3. Commonitorium toont de Leer

Commonitorium van Sint Vincentius van Lerins

Instrument van Kennis van de Geloofsschat

– Zijn Relatie met de Regels van het Geloof

 

Inhoudsopgave:

 

Inleiding  

  1. Het Commonitorium: context en algemene inhoud  
  2. De regels van het geloof volgens Sint Vincentius  
  3. Het trinitarische criterium: quod ubique, quod semper, quod ab omnibus  
  4. Dit criterium als instrument tot onderscheiding van het onfeilbare  
  5. Verbanden met de leer van de onfeilbaarheid volgenshet Eerste VaticaansConcilie  

Besluit  

Bronnen

 

 

 

Inleiding

 

In trouw aan de katholieke leer zoals die werd overgeleverd door de heilige Vaders en bevestigd door de oecumenische concilies tot in de twintigste eeuw, is het passend om met zorg de geschriften te onderzoeken die licht werpen op de regels van het geloof en op de middelen waardoor de Kerk de onfeilbare waarheid onderscheidt.

 

Onder deze geschriften neemt het Commonitorium van Sint Vincentius van Lérins († omstreeks 450) een vooraanstaande plaats in. Rond 434 opgesteld, is dit betoog, vaak aangeduid als een “hulpmiddel voor het geheugen” of “waarschuwer”, bedoeld om de gelovigen te sterken tegen ketterse nieuwigheden door de onveranderlijke criteria van de katholieke Overlevering in herinnering te brengen.

 

Deze studie wil het Commonitorium onderzoeken in zijn relatie met de regels van het geloof, en in het bijzonder met het begrip onfeilbaarheid. De nadruk ligt vooral op de gedachte dat het bekende drievoudige criterium

 

“quod ubique, quod semper, quod ab omnibus” (wat overal, altijd en door allen geloofd is)

 

een kostbaar werktuig vormt om te onderscheiden wat tot de onfeilbare leer van de Kerk behoort.

 

De diepste grondslag van dit werktuig van onfeilbaarheid is de belofte van Onze Heer Jezus Christus: “de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen” (Matteüs 16, 18). Zo kan de gehele Kerk van vroeger, van heden en van overal, indien zij hetzelfde leert of gelooft, niet dwalen, want anders zou de belofte van de Heer geen kracht hebben, wat onmogelijk is.

 

  1. Het Commonitorium: Context en Algemene Inhoud

 

Sint Vincentius van Lérins, een Provençaals monnik en godsgeleerde, schreef zijn Commonitorium primum (het tweede is apocrief) in de context van de christologische twisten van de vijfde eeuw, gekenmerkt door het nestorianisme en andere dwalingen. Teruggetrokken op het eiland Lérins, stelde hij dit werk op als persoonlijk geheugensteuntje, maar bestemd voor de stichting van de Kerk. De volledige titel luidt Commonitorium adversus profanas omnium haereticorum novitates (Waarschuwing tegen de profane nieuwigheden van alle ketters), wat het anti-ketterse doel onderstreept. Na publicatie werd het vrij snel door de andere Kerkvaders erkend als een uitdrukking van hun gemeenschappelijke leer.

 

Het betoog is verdeeld in drieëndertig hoofdstukken. Na een inleiding (hoofdstuk 1) waarin de auteur de Schrift aanhaalt om zijn onderneming te rechtvaardigen – “Interrogate patres vestros, et narrabunt vobis” (Deuteronomium 32, 7) (Vraagt uw vaders, en zij zullen het u vertellen) –, stelt hij een algemene regel voor om de katholieke waarheid van de dwaling te onderscheiden (hoofdstuk 2-3). De volgende hoofdstukken passen deze regel toe op bepaalde ketterijen, met de nadruk op het gezag van de concilies en de Vaders. Sint Vincentius besluit met een aansporing tot volharding in de Overlevering (hoofdstuk 28).

