08 Jurisdictie

Jurisdictie

In het algemeen en in de Kerk

 

Inhoudsopgave:

 

  1. Aard van de jurisdictie  

1.1. Kerkelijke samenleving en macht om te gebieden  

1.2. Bijzondere autoriteit voor de waarheid en de genade  

1.3. Drievoudige macht: orde, magisterium, jurisdictie  

1.4. Etymologie en definitie  

1.5. Verschil met het Romeinse burgerlijk recht; verdelingen in rechterlijke en extrarechterlijke  

 

  1. Bestaan van deze macht in de Kerk  

2.1. In de Heilige Schrift  

2.2. In de Traditie  

 

  1. De verdelingen van de kerkelijke jurisdictie  

3.1. Naar reden van het forum  

3.1.1. Jurisdictie in het intern forum (sacramenteel en extrasacramenteel)  

3.1.2. Jurisdictie in het extern forum  

3.2. Naar reden van haar uitbreiding  

3.2.1. Universele jurisdictie  

3.2.2. Particuliere jurisdictie  

3.3. Naar reden van de titel waarop zij wordt verleend  

3.3.1. Gewone jurisdictie  

3.3.1.1. Hoe wordt de gewone jurisdictie verkregen?  

3.3.1.1.1. De verkiezing  

3.3.1.1.2. De postulatie  

3.3.1.1.3. De collatie  

3.3.1.1.4. De instelling (en patronaatsrecht)  

3.3.1.2. Hoe kan de gewone jurisdictie worden beperkt?  

3.3.1.2.1. De exemptie  

3.3.1.2.2. De reservatie  

3.3.1.2.3. Het appel  

3.3.1.3. Hoe gaat de gewone jurisdictie verloren?  

3.3.1.3.1. De afstand  

3.3.1.3.2. De overplaatsing  

3.3.1.3.3. De ontneming  

3.3.2. Quasi-gewone jurisdictie  

3.3.3. Gedelegeerde jurisdictie  

 

  1. Onderwerp van de macht van jurisdictie  

4.1. De clerikale staat  

4.2. De graad in de hiërarchie  

4.3. De leeftijd, de eerlijkheid der zeden, de voldoende wetenschap  

4.4. De waardigste  

 

  1. Voorwerp of materie van de macht van jurisdictie in de Kerk  

5.1. Onderscheid tussen het extern forum en het intern forum  

5.2. Voorwerp van de jurisdictie in het extern forum  

5.2.1. Wetgevende macht van de Kerk  

5.2.2. Rechterlijke macht – Geschiedenis en bevoegdheid  

5.2.3. Dwingende macht  

 

  1. Bron en uitbreiding van dezezelfde macht  

6.1. Volheid in de paus  

6.2. Bisschoppelijke jurisdictie afdalend van de paus  

6.3. Eigen macht der bisschoppen  

6.3.1. Stelling van de vraag  

6.3.2. De bisschoppen opvolgers der Apostelen  

6.3.3. De universele zending van het apostolisch college  

6.3.4. De primaat van de heilige Petrus  

6.3.5. De andere Apostelen ontvingen eveneens een ware autoriteit  

6.3.6. De bisschoppen zijn ware herders  

6.3.7. De eigen gewone jurisdictie der bisschoppen  

6.3.8. De theologische scholen betreffende de oorsprong van de bisschoppelijke jurisdictie  

6.3.9. Het bisschoppelijk lichaam en de universele Kerk  

6.3.10. Het bisschoppelijk lichaam en de instandhouding van de Kerk  

6.3.11. Onderscheid tussen de Apostelen en de bisschoppen  

6.3.12. Besluit  

6.4. Andere graden van kerkelijke instelling  

 

  1. De jurisdictie van suppléance  

7.1. Definitie en fundamenten  

7.2. Mechanisme en voorwaarden van de jurisdictie van suppléance  

7.2.1. De gemeenschappelijke dwaling  

7.2.1.1. Definitie en kenmerken  

7.2.1.2. Illustratie door een concreet voorbeeld  

7.2.1.3. Onderscheid met de individuele dwaling  

7.2.1.4. Grenzen  

7.2.2. De positieve en waarschijnlijke twijfel  

7.2.2.1. Definitie en aard  

7.2.2.2. Illustratie door een concreet voorbeeld  

7.2.2.3. Onderscheid met de negatieve twijfel  

7.2.2.4. Toepassing in periode van vervolging  

7.2.3. De automatische werking van de suppléance  

7.2.3.1. Verklaring van het begrip  

7.2.3.2. Praktische implicaties  

7.2.3.3. Bereik in het intern en extern forum  

7.2.4. Essentiële onderscheidingen en nuances  

7.2.5. Historische voorbeelden en praktische gevallen  

7.2.6. Theologische en pastorale implicaties  

7.2.7. Drie theologische implicaties  

 

  1. Besluit  

 

Bronnen:  

  1. Theologen  
  2. Canonisten

 

 

 

 

  1. Aard van de jurisdictie

 

1.1. Kerkelijke samenleving en macht om te gebieden

 

De kerkelijke samenleving gelijkt ten dele op de burgerlijke samenleving maar onderscheidt zich er ook ten dele van. Zoals de burgerlijke samenleving stelt de kerkelijke samenleving zich een doel voor dat haar leden moeten bereiken door gemeenschappelijke middelen; maar, terwijl voor de eerste het doel zuiver natuurlijk is, behoort het in de tweede tot een hogere orde die de krachten der natuur niet kunnen bereiken en waar de directe invloed van een bovennatuurlijk agent nodig is die niemand anders is dan God.

 

De macht om te gebieden, wezenlijk voor elke samenleving, bevindt zich noodzakelijkerwijs in de kerkelijke samenleving die de Kerk is.

 

Wij weten dat het voornaamste element in een samenleving, datgene wat haar aard of wezen bepaalt, het doel is dat zij zich voorstelt te bereiken, maar het volledige doel en niet het gedeeltelijke.

Anderzijds kan een samenleving niet bestaan noch zelfs worden gedacht als er geen moderator in voorkomt om het evenwicht te bewaren tussen de individuele willen, hun diverse neigingen terug te brengen en ze door hun harmonie te doen samenwerken tot de gemeenschappelijke eenheid.

Vandaar de noodzaak om in de samenleving een macht te vinden die aan de menigte gebiedt, haar leidt en desnoods dwingt, zodat de sociale groepering haar eigen doel kan bereiken. Deze macht om te gebieden, wezenlijk voor elke samenleving, bevindt zich in de Kerk op dezelfde titel als in elke volmaakte samenleving, aangezien zij zelf een volmaakte samenleving is, zoals elders afdoende wordt bewezen.

