VIJFDE MENING IS DE ALGEMENE LEER:
“GEVALLEN IN DE MANIFESTE KETTERIJ,
VERLIEST DE PAUS IPSO FACTO ZIJN AMBT”
Belangrijkste bron: Het meesterwerk «La Nouvelle Messe de Paul VI : qu’en penser ?»
van prof. Arnaldo Vidigal Xavier da Silveira, theoloog van Campos, Brazilië.
Inhoudsopgave
Inleiding: deze vijfde mening is de leer van de Kerk
- Deze vijfde mening wordt verdedigd door vele gerenommeerde theologen
1.1. Verdediging van deze mening door de heilige Robertus Bellarminus
1.2. Verdediging van deze mening door de P. Pietro Ballerini
1.3. Onderverdeling van deze vijfde mening
1.4. Waardering van deze mening
- Ter verdediging van de vijfde mening opgesomd door de heilige Robertus
Bellarminus
2.1. Mogelijkheid van een ketterse paus
2.2. Onverenigbaarheid in de wortel
2.3. De jurisdictie van de ketter
2.4. De centrale vraag
2.5. De noodzaak van een verklaring wordt uitgesloten
2.6. Graad van bekendheid en openbare verspreiding
- Besluit
N.B.
Noten
Inleiding:
Wij keren terug naar wat gezegd werd in het hoofdstuk over de 5 meningen van de heilige Bellarminus: dat deze vijfde mening die is van bijna alle auteurs, inclusief Dr. de heilige Bellarminus zelf, en zij wordt voorgehouden door het eerste concilie van het Vaticaan van 1870, waarvan hier de details volgen:
-
- Het Concilie Vaticaan I van 1870 bevestigt dat men de heilige Bellarminus volgt
In de julizitting van het eerste Concilie van het Vaticaan verwierp de algemene rapporteur, Mgr. Vinzenz Gasser van 1809 tot 1879, de beschuldiging die tegen de Deputatie werd geformuleerd door sommige conciliaire Vaders, volgens welke zij de mening van Alberto Pighius zouden volgen, volgens welke de Paus nooit in de ketterij zou kunnen vallen, zelfs niet als privépersoon.
Hij verklaarde dat de leer van het Concilie van het Vaticaan noch die van Alberto Pighius was, noch de extreme mening van enige school, maar wel die van de heilige Robertus Bellarminus, die deze mogelijkheid in zijn Controverses toelaat. Mansi, deel 52, kolom 1218.
Historische context van de citaat
De gerapporteerde verklaring komt uit de officiële interventie genaamd relatio, uitgesproken op 11 juli 1870 door Mgr. Vincent Gasser bisschop van Brixen, algemene rapporteur van de Deputatie van het Geloof, tijdens de 45ste algemene congregatie van het Concilie, met het oog op de definitie van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid in de constitutie Pastor aeternus, hoofdstuk 4.
Deze relatio verdedigt het leerstellige schema tegen de beschuldigingen van sommige conciliaire Vaders zoals Mgr. Riccio di Mondragone, die de Deputatie verweten de extreme mening van Alberto Pighius of Pigge te volgen, Nederlandse theoloog van de 16de eeuw, overleden in 1542, volgens welke de Paus nooit in de ketterij zou kunnen vallen, zelfs niet als privépersoon.
Mgr. Gasser verwerpt deze beschuldiging door uit te leggen dat de leer van het schema noch die van Pighius alleen, door sommigen als extreem beoordeeld, noch een geïsoleerde mening is, maar wel die van de heilige Robertus Bellarminus, theoloog van de 16de eeuw, overleden in 1621, die deze mogelijkheid toelaat, namelijk de potentiële val van de Paus in de ketterij als privépersoon, zonder dat dit zijn onfeilbare ambt aantast.
De oorspronkelijke tekst van de relatio van Mgr. Gasser
Hier volgt het relevante fragment van de relatio:
Latijns origineel uit Collectio Lacensis, deel 7, kolommen 530 tot 531: Quod ad doctrinam, quae in Schemate proponitur, attinet, iniuste Deputatio accusatur, quasi velimus extremam cuiusdam scholae theologorum opinionem, videlicet Alberti Pighii, ad dogmaticam dignitatem evolvere. Nam Alberti Pighii sententia, quam Bellarminus quidem piæ et probabiles nominat, fuit, Pontificem ut personam privatam aut doctorem privatum ex quadam ignorantia errare posse, sed nunquam in haeresim incidere aut haeresim docere posse. De sententia autem Bellarmini haec dicuntur. At doctrina, quae in Schemate proponitur, nec Alberti Pighii est, nec alicuius scholae extremæ, sed Bellarmini, qui hanc possibilitatem in suis Controversiis admittit.
Letterlijke vertaling: Wat de leer betreft die in het Schema wordt voorgesteld, wordt de Deputatie onrechtmatig beschuldigd, alsof wij de extreme mening van een bepaalde school van theologen, namelijk die van Alberto Pighius, tot dogmatische waardigheid zouden willen verheffen. Want de mening van Alberto Pighius, die Bellarminus inderdaad vroom en waarschijnlijk noemt, was dat de Pontifex als privépersoon of privéleraar door een zekere onwetendheid kon dwalen, maar nooit in de ketterij kon vallen of ketterij kon onderwijzen. Over de mening van Bellarminus wordt dit gezegd. Maar de leer die in het Schema wordt voorgesteld is noch die van Alberto Pighius, noch de extreme mening van enige school, maar wel die van Bellarminus, die deze mogelijkheid in zijn Controverses toelaat.