 

Het Commonitorium is geen systematisch betoog, maar een praktische leidraad. Het past in de logica van het verstand dat door het geloof wordt verlicht: zoals Sint Thomas van Aquino later zou leren in de Summa Theologica (II-II, q. 1, a. 9), berust het katholieke geloof op een goddelijke geloofsschat die volledig bewaard moet worden, zonder vernieuwing. Deze tekst werd hoog aangeschreven door katholieke godsgeleerden, zoals blijkt uit de opname in patristische verzamelingen en haar leerstellige invloed tijdens de voorbereidingen van het Concilie van Trente (bij Sessie IV, 1546), waar haar beginselen over de Overlevering het decreet over de bronnen van de Openbaring verhelderen.

 

  1. De Regels van het Geloof volgens Sint Vincentius

 

Sint Vincentius onderscheidt twee voornaamste bronnen om het geloof te sterken: het gezag van de goddelijke Wet (de Schrift) en de Overlevering van de katholieke Kerk (hoofdstuk 2, n. 4-5). Hij erkent dat de Schrift, hoewel volmaakt, aan verschillende uitleg onderhevig is – zoals blijkt uit de ketterijen van Novatianus, Sabellius, Arius of Nestorius –, en hij benadrukt de noodzaak van een interpretatielijn die overeenstemt met het kerkelijk en katholiek verstand: “Propheticae et apostolicae interpretationis linea secundum Ecclesiastici et Catholici sensus normam dirigatur” (hoofdstuk 2, n. 5) (De lijn van de profetische en apostolische uitleg moet gericht worden volgens de norm van het kerkelijk en katholiek verstand).

 

Deze regel komt overeen met de “regels van het geloof” (regulae fidei) van de vroegere Vaders, zoals bij Ireneüs van Lyon (Adversus haereses, I, 10, 1) of Tertullianus (De praescriptione haereticorum, 13). Bij Sint Vincentius komt zij tot haar hoogtepunt in het criterium van katholiciteit: wat waar is, is wat universeel, oud en eenstemmig beleden wordt door allen.

 

Deze drie kenmerken:

 

– universaliteit, oudheid, eenstemmigheid –

 

vormen een ondeelbaar geheel dat de trouw aan de apostolische geloofsschat waarborgt. Zoals het Concilie van Trente preciseert: “nec non traditiones ipsas, oraliter quidem a Christo, aut a Spiritu Sancto dictatas, atque ab Ecclesia […] cum pari pietatis affectu ac reverentia suscipiendas esse decernimus” (Sessie IV, 1546; Denzinger-Schönmetzer [DS] 1501) ([het Concilie] besluit dat ook die overleveringen zelf, hetzij mondeling door Christus of door de Heilige Geest meegedeeld, en in de Kerk bewaard […], met een gelijk gevoel van vroomheid en eerbied moeten worden aangenomen).

 

Zo zijn de regels van het geloof niet willekeurig, maar objectief: zij meten de overeenstemming met de levende Overlevering van de Kerk, het mystieke Lichaam van Christus.

 

III. Het Drievoudige Criterium: Quod Ubique, Quod Semper, Quod Ab Omnibus

 

De kern van het Commonitorium ligt in hoofdstuk 2, n. 5, waar Sint Vincentius het drievoudige criterium verwoordt:

 

“In ipsa item Catholica Ecclesia magnopere curandum est ut id teneamus quod ubique, quod semper, quod ab omnibus creditum est. Hoc est etenim vere proprieque catholicum, quod ipsa vis nominis ratioque declarat, quae omnia fere universaliter comprehendit. Sed hoc ita demum fiet, si sequamur universitatem, antiquitatem, consensionem.”

 

Vertaling: “Eveneens moet men in de katholieke Kerk zelf er zeer zorgvuldig voor waken dat wij vasthouden aan wat overal, altijd en door allen geloofd is. Want dit is werkelijk en eigenlijkerwijs katholiek, zoals de kracht van de naam zelf en de rede van de zaak verklaren, die bijna alles universeel omvat. Dit zal echter slechts zo gebeuren als wij de universaliteit, de oudheid en de eenstemmigheid volgen.”

