit conciliábulum is dus ketters in zijn geheel omdat het een nieuw christendom onderwijst (antropocentrisch, oecumenisch, liberaal), in strijd met het geopenbaarde deposito. Zoals Sint Pius X leert, is het modernisme de «synthese van alle ketterijen». De latere daden van de antipausen (Novus Ordo, enz.) bevestigen de breuk.
Deze lijst toont de noodzaak van een kritische beoordeling en onderstreept de noodzaak van een terugkeer naar het pre-conciliaire Magisterium om de integriteit van het geloof te bewaren.
Definitieve zekere conclusie:
Het Conciliábulum van Vaticanum II is zeker meervoudig ketters.
Dit is de volledige, getrouwe en zuivere Nederlandse vertaling van de originele Franse tekst.