 

1.2. Bijzondere autoriteit voor de waarheid en de genade

 

Nochtans is deze autoriteit van een heel andere aard, en dat komt door de bijzondere toestand van deze samenleving. De Kerk heeft immers een bovennatuurlijk doel en om het te bereiken moet zij niet alleen de sociale krachten van haar leden leiden en regelen, maar ook beginselen toepassen die hun activiteit toelaten zich uit te oefenen op een wijze die conform en evenredig is aan de grootheid van het doel dat zij nastreven.

 

Deze beginselen komen neer op twee, die de waarheid en de genade zijn:

– de bovennatuurlijke waarheid gegeven door de openbaring en die men moet vasthouden door het geloof,

– de genade die, ons verheffend tot de deelname aan de goddelijke natuur, ons bekwaam maakt om te handelen in de orde van ons bovennatuurlijk doel dat het eeuwige leven is.

 

Wij danken beide aan het vleesgeworden Woord, van wie geschreven staat:

«Et Verbum caro factum est et habitavit in nobis… plenum gratiae et veritatis et de plenitudine ejus nos omnes accepimus» (En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond… vol van genade en waarheid, en uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen);

 

en verder: «Lex per Moysen data est, gratia et veritas per Jesum Christum facta est» (De Wet is gegeven door Mozes, de genade en de waarheid zijn gekomen door Jezus Christus). Joh. 1, 14.16-17.

 

Het is om de bediening van de waarheid en de genade te verzekeren dat Christus zelf de apostolische hiërarchie heeft ingesteld: «Dat de mensen ons beschouwen als dienaars van Christus en bedienaren van de geheimenissen van God», zegt de heilige Paulus. 1 Kor. 4,1; de geheimenissen van God, namelijk: de sacramenten of zintuiglijke tekenen ingesteld voor onze heiliging, en de geopenbaarde dogma’s die het geloof ons verplicht te geloven.

 

Daarom moet er in het rijk van Christus, naast de macht om de daden van de onderdanen gebiedend te besturen, een bijzonder macht zijn om de bovennatuurlijke middelen te bedienen die God ter beschikking van de Kerk heeft gesteld.

 

1.3. Drievoudige macht

 

Deze macht van bediening zelf splitst zich in twee naargelang men beschouwt, enerzijds de bediening van de heilige dingen geordend om genade voort te brengen, anderzijds de authentieke voorstelling, met ondersteunende definities, van de geopenbaarde waarheden.

 

– In het eerste geval hebben wij de macht van orde die wordt herinnerd door deze woorden van Christus tot het apostolisch college: «Baptizantes eos in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti» (Doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest), Mt. 28,19; «Hoc facite in meam commemorationem» (Doet dit tot mijn gedachtenis), 1 Kor. 11,25.

 

– Het tweede geval geeft ons de macht van magisterium die Onze Heer kort voor zijn hemelvaart aan zijn apostelen verleent: «Praedicate evangelium omni creaturae» (Predikt het Evangelie aan heel de schepping), Mc. 16,15; «Euntes docete omnes gentes… docentes eos servare omnia quaecumque mandavi vobis» (Gaat dus en onderwijst alle volkeren… hen lerend alles te onderhouden wat Ik u heb opgedragen), Mt. 28,19-20.

 

Er is dus in de Kerk een drievoudige macht: de macht van orde, de macht van magisterium en de macht van jurisdictie, waarbij deze laatste slechts de macht is om de daden van de onderdanen gebiedend te besturen.

 

1.4. Etymologie en definitie

 

«Als men zich houdt», zegt Sanguinetti, «aan de etymologie van het woord, betekent jurisdictie, van ‘jus dicere’, ‘het recht zeggen’, de macht om een wet uit te vaardigen, en onder wet verstaat men alles wat betrekking heeft op het bestuur of de leiding van een ander. Maar aangezien een wet slechts kan worden uitgevaardigd door wie een wettige autoriteit geniet, volgt daaruit dat de macht van jurisdictie een openbaar of sociaal macht moet zijn.

 

Vandaar deze definitie van de macht van jurisdictie gegeven door een groot aantal auteurs:

«Potestas publica circa aliorum regimen seu gubernationem.»

(De openbare macht betreft de leiding of het bestuur van anderen.)

Juris ecclesiastici institutiones, Rome, 1890, p. 214.

 

Wij hebben iets hoger gesproken over de macht van magisterium.

Deze macht, concreet beschouwd, voor zover onscheidbaar verbonden met de macht om de gehoorzaamheid van het geloof te gebieden, onderscheidt zich niet adequaat van de macht van jurisdictie, en daarom erkent het gemeenschappelijke gebruik slechts deze twee grote verdelingen van de kerkelijke macht, namelijk de macht van orde en de macht van jurisdictie.

 

Kardinaal Louis Billot S.J., “De Ecclesia Christi”, Tomus I, Pars II, Caput II, Quaestio VII, §2:

“— Quod potestas magisterii, si spectetur in concreto prout inseparabiliter annexum habet insuperandi subditis oboedientiam fidei, ab ipsa potestate iurisdictionis adaequate non distinguitur. Et quod hac de causa usu satis communi recepta est bimembris divisio potestatis ecclesiasticae in potestatem ordinis et potestatem iurisdictionis (p. 335-337)”

Vertaald: “§ 2. — Dat de macht van het magisterium, concreet beschouwd voor zover zij onscheidbaar het vermogen heeft om de onderdanen de gehoorzaamheid van het geloof op te leggen, zich niet adequaat onderscheidt van de macht van jurisdictie zelf. En dat daarom, door een vrij algemeen ontvangen gebruik, de tweedelige verdeling van de kerkelijke macht in macht van orde en macht van jurisdictie wordt aangenomen.”

 

1.5. Verschil met het Romeinse burgerlijk recht

 

In zijn verhandeling over de “Beginselen van het Canoniek Recht” toont Bouix het verschil aan dat bestaat tussen de opvatting van de macht van jurisdictie in het Romeinse burgerlijk recht en in het kerkelijk recht. Hier is een van de voorwerpen merkbaar uitgebreider: het omvat het magisterium en omvat alles wat niet van de macht van orde is. Bouix detailleert dit voorwerp met evenveel juistheid als zorg.

 

«Het woord jurisdictie komt dus van “jus dicere”.

In het Romeinse recht werd dit woord genomen in een heel strenge zin. De oude rechtsgeleerden onderscheidden immers in de Staat een viervoudige macht: de hoogste potestas (majestas), de macht van bestuur (imperium), de jurisdictie en de competentie (notio). Zij noemden majestas het hoogste recht, bron van alle andere.

– Deze majestas openbaarde zich vooral in het uitvaardigen van wetten voor het algemeen welzijn; ten tijde van de Republiek berustte dit hoogste recht bij het Romeinse volk; het ging later over op de keizers.

– Het imperium duidde de macht aan om de schuldigen te onderdrukken; dit is wat men ook het zwaardrecht noemt, jus gladii.