 

– Quod ubique (wat overal geloofd wordt): Geografische en tijdelijke universaliteit. Het ware geloof strekt zich uit over de gehele Kerk, zonder plaatselijke uitzondering. Sint Vincentius illustreert dit in hoofdstuk 3: tegenover een “klein deel” dat schismatiek is, verkiest men “de gezondheid van het gehele lichaam boven de kanker van een bedorven lidmaat” (hoofdstuk 3, n. 7).

 

– Quod semper (wat altijd geloofd wordt): Oudheid. Elke vernieuwing is verdacht, want “de oudheid kan door geen bedrog van nieuwigheid misleid worden” (hoofdstuk 3, n. 7). Dit sluit recente leerstellingen uit die niet geworteld zijn in het apostolisch verleden. Legitieme homogene ontwikkeling van het dogma is toegestaan en gewenst, maar vormt geen echte vernieuwing. Commonitorium primum, hoofdstuk 23: “ut annis scilicet consolidetur, dilatetur tempore, sublimetur aetate” (opdat het met de jaren verstevigd, met de tijd uitgebreid en met de leeftijd verheven worde). Sint Vincentius legt de legitieme ontwikkeling van het katholieke dogma uit: het moet met de jaren verstevigd worden, met de tijd uitgebreid en met de leeftijd verheven, maar steeds “in eodem scilicet dogmate, eodem sensu eademque sententia” (in hetzelfde dogma, in dezelfde zin en in hetzelfde oordeel). Het is een organische groei, gelijkend op die van een levend organisme, zonder ooit de zin of de substantie van het door de Apostelen overgeleverde geloof te veranderen.

In de huidige crisis dient dit criterium er vooral toe om alle nieuwigheden na 1964 radicaal te verwerpen, zonder enige toegeving aan een “ontwikkeling” waarvan de modernisten misbruik maken.

 

– Quod ab omnibus (wat door allen geloofd wordt): Eénstemmigheid. Niet een zuiver subjectieve eensgezindheid, maar de overeenstemming van de leraren en concilies, “openlijk, veelvuldig, standvastig” (hoofdstuk 3, n. 4). Eén enkele Vader of een afdwalende provincie brengt geen instemming mee.

 

Dit drieluik is geen retorische formule, maar een logische norm: het past het thomistische beginsel toe van de zekerheid door oorzaken, waarbij de evidentie voortvloeit uit de door de Heilige Geest bijgestane goddelijke eenstemmigheid.

 

  1. Dit Criterium als Werktuig om het Onfeilbare te Onderscheiden

 

De centrale gedachte is de volgende: het “quod ubique, quod semper, quod ab omnibus” (wat overal, altijd en door allen geloofd is) is een praktisch werktuig om te weten wat onfeilbaar is, dat wil zeggen beschermd door de bijstand van de Heilige Geest tegen elke dwaling in zaken van geloof en zeden. Onfeilbaarheid is geen abstract voorrecht, maar een concrete genade in dienst van de geloofsschat (1 Timoteüs 6, 20), die door dit criterium onderscheiden kan worden.

 

Sint Vincentius stelt het eerst voor als een bolwerk tegen de dwaling: “Quid faciet catholicus Christianus, si pars Ecclesiae a communione universae fidei se absciderit?” (hoofdstuk 3, n. 1) (Wat zal de katholieke christen doen als een deel van de Kerk zich afsnijdt van de gemeenschap van het universele geloof?). Hij antwoordt: zich houden aan de eenstemmigheid, want het onfeilbare is datgene wat de Kerk in één lichaam verenigt (1 Korintiërs 12, 12-27). Theologisch sluit dit aan bij de definitie van het Eerste Vaticaans Concilie (1870): de Kerk is onfeilbaar in haar gewoon en universeel Magisterium door de instemming van de bisschoppen in gemeenschap met de Paus die de apostolische leer op eenstemmige wijze onderwijst of goedkeurt, zie Pius IX, Tuas libenter, 21 december 1863; DS 2875-2888, enz.