-
- Aangezien tijdens en in dit onfeilbare oecumenische Concilie van het Vaticaan I in 1870 door een officiële interventie, een Relatio, is bevestigd dat de Vaders van het Concilie de heilige Bellarminus volgden in de kwestie van een ketterse paus, zullen ook wij de heilige Bellarminus volgen eerder dan andere auteurs zoals Cajetanus, omdat deze relatio een bijzonder belangrijk getuigenis vormt over de gedachte van de opstellers van Pastor Aeternus.
- Deze mening wordt verdedigd door vele gerenommeerde theologen, zoals de heilige Robertus Bellarminus, Sylvius, Pietro Ballerini, Wernz-Vidal, kardinaal Billot.
1.1. Verdediging van deze mening door de heilige Robertus Bellarminus
Na de andere meningen over het onderwerp te hebben weerlegd, stelt de heilige Robertus Bellarminus zijn positie als volgt uiteen:
Dus de ware mening is de vijfde, volgens welke de Paus en het hoofd, op dezelfde wijze als hij door zichzelf ophoudt christen en lid te zijn van het lichaam van de Kerk; en daarom kan hij door de Kerk worden geoordeeld en gestraft. Dat is de mening van alle oude Vaders, die leren dat manifeste ketters onmiddellijk alle jurisdictie verliezen, en in het bijzonder van de heilige Cyprianus boek 4, brief 2, die zich aldus uitdrukt over Novatianus, die antipaus was in het schisma dat zich voordeed tijdens het pontificaat van de heilige Cornelius: Hij kon het bisschopsambt niet behouden, en, als hij eerder bisschop was gemaakt, heeft hij zich verwijderd van het lichaam van hen die zoals hij bisschoppen waren en van de eenheid van de Kerk. Volgens wat de heilige Cyprianus in dit passus zegt, zelfs als Novatianus ware en legitieme Paus was geweest, zou hij niettemin automatisch van het pontificaat zijn gevallen als hij zich van de Kerk had gescheiden.
Dat is de mening van grote recente doktoren, zoals Johannes Driedo boek 4 de Script. et dogmat. Eccles. cap. 2, par. 2, sent. 2, die leert dat alleen zij van de Kerk scheiden die worden uitgestoten, zoals de geëxcommuniceerden, en zij die door zichzelf zich ervan verwijderen en zich ertegen verzetten, zoals de ketters en de schismatici. En, in zijn zevende stelling, houdt hij staande dat bij hen die zich van de Kerk hebben verwijderd, absoluut geen geestelijke macht overblijft over hen die in de Kerk zijn. Hetzelfde zegt Melchior Cano boek 4 de loc., cap. 2, die leert dat ketters noch delen noch leden van de Kerk zijn, en dat men zich zelfs niet kan voorstellen dat iemand hoofd en Paus is zonder lid en deel te zijn cap. ult. ad argument. 12. En hij leert op dezelfde plaats, met duidelijke woorden, dat occulte ketters nog van de Kerk zijn, delen en leden zijn, en dat daarom de occulte ketterse Paus nog Paus is. Dat is ook de mening van de andere auteurs die wij citeren in boek 1 De Eccles.
De grondslag van deze mening is dat de manifeste ketter op geen enkele wijze lid is van de Kerk, dat wil zeggen noch geestelijk noch lichamelijk, wat betekent dat hij het noch door innerlijke vereniging noch door uiterlijke vereniging is. Want zelfs slechte katholieken zijn verenigd en zijn leden, geestelijk door het geloof, lichamelijk door de belijdenis van het geloof en door deelname aan de zichtbare sacramenten; occulte ketters zijn verenigd en zijn leden, hoewel alleen door uiterlijke vereniging; daarentegen behoren goede catechumenen alleen toe aan de Kerk door een innerlijke vereniging, niet door de uiterlijke; maar manifeste ketters behoren op geen enkele wijze toe, zoals wij reeds hebben bewezen.
Redactionele nota:
inderdaad bestaat er een wezenlijke onverenigbaarheid tussen de hoedanigheid van zichtbaar hoofd van de Kerk en de publieke staat van ketterij. Immers, de Romeinse Pontifex is het zichtbare beginsel van de eenheid van het geloof. Nu is de manifeste ketter juist degene die deze eenheid publiekelijk verbreekt. Het zou tegenstrijdig zijn dat één en hetzelfde subject tegelijkertijd het juridische beginsel van de eenheid en het publieke beginsel van de verdeling zou zijn. Deze tegenstrijdigheid is niet eenvoudigweg disciplinaire maar vloeit voort uit de aard zelf van de Kerk als zichtbare samenleving gegrondvest op de eenheid van het geloof.