– Onder de naam Jurisdictie duidde men de macht aan om van de processen kennis te nemen, ze te berechten, de vonnissen te doen uitvoeren en de rechter aan te wijzen. Deze macht bleef altijd bij de magistraten. Maar aangezien de magistraten hun arresten niet hadden kunnen uitvoeren als zij niet ook over enig dwingend vermogen beschikten, werd hun een zeker recht van dwang verleend, maar van gering belang.

Daarom zei men dat hun jurisdictie vermengd was met imperium, dat zij een imperium mixtum was.

– Tenslotte verstond men onder de naam competentie (notio) de macht om van de zaken kennis te nemen en ze te berechten, maar niet om de vonnissen uit te voeren noch de rechter aan te wijzen. De rechters met deze macht beantwoordden dus ongeveer bij de Romeinen aan wat bij ons de arbiters zijn.»

 

«In het kerkelijk recht heeft het woord jurisdictie een andere betekenis en strekt zich uit tot een groter aantal voorwerpen.

Men schrijft immers toe aan de jurisdictie:

– de macht om het dogma te definiëren en de gelovigen te verplichten aan de definities een vaste instemming te geven;

– de macht om wetten te maken betreffende de discipline en de zeden;

– de macht om van de kerkelijke zaken kennis te nemen en ze te berechten; die om de schuldigen te dwingen door straffen zoals de afzetting, de suspensie, de ban; het recht om concilies bijeen te roepen en ze voor te zitten; het recht om de ondergeschikten te berispen, hen te dwingen de geboden te onderhouden en hun functies behoorlijk te vervullen: het recht om beneficia op te richten en hun titularissen aan te wijzen, over de kerkelijke goederen te beschikken, ze te vervreemden, alle soorten contracten aangaande hen af te sluiten.

Meer nog, sommige auteurs begrijpen onder de naam jurisdictie op een volkomen algemene wijze elke kerkelijke macht die niet de macht van orde is, dat wil zeggen de macht die, van goddelijke instelling, verbonden is met het karakter ontvangen door de wijding. In deze zin zou de jurisdictie het magisterium of de macht om te onderwijzen inhouden.» D. Bouix, Tractatus de principiis juris canonici, Parijs, 1862, p. 544 en 545.

 

Naar de wijze waarop zij wordt uitgeoefend, verdeelt de jurisdictie zich in vrijwillige jurisdictie en in betwiste jurisdictie, of liever, volgens Bouix, in rechterlijke jurisdictie en extrarechterlijke jurisdictie. Alles wat de bisschop verplicht is te regelen met het apparaat van het oordeel of onder de betwiste vorm, heeft betrekking op de rechterlijke of betwiste jurisdictie… Alles wat hij het recht heeft te bepalen buiten het rechterlijk apparaat behoort tot de extrarechterlijke jurisdictie die door de canonisten wordt aangeduid onder de naam vrijwillige jurisdictie, die ongeveer beantwoordt aan wat men in het burgerlijk recht administratieve jurisdictie noemt. Bouix, op. cit., p. 565.

 

  1. Bestaan van deze macht in de Kerk

 

Jezus Christus heeft aan zijn Kerk een vrije jurisdictie gegeven, onafhankelijk van elke menselijke autoriteit, zowel in het extern als in het intern forum. Deze jurisdictie omvat, maar voor een verheven doel, de drievoudige macht die aan elke volmaakte samenleving toekomt: de wetgevende macht, de rechterlijke macht en de dwingende macht.

 

2.1. In de Heilige Schrift

 

«Ik zal u de sleutels van het rijk der hemelen geven», verklaart Jezus plechtig aan de apostel heilige Petrus in een beroemde omstandigheid; «alles wat gij op aarde zult binden, zal in de hemel gebonden zijn, en alles wat gij op aarde zult ontbinden, zal in de hemel ontbonden zijn.» Mt. 16,19.

Kort daarna richtte Hij zich in dezelfde zin tot de andere apostelen:

«Voorwaar, Ik zeg u, alles wat gij op aarde zult binden, zal in de hemel gebonden zijn, en alles wat gij op aarde zult ontbinden, zal in de hemel ontbonden zijn.» Mt. 18,18.

 

Wat kunnen deze sleutels van het rijk der hemelen betekenen? Zij betekenen eenvoudig de macht van jurisdictie of de autoriteit van gebieden, zoals blijkt uit de leer van de Heilige Schrift waar deze metafoor constant wordt gebruikt, en ook uit de onheuglijke gewoonte om de sleutels te geven als teken van onderwerping of als merkteken van investituur van een ambt. Zie voor het gebruik van het woord sleutel in deze zin, Jes. 22,20-23 en het commentaar van P. Knabenbauer ad hunc locum. In Isaiam, t. I, p. 133.

 

Het is dus een ware macht van jurisdictie die Onze Heer aan zijn Kerk geeft.

Deze macht is universeel, lijdt geen beperking noch grens. «Alles wat gij zult binden, alles wat gij zult ontbinden…»

 

Deze macht is bovendien onafhankelijk van elke menselijke jurisdictie: wat op aarde gebonden zal zijn, zal onmiddellijk en zal blijven gebonden in de hemel; wat op aarde ontbonden zal zijn, zal eveneens ontbonden zijn in de hemel. Tussen de macht verleend aan de apostelen en de hemelse macht is er geen tussenpersoon. De tweede bekrachtigt de beslissingen of maatregelen genomen door de eerste, en doet dit juist vanwege hun vrije en volledig onafhankelijke karakter.

Petrus, de vorst der apostelen, is aangesteld als de titularis bezitter en de meester van de sleutels van de hemel. Nu zou hij ophouden dit te zijn op de dag dat hij, in de uitoefening van zijn autoriteit, onderworpen zou zijn aan een ander die zou kunnen openen wat hij gesloten heeft en sluiten wat hij geopend heeft, binden wat hij ontbonden heeft en ontbinden wat hij gebonden heeft. Het is dus noodzakelijk dat deze macht volledig onafhankelijk is.

 

2.2. In de Traditie

 

Deze leer heeft de eenstemmigheid der Vaders voor zich.