 

  1. Verbanden met de Leer van de Onfeilbaarheid zoals Gedefinieerd op het Eerste Vaticaans Concilie

 

Het Eerste Vaticaans Concilie (1870) integreert het Commonitorium volledig. In Pastor aeternus (hoofdstuk 4; DS 3073-3074) leest men:

 

“Fideli igitur Traditioni a Christianae fidei exordio receptae inhærentes, ad Dei Salvatoris gloriam, catholicae religionis exaltationem, atque Christianorum gentium salutem, sacro probante Concilio docemus et divinitus revelatum dogma definimus : Romanum Pontificem, cum ex cathedra loquitur, idest cum munere suo tamquam Pastoris et Doctoris universorum Christianorum implet, vi supremi apostolicae auctoritatis in fidem et mores doctrine definitae pro universa Ecclesia obligandi viro, per assistentiam divinam ipsi in beato Petro promissam, ea infallibilitate pollere qua divinus Redemptor Ecclesiam suam in definienda doctrina de fide vel moribus instructam esse voluit.”

 

Vertaling: “Daarom, trouw vasthoudend aan de Overlevering die vanaf het begin van het christelijk geloof ontvangen is, voor de glorie van God onze Verlosser, voor de verheffing van de katholieke godsdienst en het heil van de christenvolkeren, met goedkeuring van het heilig Concilie, leren en definiëren wij als een goddelijk geopenbaard dogma dat de Romeinse Paus, wanneer hij ex cathedra spreekt, dat wil zeggen wanneer hij in de uitoefening van zijn ambt als herder en leraar van alle christenen, krachtens zijn hoogste apostolische gezag een leer over geloof of zeden definieert die door de universele Kerk moet worden aangehouden, door de goddelijke bijstand die hem in de zalige Petrus beloofd is, die onfeilbaarheid bezit waarmee de goddelijke Verlosser gewild heeft dat Zijn Kerk bekleed zou zijn bij het definiëren van een leer over geloof of zeden.”

 

Hier staat de pauselijke onfeilbaarheid in dienst van de Overlevering: de Paus openbaart geen “nieuwe leer”, maar “religiosum custodiant et fideliter exponant revelationem seu depositum fidei” (DS 3070) (zij moeten de goddelijke openbaring of de geloofsschat godsdienstig bewaren en trouw uiteenzetten), een directe echo van Vincentius. De eenstemmigheid van de Vaders – aangeroepen in Pastor aeternus (DS 3050-3055) – is het vincentiaanse criterium in toepassing.

 

Zo voltooit het Eerste Vaticaans Concilie wat Vincentius begon: de onfeilbaarheid is de goddelijke waarborg van de traditionele eenstemmigheid, die onderscheiden kan worden door quod ubique, quod semper, quod ab omnibus (wat overal, altijd en door allen geloofd is).

 

Besluit

 

Het Commonitorium van Sint Vincentius van Lérins blijft een baken voor de katholieke Kerk en leert dat de regels van het geloof bevestigd worden door universaliteit, oudheid en eenstemmigheid. Zijn drievoudige criterium is een verstandige regel en een zeker werktuig om het onfeilbare te herkennen: wat overal, altijd en door allen geloofd is, draagt het kenmerk van de Heilige Geest. In deze tijden waarin nieuwigheden dreigen, herinneren wij ons met Sint Vincentius: “Adhaerebit antiquitati, quae hodie plane non potest fraudi novitatis seduci” (hoofdstuk 22) (Hij zal zich aan de oudheid hechten, die heden niet door enig bedrog van nieuwigheid misleid kan worden).

 

Alles wat na 1964 afwijkt van “quod ubique, quod semper, quod ab omnibus” (wat overal, altijd en door allen geloofd is) moet als nieuwigheid verworpen worden.

 

Moge deze studie de zielen sterken in het zekere en onveranderlijke geloof van onze Vaderen.

 

Belangrijkste Verwijzingen:

 

– S. Vincentius van Lérins, Commonitorium, tekst gebaseerd op de kritische uitgave (PL 50, 637-686).

– Eerste Vaticaans Concilie, Pastor aeternus, in H. Denzinger-A. Schönmetzer, Enchiridion symbolorum, n° 3001-3075 (uitgave 1967).

– J. B. Franzelin, Over de goddelijke overlevering en de Schrift, Rome, 1882.

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*