1.2. Verdediging van deze mening door de P. Pietro Ballerini
Het lijkt ons zeer verhelderend de uitleg die een andere verdediger van deze vijfde mening geeft van zijn positie, de P. Pietro Ballerini, eminente Italiaanse theoloog van de 18de eeuw. Nadat hij heeft opgemerkt dat het Concilie zich over de ketterse Paus alleen zou kunnen uitspreken als deze reeds was afgezet, overweegt P. Ballerini:
Een gevaar voor het geloof zo dreigend en onder alle het allerzwaarste, zoals dat van een Pontifex die, hoewel alleen in privé, de ketterij zou verspreiden, zou geen vertraging kunnen verdragen. Want, dan, wachten tot het remedie komt van een algemeen Concilie, waarvan de bijeenroeping niet gemakkelijk is? Is het niet waar dat, voor zo’n gevaar voor het geloof, om het even welke onderdanen door broederlijke correctie hun meerdere kunnen waarschuwen, hem in het gezicht weerstaan, hem weerleggen en, indien nodig, hem interpelleren en aandringen om berouw te hebben? De kardinalen zullen het kunnen doen, die zijn raadgevers zijn; of de Romeinse clerus; of het Romeinse Synode indien het, bijeengekomen, dat opportuun oordeelt. Voor elke persoon, zelfs een privépersoon, gelden de woorden van de heilige Paulus aan Titus: Vermijd de ketter na de eerste en tweede vermaning, wetende dat zo’n mens verdorven is en zondigt, nadat hij door zijn eigen oordeel is veroordeeld (Titus 3, 10-11). Want de persoon die, één of twee keer gewaarschuwd, geen berouw heeft, maar zich hardnekkig houdt in een mening die tegenstrijdig is met een manifest of gedefinieerd dogma – en die omwille van deze publieke hardnekkigheid op geen enkele wijze kan worden verontschuldigd van de eigenlijke ketterij, die hardnekkigheid vereist – deze persoon verklaart zichzelf openlijk ketter. Zij openbaart dat zij uit eigen wil zich van het katholieke geloof en van de Kerk heeft verwijderd, zodat het al niet meer nodig is enige verklaring of mening van wie dan ook om haar van het lichaam van de Kerk af te snijden. Zeer duidelijk in deze materie is het argument gegeven door de heilige Hieronymus over de geciteerde woorden van de heilige Paulus: Daarom zegt men dat de ketter zichzelf heeft veroordeeld: omdat de hoereerder, de echtbreker, de moordenaar en de andere zondaars door de priesters uit de Kerk worden gestoten; maar de ketters spreken het oordeel tegen zichzelf uit, zichzelf spontaan van de Kerk uitsluitend: uitsluiting die hun veroordeling is door hun eigen geweten. Daarom moet de Pontifex die, na zo’n plechtige en publieke waarschuwing door de kardinalen, door de Romeinse clerus of zelfs door het Synode, verhard in de ketterij zou blijven en zich openlijk van de Kerk zou verwijderen, worden vermeden, overeenkomstig het voorschrift van de heilige Paulus. Opdat hij geen schade toebrengt aan anderen, moeten zijn ketterij en zijn hardnekkigheid publiekelijk worden afgekondigd, zodat allen zich eveneens tegenover hem kunnen beschermen. Zo zou de mening die hij tegen zichzelf heeft uitgesproken aan de hele Kerk worden voorgelegd, duidelijk makend dat hij uit eigen wil zich heeft verwijderd en gescheiden van het lichaam van de Kerk, en dat hij op een of andere wijze heeft afgezien van het pontificaat, waarvan niemand geniet of kan genieten als hij niet tot de Kerk behoort. Men ziet dus dat er in geval van ketterij, waaraan de Pontifex in privé zou vasthouden, een onmiddellijk en doeltreffend remedie zou zijn, zonder bijeenroeping van het algemeen Concilie: want in deze hypothese zou wat tegen hem gedaan zou worden vóór de verklaring van zijn hardnekkigheid en ketterij, met het doel hem tot rede te brengen, een plicht van naastenliefde uitmaken, niet van jurisdictie; en nadat zijn verwijdering van de Kerk is geopenbaard, als er een oordeel tegen hem zou worden uitgesproken door het Concilie, zou zo’n oordeel worden uitgesproken tegen iemand die reeds geen Paus meer is noch superieur aan het Concilie.
1.3. Onderverdeling van deze vijfde mening
Naar onze mening zou deze vijfde mening moeten worden onderverdeeld in drie.
- Sommige auteurs beweren dat de Paus ipso facto het pontificaat verliest op het moment dat hij zijn ketterij exterioriseert.
- Anderen houden staande dat dit verlies zich voordoet wanneer de ketterij ter kennis komt van een zeker aantal personen, zelfs een klein aantal.
- Anderen, ten slotte, oordelen dat de ketterse Paus alleen van de Romeinse Stoel vervalt wanneer zijn ketterij notoir en publiekelijk verspreid wordt.
Deze divergentie is verbonden met de eeuwenoude discussie, die de theologen vandaag nog verdeelt, over het exacte moment waarop de ketter ophoudt lid van de Kerk te zijn. Wij oordelen het niet noodzakelijk om hier in detail de bijzonderheden van de diverse onderverdelingen van deze vijfde mening uiteen te zetten. Het lijkt ons ook overbodig om op precieze wijze de positie van elke aanhanger van deze mening aan te geven – des te meer daar velen van hen hierover niet duidelijk zijn. Wij zullen alleen korte opmerkingen maken over de gedachte van de heilige Robertus Bellarminus en van Wernz-Vidal.
Salvo meliori judicio, het lijkt ons dat de heilige Robertus Bellarminus zijn these over het moment waarop de ketterse Paus ipso facto het pontificaat zou verliezen niet voldoende duidelijk heeft nagelaten.