In twee zeer schone bladzijden legt Tarquini op meesterlijke wijze dit argument van de traditie uiteen. De geleerde kardinaal herinnert eerst de getuigenissen die aan deze leer zijn gegeven door de kerkelijke auteurs, bijvoorbeeld heilige Athanasius, in zijn Epistola ad monachos, waar de bisschop van Alexandrië de citaten opstapelt uit Hosius, de hoogste pontifici Liberius en Julius en vele anderen. Van deze kerkelijke getuigenissen heeft Roskovány een vrij volledige uitzuivering gemaakt in zijn Monumenta catholica pro independentia potestatis ecclesiasticae. Maar de kardinaal Tarquini verheugt zich er vooral in een zeker aantal teksten op te rijgen ontleend aan de wereldlijke vorsten, aan hen die, weinig consequent, soms misbruik hebben gemaakt van de kracht tegenover de Kerk, zoals het oordeel geveld door de koning van Frankrijk Lodewijk VII de Jongere over het geval van zijn collega Frederik Barbarossa (zie Baronius, Annales, jaar 1162, n. 10), zoals de verklaringen van Constantijn de Grote, van Valentinianus I, van Honorius I, van Valentinianus III, van Theodosius II, van de ariaanse koning Theoderik, van Justinianus en van Karel de Grote. Zie Tarquini, Juris ecclesiastici publici institutiones, Rome, 1890, p. 34-35.

 

  1. De verdelingen van de kerkelijke jurisdictie

 

De kerkelijke jurisdictie kent talrijke verdelingen, naargelang de verschillende gezichtspunten van waaruit men haar bestudeert.

 

3.1. Naar reden van het forum. — Men onderscheidt de jurisdictie in het intern forum en de jurisdictie in het extern forum.

 

Het woord forum duidt etymologisch de openbare plaats aan, het forum waar recht werd gesproken en vonnissen werden geveld; vandaar, bij metafoor, de rechtspraak zelf of de rechtbank, zelfs immaterieel, die de vonnissen velt (men spreekt van het intiem forum), de plaats waar de jurisdictie wordt uitgeoefend en de jurisdictie zelf.

 

3.1.1. De jurisdictie in het intern forum is die welke in de eerste plaats en rechtstreeks betrekking heeft op het privébelang van elke gelovige. Zij wordt bijna uitsluitend uitgeoefend in het tribunaal van de boetvaardigheid; in sommige gevallen echter kan zij buiten dit tribunaal worden uitgeoefend. Vandaar de onderverdeling van de jurisdictie in het intern forum in intern sacramenteel forum en intern extrasacramenteel forum.

 

3.1.2. De jurisdictie in het extern forum heeft onmiddellijk betrekking op het openbaar belang van het lichaam der gelovigen. «Potestas jurisdictionis seu regiminis quae ex divina institutione est in Ecclesia, alia est fori externi, alia fori interni, seu conscientiae, sive sacramentalis sive extra-sacramentalis.» (De macht van jurisdictie of van bestuur, die in de Kerk bestaat uit goddelijke instelling, verdeelt zich in macht van extern forum en macht van intern forum of over het geweten. Deze laatste macht is sacramenteel of extrasacramenteel.) Codex Juris Canonici, can. 196.

 

Men moet grote omzichtigheid gebruiken, zegt Berardi, Commentaria in jus can., uitg. van Turijn, 1710, t. I, p. 12, om te bepalen wat tot het intern forum behoort en wat tot het extern forum. Zo behoort bijvoorbeeld de bevoegdheid om het Evangelie te prediken, van zonden of censuren te absolveren, wat behoort tot de band die de gelovigen met Christus verenigt, tot het intern forum. Maar de bevoegdheid om de macht te verlenen om te prediken, van zonden of censuren te absolveren, hangt af van het extern forum, omdat deze bevoegdheid rechtstreekse betrekking heeft op het welzijn van de gemeenschap.

 

Daaruit volgt dat men de jurisdictie in het intern forum kan hebben zonder ze in het extern forum te bezitten, en de pastoors bevinden zich in dit geval. Omgekeerd zijn er die de jurisdictie in het extern forum genieten zonder van de andere te genieten. Zulks zouden de generale vicarissen zijn die het priesterlijk karakter missen.

 

Men begrijpt nu de precieze zin waarin men het gezegde moet verstaan:

«Ecclesia non judicat de internis»

 

In haar extern forum oordeelt de Kerk niet over interne zaken, maar zij doet het in haar intern forum. Wie, wetende dat hij een doodzonde op zijn geweten heeft, de paasplicht vervult, overtreedt niet de externe jurisdictie van de Kerk die de paascommunie voorschrijft, maar onttrekt zich onrechtmatig aan haar interne jurisdictie die eist dat deze communie in staat van genade geschiedt. Om zijn fout te herstellen, zal de schuldige zich niet moeten presenteren voor een of ander extern tribunaal, maar uitsluitend voor het tribunaal van de boetvaardigheid dat eminent tot het intern forum behoort.

 

3.2. Naar reden van haar uitbreiding is de jurisdictie universeel en particulier.

 

3.2.1. De universele jurisdictie

 

Zij is die welke geen enkele beperking lijdt, noch wat de personen, noch wat de plaatsen, noch wat de zaken betreft die aan de macht van de Kerk onderworpen zijn. Zulks is de jurisdictie van de Romeinse pontifex over de gehele Kerk.

 

Deze universele jurisdictie wat de personen en de plaatsen betreft, maar niet wat de zaken betreft, behoort toe aan de Romeinse Congregaties, die in werkelijkheid niets anders zijn dan emanaties van de universele jurisdictie van de hoogste pontifex.

 

3.2.2. De particuliere jurisdictie

 

Zij is die welke beperkt is tot bepaalde bepaalde plaatsen zoals de jurisdictie van de bisschop over zijn diocees, of tot bepaalde personen, zoals de jurisdictie van de reguliere prelaten over hun monniken, of tenslotte tot bepaalde zaken, zulks is de jurisdictie verleend onder reservatie van bepaalde gevallen.

 

Wanneer de particuliere jurisdictie beperkt is tot bepaalde personen, en niet tot bepaalde plaatsen, kan zij overal worden uitgeoefend. Zo kan een reguliere prelaat overal zijn jurisdictie uitoefenen over de monniken die hem onderworpen zijn, mits hij de jurisdictie van de ordinarius van het diocees waarin hij zich bevindt niet stoort.

 

Wanneer de jurisdictie beperkt is tot een bepaalde plaats, kan de ordinarius, buiten zijn diocees, over zijn eigen onderdanen zijn extrarechterlijke of vrijwillige jurisdictie uitoefenen. Codex, can. 201, § 3. Maar hetzelfde geldt niet voor zijn rechterlijke of betwiste jurisdictie. Behalve bepaalde bijzondere gevallen, can. 201, § 2, 401, § 1, 881, § 2, en 1637, kan deze niet buiten het grondgebied worden uitgeoefend dat haar werking omschrijft, can. 201, § 2.

 

3.3. Naar reden van de titel waarop zij wordt verleend, wordt de jurisdictie gewoon of gedelegeerd genoemd.

 

– De gewone jurisdictie is die welke, voorafgaand aan een wet of een gewoonte, verbonden is aan een ambt, zodat hij die ze van eigen recht geniet, ze verkrijgt in reden van zijn ambt zelf.