Hij zegt dat dit zich zou voordoen wanneer de ketterij manifest zou worden; en hij stelt het begrip manifest tegenover het begrip occult. Nu kan occulte ketterij intern occult per se zijn, zoals zij extern maar aan anderen onbekend occult per accidens kan zijn. Als men aan de heilige Robertus Bellarminus de eerste van deze interpretaties toeschrijft, zou de Paus het pontificaat verliezen op het moment dat hij zijn ketterij exterioriseert, zelfs als niemand het zou waarnemen. Als men hem de tweede interpretatie toeschrijft, zou het verlies van het pontificaat zich voordoen wanneer enkele andere personen – misschien slechts één – van het feit zouden weten.
Zou er nog een derde interpretatie zijn? Zou men als occulte ketterij kunnen verstaan die welke reeds aan de kennis van vele personen is, maar het grote publiek nog niet heeft bereikt, nog niet notoir en publiekelijk verspreid is geworden? Een dergelijke interpretatie wordt door Wernz-Vidal aangenomen, die zelfs zonder aarzelen bevestigt dat volgens de heilige Robertus Bellarminus de ketterse Paus alleen zou worden afgezet wanneer zijn afval in het geloof notoir en publiekelijk verspreid zou worden.
1.4. Waardering van deze mening
Wij onthouden ons ervan om opnieuw de redenen voor te leggen die tegen deze vijfde mening kunnen worden aangevoerd. Zij zijn reeds in de voorgaande bladzijden uiteengezet.
Zoals wij in het volgende hoofdstuk zullen zeggen, oordelen wij dat deze vijfde mening de ware is, en dat Wernz-Vidal gelijk heeft te zeggen – bij de interpretatie van de heilige Robertus Bellarminus – dat de eventueel ketterse Paus het pontificaat ipso facto verliest, op het moment dat zijn ketterij notoir en publiekelijk verspreid wordt.
- TER VERDEDIGING VAN DE VIJFDE MENING OPGESOMD DOOR DE HEILIGE ROBERTUS BELARMINUS
In de loop van de voorgaande hoofdstukken hebben wij reeds enkele reflecties gemaakt over de argumenten die door de diverse scholen zijn aangevoerd. Wij wensen nu een overzicht te geven van de conclusies waartoe het onderzoek van het onderwerp ons heeft gebracht.
2.1. Mogelijkheid van een ketterse Paus
Men vindt in de Schrift en de Traditie geen redenen die de onmogelijkheid aantonen van de val van een Paus in de ketterij. Integendeel, talrijke getuigenissen van de Traditie spreken ten gunste van de mogelijkheid van zo’n val. Gegeven dit, moeten wij het als theologisch mogelijk beschouwen dat een Paus in ketterij valt, en de gevolgen bestuderen die zo’n feit zou hebben voor het leven van de Kerk.
2.2. Onverenigbaarheid in de wortel
De Schrift en de Traditie maken de existentie van een diepe onverenigbaarheid, in de wortel, zichtbaar tussen de toestand van ketter en het bezit van kerkelijke jurisdictie, zodra de ketter ophoudt lid van de Kerk te zijn.
Deze onverenigbaarheid is zodanig dat normaal de toestand van ketter en het bezit van een kerkelijke jurisdictie niet samen bestaan. Niettemin is zij niet absoluut, dat wil zeggen niet zodanig dat, vallend in innerlijke ketterij, of zelfs uiterlijke, de houder van de kerkelijke jurisdictie ipso facto van zijn ambt wordt ontheven, in alle gevallen en onmiddellijk.
De argumenten die door de diverse auteurs over dit laatste punt worden aangevoerd zijn beslissend, en dat zijn zij in het bijzonder de argumenten ontleend aan de praktijk van de Kerk: volgens het Wetboek van canoniek recht verliest de ketter de jurisdictie alleen wanneer tegen hem een veroordelende of verklarende uitspraak wordt gedaan; de priesters die de Kerk hebben verlaten hebben jurisdictie om absolutie te geven aan personen in levensgevaar; het wordt algemeen aanvaard dat de oosterse schismatieke bisschoppen die ook ketters zijn een jurisdictie genieten die de Pausen hun stilzwijgend toekennen; enz.
Daarom noemen wij deze onverenigbaarheid niet absoluut, maar spreken wij alleen van onverenigbaarheid in de wortel. De ketterij snijdt de wortel en de grondslag van de jurisdictie af, dat wil zeggen het geloof en de toestand van lid van de Kerk. Maar zij elimineert ipso facto en noodzakelijk de jurisdictie zelf niet. Zoals een boom het leven nog enige tijd kan behouden nadat men zijn wortel heeft afgesneden, zo ook blijft in frequente gevallen de jurisdictie bestaan zelfs na de val in ketterij van degene die ze bezat.
Nochtans wordt de jurisdictie in de persoon van de ketter alleen bewaard op precaire titel, in staat van geweld en in de mate waarin een precieze en evidente reden, ingegeven door het welzijn van de Kerk of van de zielen, dat vereist. Zo wordt de positie geëlimineerd volgens welke in geen enkele hypothese de ketterse Paus zijn ambt zou verliezen derde mening opgesomd door de heilige Robertus Bellarminus; bovendien heeft deze positie andere gewichtige argumenten tegen zich ontleend aan de Traditie en aan de natuurlijke rede.
Als de Pontifex duurzaam het pontificaat zou kunnen behouden nadat hij publiekelijk ketter is geworden, zouden de gelovigen moreel verplicht zijn uiterlijk te gehoorzamen aan het hoofd zelf dat publiekelijk het voornaamste object van deze gehoorzaamheid vernietigt, namelijk het katholieke geloof. Een dergelijke gevolgtrekking lijkt onverenigbaar met het doel zelf van het kerkelijk gezag, dat is ingesteld om het geloof te bewaren en niet om het publiekelijk in gevaar te brengen.
2.3. De jurisdictie van de ketter
Reeds in de wortel afgesneden, blijft de jurisdictie van de ketter alleen bestaan in de mate waarin zij door anderen wordt ondersteund. Zo ondersteunt de Paus, voor het welzijn van de zielen en voor de bewaring van de juridische orde in de Kerk, de jurisdictie van de ketterse bisschop die nog niet is afgezet.
Als het de Soevereine Pontifex is die in ketterij valt, wie zal dan in hem de jurisdictie kunnen ondersteunen? De Kerk? Wij geloven het niet, want deze, beschouwd in tegenstelling tot de Paus, is hem niet superieur, en kan hem dus de jurisdictie niet ondersteunen. De Paus is niet onderworpen aan het kerkelijk recht. Jezus Christus? Ja, in de mate waarin het geoorloofd is Hem de intentie toe te schrijven om de jurisdictie in de persoon van de ketterse Pontifex te ondersteunen.
2.4. De centrale vraag
Hier stelt zich de centrale vraag: zijn er omstandigheden waarin men kan en moet zeggen dat Onze Heer heeft vastgesteld dat Hij, tenminste voor enige tijd, de jurisdictie van een eventueel ketterse Paus zou ondersteunen?
Er bestaat niets, in de Heilige Schrift en de Traditie, dat een zeker en definitief antwoord vormt op deze vraag. Aangezien wij hier niet alleen argumenten van waarschijnlijkheid zoeken, maar hoofdzakelijk redenen die een zekerheid rechtvaardigen, moeten wij onderzoeken of wij elders zekere elementen vinden om de gestelde vraag te beantwoorden.
Zoals evident is, kan men in theologische materie geen argumentatie bedenken die niet uitgaat van tenminste één geopenbaarde premisse. Wat wij dus zoeken is een minder belangrijke premisse, ontleend niet aan de Openbaring maar aan de natuurlijke rede, en die, verenigd met een geopenbaarde hoofdzakelijke premisse, een zekere oplossing verschaft voor de hierboven gestelde vraag.
Wij oordelen dat de adequate geopenbaarde hoofdzakelijke premisse van waaruit wij moeten vertrekken het dogma is volgens hetwelk de Kerk een zichtbare en volmaakte samenleving is. Als minder belangrijke premisse moeten wij het beginsel stellen, ontleend aan de natuur zelf, volgens hetwelk de feiten van het publieke en officiële leven van een zichtbare en volmaakte samenleving notoir en publiekelijk verspreid moeten zijn. Van daaruit zou men concluderen dat een eventuele afzetting van het hoofd van de Kerk geen juridisch voltrokken feit zou zijn zolang zij niet notoir en publiekelijk verspreid zou worden.
In scholastieke vorm zouden wij het volgende sorites kunnen opstellen:
De Kerk is een zichtbare en volmaakte samenleving.
Nu, de feiten van het officiële en publieke leven van een zichtbare en volmaakte samenleving worden juridisch voltrokken alleen wanneer zij notoir en publiekelijk verspreid zijn.
Nu, het verlies van het pontificaat is een feit van het publieke en officiële leven van de Kerk.
Dus, het verlies van het pontificaat wordt juridisch voltrokken alleen wanneer het notoir en publiekelijk verspreid is.
Een dergelijke conclusie, die voortvloeit uit een geopenbaarde waarheid en uit een voor de natuurlijke rede evidente premisse, drukt de zekere wil van Onze Heer uit. Het zou geen formeel geopenbaarde waarheid zijn, maar een virtueel geopenbaarde waarheid, een theologische conclusie.
Inderdaad, de tegengestelde hypothese zou ertoe leiden dat het voor de gelovigen onmogelijk wordt om met zekerheid te weten wie werkelijk het hoogste gezag in de Kerk bezit. Nu kan een zichtbare samenleving ingesteld door Onze Heer om alle mensen tot het heil te leiden niet duurzaam afhangen van een juridisch objectief onbepaalde toestand. Als het verlies van het Pontificaat zich zou kunnen voordoen vóór de afval in het geloof notoir en publiekelijk bekend is geworden, zou de identiteit zelf van het zichtbare hoofd van de Kerk dan afhangen van een feit dat occult is gebleven voor het merendeel van de gelovigen. De essentiële zichtbaarheid van de Kerk zou er ernstig door worden aangetast, aangezien het onmogelijk zou worden om objectief te bepalen wie werkelijk de hoogste jurisdictie bezit. Het is juist om deze zichtbaarheid te beschermen dat het verlies van het Pontificaat niet juridisch effectief kan worden vóór de ketterij notoir en publiekelijk verspreid is geworden.
De Heer Jezus Christus zelf zou dus de jurisdictie van de ketterse Paus ondersteunen tot het moment waarop zijn afval in het geloof notoir en publiekelijk verspreid zou worden.