 

Zulks is de jurisdictie die het gemeen recht verleent voor het intern forum aan de pastoors, voor het tegelijk intern en extern forum aan de bisschoppen, enz. Zulks is eveneens de jurisdictie die hetzelfde recht erkent, maar bij wijze van voorrecht, aan de abten en de andere lagere prelaten.

 

– De gedelegeerde jurisdictie daarentegen is die welke men niet van eigen recht heeft, dat wil zeggen in reden van het ambt of de waardigheid, maar in deugd van een commissie ontvangen van een ander in wiens naam zij wordt uitgeoefend.

 

Deze laatste verdeling vereist, vanwege haar belang, enige verklaringen.

 

3.3.1. De gewone jurisdictie. —

 

Het Wetboek van Canoniek Recht geeft er deze definitie van: «Potestas jurisdictionis ordinaria ea est quae ipso jure adnexa est officio…», (§1. De gewone macht van jurisdictie is door het recht zelf verbonden aan het ambt: de gedelegeerde macht wordt aan de persoon medegedeeld.) can. 197, § 1.

 

Hij die deze jurisdictie in haar volheid bezit, wordt daarom Ordinarius genoemd.

In het recht, tenzij uitdrukkelijke uitzondering, verstaat men onder de naam Ordinarius, behalve de Romeinse pontifex, de residentiële bisschop, de abt of de prelaat nullius voor hun respectieve territoria, hun generale vicarissen, de administrator van dezezelfde territoria, de apostolische vicaris en prefect, en eveneens zij die, bij gebrek aan dezen, hen in het bestuur vervangen in deugd van een beschikking van het recht of van goedgekeurde constituties, de hogere oversten ten aanzien van hun onderdanen in de clerikale exempte religies.

«In jure nomine Ordinarii intelliguntur, nisi quis expresse excipiatur, praeter romanum pontificem, pro sui quisque territorio episcopus residentialis, abbas vel praelatus nullius eorumque vicarius generalis, administrator, vicarius et praefectus apostolicus, itemque ei qui praedictis deficientibus interim ex juris praescripto aut ex probatis constitutionibus succedunt in regimine, pro suis vero subditis superiores majores in religionibus clericalibus exemptis.» («§1. In het recht worden onder de naam ‘Ordinarius’ verstaan (tenzij uitdrukkelijk uitgezonderd), behalve de hoogste Pontifex, voor elk zijn territorium de residentiële bisschop, de abt of prelaat nullius en hun generale vicaris, de apostolische administrator, vicaris en prefect, elk voor zijn territorium, alsook zij die, bij gebrek aan de bovengenoemde dignitarissen, door de voorschriften van het recht, of goedgekeurde constituties, of legitieme gewoonte worden aangewezen om hen te vervangen; en zijn ook ‘Ordinarius’ voor de orden van exempte clerikale religieuzen de hogere oversten ten aanzien van hun onderdanen.») Can. 198, § 1.

Men dient evenwel op te merken dat dezen laatsten geen recht hebben op de titel van Ordinarii van de plaats of van de plaatsen. Ibid. § 2.

 

3.3.1.1. Hoe wordt de gewone jurisdictie verkregen? —

 

De gewone middelen om jurisdictie te verkrijgen zijn er vier, namelijk: de verkiezing, de postulatie, de collatie, de instelling waaraan het patronaatsrecht verbonden is.

 

Een kerkelijk ambt kan immers worden verkregen hetzij door de vrije wil van hem die het verleent en erover kan beschikken, hetzij overeenkomstig een wet die zijn collatie bepaalt.

In het eerste geval hebben wij de vrije collatie van het beneficium.

In het tweede geval kan de wet in kwestie voorschrijven dat het ambt zal worden verleend aan hem die de meerderheid van de stemmen heeft verkregen in de voorgeschreven omstandigheden, en dat is de verkiezing.

Indien men tot dit ambt komt door een subsidiair middel, heeft men de postulatie.

Tenslotte, indien het een reeds bestaand recht betreft, is het de instelling of het patronaatsrecht. Sanguinetti, op. cit., p. 223.

 

3.3.1.1.1. De verkiezing wordt gedefinieerd als:

 

«De canonieke oproep van een geschikte persoon tot een vacante prelatuur in een Kerk, of tot enig kerkelijk ambt, verkiezing gedaan door de stemmen van de wettige kiezers en nadien te bevestigen door de bevoegde superior.»

 

De canonisten breiden zich breed uit over de regels die moeten worden nageleefd voor de geldigheid en geoorloofdheid van de verkiezing; het Wetboek van Canoniek Recht wijdt er een twintigtal canones aan. Can. 160-178, 2390-2393. Wij hoeven hier niet op deze details in te gaan. Laten wij eenvoudig herinneren dat de verkiezing zich in drievoudige vorm voordoet.

– Ofwel stemmen de kiezers, nauwelijks bijeengekomen, en zonder voorafgaande beraadslaging, onmiddellijk en unaniem in over een naam. Dat is de quasi-inspiratie, geheel buitengewoon.

– In andere gevallen dragen de kiezers, met gemeenschappelijke instemming, aan enkele personen gekozen hetzij in hun vergadering, hetzij zelfs daarbuiten, de zorg op om de verkozenen aan te wijzen. Dat is de procedure bij compromis, een middel dat subsidiair kan worden genoemd, in die zin dat het slechts wordt gebruikt als het regelmatige middel van de stemming ontbreekt.

– Bij de stemming worden, volgens de voor elk bijzonder geval voorziene wijze, de stemmen verzameld van allen die, als rechthebbende kiezers, hebben gewild of hebben kunnen samenkomen. Sanguinetti, op. cit., p. 226-227.

 

3.3.1.1.2. De postulatie:

 

in de strikte zin van het woord, is een verzoek gedaan om een rechtmatige reden door alle kiezers, of ten minste door de meerderheid van hen, gericht aan de wettige superior om hem te vragen, door de uitvaardiging van een gewoonlijk verleende dispensatie, de opheffing van een canonieke beletsel dat zich tegen de verkiezing van hun kandidaat verzet. Cf. Codex, can. 179, § 1 en 2.

 

De postulatie moet, om haar volle kracht te hebben, de meerderheid van de stemmen verenigen en, ten minste twee derden, wanneer zij in concurrentie is met de verkiezing. Can. 180, § 1.

 

De postulatie moet binnen de acht dagen worden verzonden aan de superior aan wie het toekomt de verkiezing te bevestigen, indien hij de macht heeft om van het betrokken beletsel te dispenseren; anders is het aan de hoogste pontifex of aan iemand anders die over deze macht beschikt. Indien de postulatie niet binnen de voorgeschreven termijn is verzonden, wordt zij van rechtswege nietig, en de kiezers worden voor deze keer beroofd van het recht om te kiezen of te postuleren, tenzij zij aantonen dat een ernstig beletsel hen verhinderde dit te verzenden. De postulatie verleent geen enkel recht aan hem die er het voorwerp van is, en het is geoorloofd aan de superior haar te verwerpen. Maar de kiezers kunnen een aan de superior voorgelegde postulatie niet herroepen, tenzij deze erin toestemt. Can. 181, § 1, 2, 3, 4.