Bijgevolg zouden alle jurisdictionele handelingen die de Paus tijdens deze periode verricht geldig zijn. Laten wij zelfs het geval veronderstellen waarin hij een dogmatische definitie zou uitspreken, onder de zuiver theoretische hypothese dat zo’n Pontifex nog alle vereiste voorwaarden voor een ex cathedra handeling vervulde vóór zijn afval notoir en publiekelijk verspreid zou worden,
zou deze onfeilbaar zijn. De Heilige Geest zou in zo’n hypothese door hem spreken zoals Hij door de ezelin van Bileam sprak.
Merk op dat de argumentatie waarvan wij ons bedienen niet dezelfde is als die van de heilige Robertus Bellarminus, overgenomen door Wernz-Vidal. Zij vertrekken van het beginsel dat hij die in geen enkele zin lid van de Kerk is, haar hoofd niet kan zijn. Zo’n argument lijkt ons waar, mits men er een clausule aan toevoegt volgens welke Onze Heer de jurisdictie van de ketterse Paus zou ondersteunen zolang zijn ketterij niet notoir en publiekelijk verspreid zou worden. Niettemin, zelfs zo geformuleerd, roept dit argument een andere, uiterst betwiste vraag op: het exacte moment waarop de ketter ophoudt lid van de Kerk te zijn. Volgens wat wij denken, welk dat moment ook moge zijn, de eventueel ketterse Paus zou effectief van het pontificaat vervallen alleen wanneer zijn afval in het geloof notoir en publiekelijk verspreid zou worden.
2.5. De noodzaak van een verklaring wordt uitgesloten
Naar onze mening elimineren de hierboven aangevoerde argumenten de meningen volgens welke de Paus het pontificaat zou verliezen op het moment dat hij in innerlijke ketterij, in occulte uiterlijke ketterij, en in uiterlijke manifeste ketterij maar niet notoir en publiekelijk verspreid zou vallen.
Er zouden nog twee posities overeind blijven: het ipso facto verlies door notoire en publiekelijk verspreide ketterij, en het verlies door verklaring.
Nu lijkt deze laatste onhoudbaar, omdat, zoals de heilige Robertus Bellarminus in zijn argumentatie tegen Cajetanus heeft aangetoond, zij niet samengaat met het beginsel volgens hetwelk de Paus door geen enkele mens kan worden geoordeeld.
2.6. Graad van bekendheid en van openbare verspreiding
Welke graad van bekendheid en van openbare verspreiding is noodzakelijk opdat de eventueel ketterse Paus als afgezet wordt beschouwd? In antwoord op deze vraag moeten wij aanvankelijk opmerken dat er een zekere graad van bekendheid en van openbare verspreiding zou zijn waarin, zonder enige twijfel, het verlies van het ambt zich zou hebben voorgedaan. Het probleem zou zich voordoen ja met betrekking tot het precieze moment waarop de afzetting zich zou voordoen. Wat dit bijzondere betreft, zou de gestelde vraag alleen volledig kunnen worden beantwoord in functie van de concrete omstandigheden. De begrippen notoir en publiekelijk verspreid lijken ons in theorie duidelijk; hun toepassing op de concrete orde zou het onderzoek van een zeer uitgebreide casuïstiek vereisen, waarvan het ons hier niet toekomt te behandelen.
Het volstaat, op dit moment, een opmerking te herinneren die wij hierboven hebben gemaakt: het is niet omdat deze mening in de praktijk grote verdeeldheden zou kunnen veroorzaken, dat men haar voor vals moet houden.
- Besluit, de 5de Mening is Gemeenschappelijke Leer van de Kerk in deze materie.
Samenvattend: wij geloven dat een zorgvuldig onderzoek van de kwestie van de ketterse Paus, met de theologische elementen waarover wij vandaag beschikken, toelaat te concluderen dat een eventueel ketterse Paus het ambt zou verliezen op het moment waarop zijn ketterij notoir en publiekelijk verspreid zou worden. En wij denken dat deze mening niet alleen intrinsiek waarschijnlijk is, maar zeker, vanaf het ogenblik dat de redenen die in haar voordeel kunnen worden aangevoerd ons absoluut doorslaggevend lijken. Bovendien hebben wij in de werken die wij hebben geraadpleegd geen enkel argument gevonden dat ons van het tegendeel zou overtuigen.
N.B.
Dus is de volgende gedachte fout: Hoe dan ook, andere meningen blijven extrinsiek waarschijnlijk, aangezien zij auteurs van gewicht in hun voordeel hebben. Daarom zou het in de orde van de concrete actie niet geoorloofd zijn een bepaalde positie in te nemen, zoekend om ze zonder meer op te leggen. Het is om deze reden dat wij, zoals wij aan het begin hebben gezegd, de specialisten in deze materie uitnodigen de kwestie opnieuw te bestuderen. Alleen zo zal het mogelijk zijn tot een algemene overeenstemming onder de theologen te komen, opdat een bepaalde mening als theologisch zeker kan worden geclassificeerd.
Waarom fout: omdat men een externe waarschijnlijkheid tegenover een interne waarschijnlijkheid stelt.
Inderdaad stelt prof. Da Silveira deze nota in zijn inleiding tot deel II van zijn werk: Een propositie of mening wordt waarschijnlijk genoemd wanneer zij redenen of motieven van zodanig gewicht in haar voordeel heeft, dat een voorzichtig persoon eraan kan toestemmen, niet op vaste wijze zoals in het geval van zekerheid, maar met vrees voor dwaling Noldin-Schmitt-Heinzel, Summa Theol. Mor., deel I, blz. 215, nr. 225.