 

Indien de postulatie wordt toegelaten, wordt hiervan kennis gegeven aan hem wiens benoeming wordt gevraagd; deze moet binnen de acht dagen laten weten of hij de oproep aanvaardt of niet. In geval van aanvaarding treedt hij van rechtswege in het bezit van zijn ambt. Can. 175, 182, § 2 en 3.

 

3.3.1.1.3. De collatie:

 

Dit is het derde middel dat wordt gebruikt om de kerkelijke jurisdictie te verkrijgen.

In ruime zin duidt dit woord elke toekenning van een kerkelijk beneficium aan, hetzij dat deze geheel afhangt van de vrije wil van hem die het beneficium geeft, hetzij dat zij aan wetten onderworpen is; maar, in strikte zin, beperkt zij zich tot de eerste van deze twee betekenissen. Het is uitsluitend deze die wij hier moeten beschouwen.

Aldus opgevat, wordt de collatie gedefinieerd: «Vacantis beneficii ecclesiastici, ab eo cui tale jus competit, libere facta idoneae personae concessio»

(«De vrije toekenning van een vacant kerkelijk beneficium, gedaan door hem aan wie zulk recht toekomt, aan een geschikte persoon.») Sanguinetti, op. cit., p. 231.

 

Zoals men ziet, omvat de collatie vier elementen:

– De vacature van het beneficium dat wordt verleend;

– een wettig vermogen bij de collator;

– het feit dat hij die het beneficium ontvangt een geschikte persoon is;

– tenslotte, tenzij het de hoogste pontifex betreft, de naleving van alle wetten die door het kerkelijk recht in deze materie zijn vastgesteld.

 

3.3.1.1.4. De instelling (en het patronaatsrecht)

 

De kerkelijke beneficia en de kerkelijke jurisdictie die eraan verbonden zijn, kunnen zodanig worden verkregen dat de collator het beneficium moet verlenen aan hem die een bepaalde persoon hem zal hebben voorgedragen in deugd van een recht. Dit is een nieuw middel van collatie. Hij die het recht heeft om deze voordracht te doen, wordt patroon genoemd, en het recht dat hij geniet patronaatsrecht.

Vandaar deze definitie van het patronaatsrecht:

«Jus seu potestas nominandi, sive praesentandi clericum idoneum, ei ad quem institutio pertinet, ut beneficium vacans, quod ejusmodi juri subjectum est, eidem concedat».

(«Het recht of de macht om een geschikte clericus voor te dragen of te presenteren aan hem aan wie de instelling toebehoort, opdat hij aan deze laatste een vacant beneficium dat aan zulk recht onderworpen is, verleent.») Sanguinetti, op. cit., p. 235.

 

Uit deze definitie volgt dat, indien de door de patroon voorgedragen persoon de door het gemeen recht zowel als door de stichtingswet vereiste kwaliteiten bezit, hij recht heeft om van het gevraagde ambt te worden voorzien. In het tegenovergestelde geval kan hij door de hogere autoriteit worden geweigerd. Alle gelovigen, en zelfs morele personen zoals kloosters en kapittels, kunnen het patronaatsrecht verwerven.

 

Aan het patronaatsrecht is het recht verbonden dat aan bepaalde vorsten is verleend, in deugd van concordaten gesloten met de Heilige Stoel, om de onderdanen voor te dragen of aan te wijzen voor de bisschoppelijke zetels. Maar het ambt zelf, met de kerkelijke jurisdictie, of het recht op de zaak, jus in re, wordt niet verleend door de verkiezing of de voordracht.

Het is immers de eerste regel van het recht dat «een kerkelijk beneficium niet wettig kan worden verkregen zonder canonieke instelling»: «Beneficium ecclesiasticum non potest licite sine institutione canonica obtineri». Sext. Decret., l. V, tit. xii, De regulis juris, 1. —

 

Pius IX heeft in het Syllabus de volgende propositie veroordeeld:

«Laica potestas habet per se jus praesentandi episcopos, et potest ab illis exigere, ut ineant dioecesium procurationem, antequam ipsi canonicam a Sancta Sede institutionem et apostolicas litteras accipiunt.»

(«De wereldlijke macht heeft uit zichzelf het recht om bisschoppen voor te dragen en kan van hen eisen dat zij het bestuur van de dioecesen opnemen voordat zij de canonieke instelling en de apostolische brieven van de Heilige Stoel ontvangen.»)

Prop. 50, Denzinger-Bannwart, n. 1750.

 

In de tweede helft van de 13de eeuw heeft Gregorius X, bij een algemene constitutie, in het tweede concilie van Lyon bepaald dat niemand voortaan de vermetelheid zou hebben zich, op welke wijze of onder welke titel ook, te bemoeien met het bestuur van de waardigheid waartoe hij is verkozen, voordat deze verkiezing is bevestigd.

 

«Nos latius providere volentes, hac generali constitutione sancimus: ut nullus de coetero, administrationem dignitatis ad quam electus est, priusquam celebrata de ipso electio confirmaretur, sub oeconomatus vel procurationis nomine, vel alio de novo quaesito colore, in spiritualibus vel temporalibus, per se vel per alium, pro parte vel in totum, gerere vel recipere, aut illis se immiscere praesumat. Omnes illos, qui secus fecerint, jure (si quod eis per electionem quaesitum fuerit) decernentes eo ipso privatos.»

 

(«Willende ruimer voorzien, bepalen wij bij deze algemene constitutie: dat niemand voortaan, voordat de verkiezing tot een waardigheid is bevestigd, onder de naam van economaat, procuratie of onder enige andere nieuw ingeroepen schijn, de geestelijke of tijdelijke zaken, geheel of gedeeltelijk, persoonlijk of door een ander, beheren of ontvangen, noch zich ermee bemoeien. Wij bepalen dat allen die anders handelen, van rechtswege (indien enig recht hun door de verkiezing was verworven) daarvan zullen verstoken zijn.»)

Sext. Decret., l. I, tit. vi, c. 5.

 

Op 28 augustus 1873 heeft Pius IX in zijn Constitutie Romanus Pontifex verklaard uit te breiden tot hen die door de vorsten werden benoemd en voorgedragen, welke naam zij ook droegen, wat was voorgeschreven voor hen die door de kapittels waren verkozen:

 

«Declaramus et decernimus ea quae a Gregorio X decessore nostro in concilio Lugdunensi II° de electis a capitulis, constituta sunt comprehendere etiam nominatos, et praesentatos a supremis publicarum rerum moderatoribus, sive imperatores sint, sive reges, sive duces, vel praesides et quomodocumque nuncupentur, qui ex S. Sedis concessione, seu privilegio jure gaudent nominandi et praesentandi ad sedes episcopales in suis respectivis ditionibus vacantes.»