De intrinsieke of interne waarschijnlijkheid is gegrond op redenen ontleend aan de aard zelf van de zaak; de extrinsieke of externe waarschijnlijkheid is rechtstreeks gebaseerd op de autoriteit van de geleerden idem, ibidem, blz. 215, nr. 226.
De externe waarschijnlijkheid per se veronderstelt de interne, dat wil zeggen veronderstelt dat de geleerden door interne redenen zijn geleid om de waarheid te omarmen idem, ibidem, blz. 215, nr. 226.
Aangenomen dat de externe waarschijnlijkheid wezenlijk op de interne is gebaseerd, is het niet geoorloofd een beroep te doen op de externe waarschijnlijkheid wanneer men weet dat de mening vals is en geen interne waarschijnlijkheid heeft om correct te zijn, zelfs als auteurs van grote naam haar verdedigen. De externe waarschijnlijkheid zonder interne waarschijnlijkheid kan alleen worden ingeroepen wanneer men een duistere materie behandelt, omhuld met moeilijkheden, en nog niet voldoende verduidelijkt door de auteurs idem, ibidem, blz. 225, nr. 238.
Noten
- Heilige Robertus Bellarminus: tekst die wij hierna citeren; Sylvius: ad II-II, q. 39, a. 1; Pietro Ballerini: tekst die wij citeren op bladzijden 27 tot 28; Wernz-Vidal: Ius Can., deel II, blz. 517 en volgende; Billot: tekst die wij citeren op blz. 7.
- Heilige Robertus Bellarminus, De Rom. Pont., liber II, caput 30, blz. 420.
- Pietro Ballerini, De Potestate Ecclesiastica…, blz. 104 tot 105.
- Wij geven deze onderverdeling aan in de opmerkingen bij positie B-II-2 van de synoptische tabel op blz. 6. Naar deze drietalige verdeling wordt bijvoorbeeld door Suárez in De Leg., liber IV, caput VII, nr. 6, blz. 360 verwezen.
- Notoria et palam divulgata – De uitdrukking is van Wernz-Vidal: Ius Can., deel II, blz. 517.
- Zoals wij reeds hebben opgemerkt, bestaat er echter geen absolute correspondentie tussen de positie ingenomen door elke auteur betreffende het moment waarop de ketter uit de Kerk wordt uitgesloten, en zijn mening over de kwestie van de ketterse Paus: zie blz. 16 tot 17.
- De Rom. Pont., liber II, caput 30. Zie ook De Ecclesia Militante, liber III, caput 4 tot 10.
- Wij zouden de grenzen van deze uiteenzetting overschrijden als wij zouden zoeken te analyseren hoe fluctuerend, zelfs bij de beste auteurs, de begrippen occult, manifest, publiek, notoir, enz. zijn. Wij citeren hier alleen enige bibliografie hierover: Cod. de Dir. Can., canon 2197; canon 2259, § 2; canon 2275, 1; Billot, Tract. de Eccl. Christi, deel II, blz. 617; Lercher, Instit. Theol. Dogm., deel I, blz. 233, nr. 407; Hervé, manuale Theol. Dogm., deel I, blz. 448; Sipos, Ench. Iuris Can., blz. 774, item a; blz. 810; blz. 833, item b; Salaverri, De Eccl. Christi, blz. 879, nr. 1047; Miguélez-Alonso-Cabreros, Cod. de Der. Can., commentaar bij canon 2197.
- Zie vooral de citaten die wij van Suárez hebben gemaakt op blz. 21 en volgende en Bouix op blz. 18 en volgende.
- Zie blz. 8 en volgende. De Traditie in ruime zin, waarop wij ons beroepen, omvat zowel de goddelijke als de kerkelijke Traditie. Wij kennen haar door de conciliaire akten, de pauselijke documenten, de patristische geschriften, de werken van theologen, enz. zie Pesch, Praelect. Dogm., tomus I, nn. 564, 571.
- Zie de teksten van de heilige Robertus Bellarminus en Suárez die wij respectievelijk transcribiëren op blz. 24 en volgende en 16 tot 17.
- Over het moment waarop de ketter ophoudt lid van de Kerk te zijn, zie blz. 17, nota 2.
- Zie de redenen aangevoerd door Suárez, door ons gereproduceerd op blz. 16 tot 17.
- Canon 2264. Dit canon alleen zou volstaan om aan te tonen dat de teksten van de Kerkvaders betreffende de onverenigbaarheid tussen ketterij en jurisdictie niet kunnen worden verstaan in de zin van een absolute en alomvattende onverenigbaarheid.
- Canon 882. Bij gebrek aan een andere priester kunnen ook de anderen de andere sacramenten en sacramentalia toedienen aan personen in levensgevaar: canon 2261, § 3.
- Zie Hervé, Man. Theol. Dogm., deel I, blz. 449, nr. 453, nota 1, en de daar aangegeven bibliografie.
- Zoals Suárez zegt in de tekst geciteerd op blz. 45 en volgende, is in dit geval de ketterse Paus geen lid van de Kerk wat de substantie en de vorm betreft die de leden van de Kerk constitueren, maar is hij hoofd wat het ambt en de handeling betreft.
- Zie blz. 16 tot 17, 20, 27 en volgende.
- Normaal zegt men dat, in bepaalde door het Recht voorziene gevallen, de jurisdictie van wie ze niet heeft wordt gesuppleerd door de Paus of door de Kerk. In hypothese van gemeenschappelijke dwaling bijvoorbeeld suppleert de Kerk de niet-bestaande jurisdictie, overeenkomstig canon 209. Niettemin, volgens wat de auteurs leren, bestaat de gesuppleerde jurisdictie alleen als actus, niet als habitus Lehmkuhl, Theologia Moralis, deel II, blz. 281, nr. 387; Wernz-Vidal, Ius Can., deel II, blz. 439; Vermeersch-Creusen, Epit. Iuris Can., deel I, blz. 278. Nu, in de hypothese die wij beschouwen, zou de jurisdictie bestaan als habitus, en niet alleen als actus. Het is ons niet bekend dat er een technische term bestaat die een dergelijke juridische situatie aanduidt. Gegeven dit, zeggen wij dat de jurisdictie dan in de persoon van de ketter wordt ondersteund.
- Sommige auteurs, vooral oude, hebben niet overwogen dat de jurisdictie in de ketter kan worden ondersteund, met het oog op een eminent belang van de zielen of van de Kerk. Daarom lijkt zelfs de heilige Robertus Bellarminus, zoals wij hebben aangegeven in nota 1 van blz. 25, de mogelijkheid van de bestendigheid van de jurisdictie in de manifeste ketter te ontkennen – bestendigheid die de praktijk van de Kerk in de laatste eeuwen, vooral in relatie tot ketterse bisschoppen die nog niet zijn afgezet, verplicht als legitiem te erkennen.
- Zie: Denz.-Umb, systematische index, item Ia; Denz.-Sch., systematische index, item G4a.
- Wij geloven dat deze minder belangrijke premisse demonstratie ontslaat, maar enige uitleg vereist.
Zij ontslaat demonstratie omdat men zich niet zou kunnen voorstellen dat het publieke en officiële leven van een zichtbare en volmaakte samenleving zich ontwikkelt door occulte feiten. Suárez legt dit beginsel uit in een tekst die wij reproduceren op blz. 16 tot 17. En Domingo Soto gebruikt een bijzonder gelukkige uitdrukking door te zeggen dat, als er afzettingen van prelaten zouden zijn om redenen die uiterlijk niet vaststelbaar zijn, alle jurisdicties ambigu en verward zouden worden omnes jurisdictiones versarentur in ambiguo et in confuso – Comment. in IV Sent., dist. 22, q. 2, a. 2, blz. 1022. Om analoge reden zeggen de auteurs dat de pauselijke abdicatie alleen wordt voltrokken op het moment waarop zij aan de Kerk wordt meegedeeld zie Coronata, Instit. Iuris Can., deel I, blz. 366.
Enkele noodzakelijke uitleg (letterlijk overgenomen uit het boek van prof. da Silveira):
1 Wij hebben reeds opgemerkt nota 2 van blz. 29 (in het boek van prof. da S.) dat het begrip bekendheid in het canonieke recht geen volledig gedefinieerde zin heeft. Wij verstaan hier onder notoir wat van rechtswege en feitelijk aan alle voorwaarden voldoet opdat het door alle onderdanen met zekerheid en zonder grote moeite kan worden gekend.
2 Wij verstaan onder publiekelijk verspreid wat feitelijk reeds tot de kennis van het grote publiek is gekomen, of tenminste van een aantal personen dat voldoende is opdat het proces van zijn verspreiding naar het grote publiek reeds onomkeerbaar is geworden.
3 De uitdrukking notoir en publiekelijk verspreid vindt men bij Wernz-Vidal, zoals wij reeds hebben aangegeven in nota 3 van blz. 28.
- Zie nota 1 van blz. 7. In dezelfde zin spreekt Laymann, Theol. Mor., liber II, tract. I, caput VII, nr. 1, blz. 146.
- Zie blz. 24 en volgende en 29.
- Zie blz. 16 tot 17.
- Tweede mening verwezen door de heilige Robertus Bellarminus. Zie blz. 16 en volgende.
- Eerste onderverdeling door ons voorgesteld bij de vijfde mening verwezen door de heilige Robertus Bellarminus. Zie blz. 28.
- Tweede onderverdeling door ons voorgesteld bij de vijfde mening. Zie blz. 28.
- Derde onderverdeling door ons voorgesteld bij de vijfde mening. Zie blz. 28.
- Vierde mening verwezen door de heilige Robertus Bellarminus. Zie blz. 21 en volgende.
- Wij transcribiëren deze lange argumentatie op blz. 24 en volgende. Zie ook nota 2 van blz. 23.
- Men moet daar geen verdenking van conciliarisme in zien, dat wel, in het beginsel volgens hetwelk kerkelijke organismen, zoals het Concilie, een verklarende uitspraak kunnen doen over een eventuele beëindiging van functies van een ketterse Paus, mits deze organismen niet pretenderen een ander recht te hebben dan dat welke elke gelovige geniet. Om redenen van loutere gepastheid en hoffelijkheid zou aan deze organismen in de eerste plaats kunnen toekomen om zo’n verklaring te doen; maar deze prioriteit zou voor hen geen eigen recht uitmaken, en nog minder een exclusief recht.
Merk op dat de begrippen notoir en publiekelijk verspreid ons in theorie niet duidelijk lijken; hun toepassing op de concrete orde zou het onderzoek van een zeer uitgebreide casuïstiek vereisen, waarvan het ons hier niet toekomt te behandelen.
- Zie blz. 29, nota 2.