(«Wij verklaren en bepalen dat de bepalingen vastgesteld door onze voorganger Gregorius X in het IIde Concilie van Lyon betreffende hen die door de kapittels zijn verkozen, ook gelden voor hen die zijn benoemd en voorgedragen door de hoogste bestuurders van de openbare zaken, hetzij keizers, koningen, hertogen, presidenten of hoe zij ook mogen heten, die bij concessie of voorrecht van de Heilige Stoel het recht genieten om voor te dragen en te presenteren voor de vacante bisschoppelijke zetels in hun respectieve gebieden.»)

Acta Sanctae Sedis, t. vii, p. 403.

 

Deze canonieke instelling geschiedt door de superior of in deugd van een beschikking van het recht:

  1. door de superior, wanneer deze, bij een bijzondere en terstond vervulde daad, aan een clericus een kerkelijk beneficium verleent;
  2. in deugd van een beschikking van het recht, wanneer bij een geschreven wet of een gewoonte is geregeld dat de verkozenen, zonder verder beroep op de superior, onmiddellijk het ambt kan uitoefenen waartoe hij is opgeroepen.

 

Wanneer de instelling door de paus wordt gegeven, moeten de apostolische brieven worden voorgelegd en deze voordracht gedaan volgens door het recht vastgestelde regels is strikt noodzakelijk voor de intrede in functie.

 

De zaak is aldus geregeld door Bonifacius VIII:

 

«Praesenti itaque perpetuo valitura constitutione sancimus ut episcopi et alii praelati superiores, necnon abbates, priores et, qui apud Sedem Apostolicam promoventur, aut confirmationis, consecrationis, vel benedictionis munus recipiunt, ad commissas eis Ecclesias, et monasteria absque dicta Sedis litteris hujusmodi, eorum promotionem, confirmationem, consecrationem seu benedictionem continentibus accedere, vel bonorum ecclesiasticarum administrationem accipere non praesumant, nullique eos absque dictarum litterarum ostensione recipiant, aut eis pareant et intendant. Quod si forsan contra praesumptum fuerit: quod inter episcopos, praelatos, abbates, priores medio tempore actum fuerit, irritum habeatur.»

 

«Bij deze constitutie, die voor altijd van kracht zal blijven, bepalen wij dat de bisschoppen en andere hogere prelaten, alsook de abten, priors en zij die bij de Apostolische Stoel worden bevorderd, of die van haar de bevestiging, wijding of zegening ontvangen, zich niet naar de hun toevertrouwde kerken of kloosters mogen begeven, noch het bestuur van de kerkelijke goederen opnemen, zonder de brieven van deze Stoel die hun bevordering, bevestiging, wijding of zegening vermelden. Niemand mag hen ontvangen, hen gehoorzamen of aandacht aan hen schenken zonder voorlegging van deze brieven. Indien er tegen deze regel mocht worden gehandeld: al wat in de tussentijd door de bisschoppen, prelaten, abten of priors is verricht, zal als nietig worden beschouwd.»

Extravag. Comm., l. I, tit. iii, De electione, c. i. Cf. Pius IX, constitutie Romanus pontifex, hierboven geciteerd.

 

In de bul Apostolicae Sedis (13 oktober 1869) slaat Pius IX met suspensie, ipso facto te incurreren, allen die deze regel zouden overtreden. Cf. Cod., can. 2394.

 

3.3.1.2. Hoe kan de gewone jurisdictie worden beperkt? —

 

De kerkelijke jurisdictie kan op drie wijzen worden beperkt, namelijk: door de exemptie, de reservatie en het appel.

 

3.3.1.2.1. De exemptie

 

Dit is een voorrecht in deugd waarvan een persoon, een gemeenschap of een plaats wordt onttrokken aan de jurisdictie van een ordinarius van lagere orde om onmiddellijk af te hangen van een hogere prelaat. Wie de verschillende graden van jurisdictie erkent die in de Kerk bestaan, graden die harmonisch trapsgewijs boven elkaar staan, met een continu karakter van verbinding en afhankelijkheid, kan de geldigheid van de exempties niet ontkennen.

Hun nut, wat er ook zij van altijd mogelijke misbruiken, is vooral duidelijk voor de religieuze orden. Zij beschermen immers de eenheid van de religieuze families, begunstigen in het algemeen de reguliere discipline en bewaren de gemeenschappen voor duizend ongemakken voortvloeiend uit botsingen die even onvermijdelijk als pijnlijk zijn. Cf. Bouix, Tractatus de jure regularium, t. ii, Parijs, 1857, p. 110-120.

 

3.3.1.2.2. De reservatie

 

Dit is een daad die op permanente wijze aan de gewone jurisdictie een bijzondere materie onttrekt die de superior voor zichzelf behoudt of aan een ander toewijst. De reservatie betreft de jurisdictie zowel in het intern als in het extern forum.

 

Het concilie van Trente, sess. xiv, c. 7, over de boetvaardigheid, toont de hoge gepastheid van de reservaties aan en legt hun heilzaam bereik uiteen.

«Het komt ons voor», zegt het, «dat het van het hoogste belang was voor de goede orde van het christenvolk dat bepaalde misdaden die bijzonder verfoeilijk en ernstig zijn, niet door wie dan ook zouden worden geabsolveerd, maar slechts door de hoogste treden van de hiërarchie (a summis duntaxat sacerdotibus).

Daarom hebben de hoogste pontifici met recht, gezien de hoogste macht die hun over de universele Kerk is verleend, bepaalde ernstiger criminele zaken aan hun bijzonder oordeel gereserveerd.

En er is geen reden om te twijfelen dat de bisschoppen, elk in zijn diocees, dezelfde mogelijkheid bezitten, die het overigens past uit te oefenen niet om te vernietigen maar om op te bouwen, gegeven de hogere autoriteit die zij genieten ten opzichte van de eenvoudige priesters.

Van deze reservatie kunnen zij vooral gebruik maken voor de fouten waaraan een excommunicatie is verbonden.» Denzinger-Bannwart, n. 903.

 

3.3.1.2.3. Het appel

 

Dit is het wettig beroep op een hogere rechter na een vonnis geveld door een lagere rechter, een vonnis waarin de klager meent, terecht of ten onrechte, in zijn belangen te zijn geschaad of dreigt te worden geschaad.

 

Men onderscheidt het rechterlijk appel en het extrarechterlijk appel, naargelang de reden die het motiveert al dan niet is gebaseerd op een geveld vonnis.

 

Het appel kan een dubbel effect hebben: hetzij is het eenvoudig devolutief, hetzij is het tegelijk suspensief.

Elk appel, gedaan in de vereiste voorwaarden, heeft een devolutief effect. Dat wil zeggen dat de gehele zaak wordt toevertrouwd aan de rechter bij wie het appel wordt ingesteld, zodat hij, na de gegrondheid van het appel te hebben onderzocht, de hoofdzak met haar toebehoren kan onderzoeken, en, indien nodig, een nieuw vonnis kan vellen.

 

Het rechterlijk appel heeft, regelmatig, een suspensief effect; het bindt de jurisdictie van de eerste rechter, zodat hij niet kan overgaan tot de uitvoering van het vonnis dat hij heeft geveld. In het geval daarentegen van een extrarechterlijk appel is er, regelmatig, geen suspensief effect maar slechts devolutief. Codex, l. IV, tit. xiv, c. i. De appellatione, can. 1879-1891.

 

3.3.1.3. Hoe gaat de gewone jurisdictie verloren? —

 

Op twee hoofdzakelijke wijzen, naargelang de hoedanigheid van de wil die er de oorzaak van is. Deze wil kan die van de beneficiarius of die van zijn wettige superior zijn. In het eerste geval is het de afstand; in het tweede de overplaatsing of de ontneming.

 

3.3.1.3.1. De afstand

 

Dit is de vrije afstand van een kerkelijk ambt of beneficium, gedaan om rechtmatige redenen, voor de wettige superior die ze aanvaardt.

 

Zij is uitdrukkelijk of stilzwijgend, naargelang de beneficiarius zich van zijn beneficium ontdoet in handen van de superior, mondeling of schriftelijk, of integendeel een feit stelt dat, volgens een vermoeden van het recht, de afstand impliceert.

 

De uitdrukkelijke afstand is zelf eenvoudig of voorwaardelijk:

eenvoudig, wanneer zij zuiver en absoluut is;

voorwaardelijk, wanneer er een voorwaarde bij komt ten gunste van hem die afstaat of van een derde persoon.

 

Er is altijd een rechtmatige en wettige oorzaak vereist voor de afstand van een beneficium; anders zou de superior ze niet kunnen aanvaarden.

 

Deze oorzaken worden samengevat in deze twee verzen:

«Debilis, ignarus, male conscius, irregularis, Quem mala plebs odit, dans scandala, cedere possit.»

(«Zwak, onwetend, van slecht geweten, onregelmatig, gehaat door een slecht volk, schandalen gevend, dat hij kan afstaan.») Cf. Decret. Greg. IX l. I, tit. ix, c. 10.

 

De afstand of de dimissie moet worden aanvaard door de wettige superior.

«Beneficiarius sine licentia praelati sui beneficio renunciare non potest,» («De beneficiarius kan niet afstand doen van zijn beneficium zonder toestemming van zijn prelaat.») verklaart paus Alexander III, Decret. Greg. IX, l. I, tit. ix, c. 4. Cf. Cod., l. III, tit. xxv, can. 1484-1489.

 

Men moet de hoogste pontifex uitzonderen die, geen superior op aarde hebbend, vrij kan dimitteren.

«Romanus Pontifex potest libere papatui renunciare.» («De Romeinse Pontifex kan vrijelijk afstand doen van het pausschap.») Sext. Decret., l. I, t. vii, c. 1.

 

Zoals uit de definitie zelf blijkt, moet deze afstand vrijwillig en vrij zijn. Eenmaal de dimissie aanvaard, verliest de beneficiarius alle recht op zijn beneficium en bevindt zich, tegelijkertijd, ontslagen van elke verplichting dienaangaande.

 

3.3.1.3.2. De overplaatsing:

 

Dit is de verandering van een kerkelijke persoon die van het ene ambt naar een ander ambt overgaat, van de ene Kerk naar een andere Kerk.

Zij impliceert twee dingen, namelijk: de beëindiging en, tegelijk, de verkrijging van de jurisdictie, omdat zij een dubbel eindpunt impliceert dat door het vertrekpunt en het aankomstpunt wordt gemarkeerd.

 

De overplaatsing kan klaarblijkelijk niet buiten de autoriteit van de bevoegde superior geschieden.

Zij is slechts legitiem indien zij gerechtvaardigd is door een klaarblijkelijk nut of een ware noodzaak. Cod., can. 1421, 1422, 1426, 1428.

 

3.3.1.3.3. De ontneming

 

Dit is de daad waardoor een kerkelijke superior een clericus van zijn ambt ontzet.

Deze daad is extrarechterlijk of rechterlijk.

De eerste geschiedt door de herroeping van hem die een naar believen van de collator afzetbaar ambt heeft;

de tweede, door de ontzetting van onafzetbare ambten, dat wil zeggen, toegekend op perpetuele titel.

Om dezen laatsten te ontnemen, is een vonnis van de rechter vereist. De paus echter, in deugd van de volheid van zijn macht, kan, zonder enige vorm van proces en om de enkele reden van het openbaar welzijn, elk titularis van zijn ambt beroven, al was hij bisschop of zelfs kardinaal. Cod., can. 2298, 2303 en 2304.

 

Zie heilige Thomas: IIaIIae, Q.39, a3 (corpus)

 

«Er zijn twee geestelijke machten: de sacramentele macht en de jurisdictionele macht. De sacramentele macht is die welke door een wijding wordt verleend. Alle wijdingen van de Kerk zijn onveranderlijk zolang de gewijde zaak duurt; men ziet het zelfs voor de levenloze dingen; zo wordt een eens gewijd altaar niet opnieuw gewijd tenzij het is vernietigd. Daarom blijft zulk een macht, volgens haar wezen, in hem die ze door wijding heeft ontvangen zolang deze in leven blijft, ook al zou hij in schisma of ketterij dwalen. Dit is duidelijk uit het feit dat hij niet opnieuw wordt gewijd indien hij tot de Kerk terugkeert. Maar, omdat een lagere macht niet tot de daad mag overgaan dan onder de beweging van een hogere macht, zoals men ziet zelfs in de dingen der natuur, volgt daaruit dat deze mensen het gebruik van hun macht verliezen en dat het hun niet meer is toegestaan ze te gebruiken. Indien zij ze echter gebruiken, verkrijgt hun macht haar effect in het sacramentele domein, want daarin handelt de mens slechts als instrument van God; daarom worden de sacramentele effecten niet vernietigd door welke fout dan ook bij hem die het sacrament toedient. Wat de macht van jurisdictie betreft, wordt zij verleend door eenvoudige menselijke investituur. Deze macht blijft niet onveranderlijk. En zij blijft niet bestaan bij de schismatici en ketters. Daarom kunnen zij noch absolveren, noch excommuniceren, noch aflaten geven, noch iets van dien aard doen; indien zij het doen, gebeurt er niets.»

 

3.3.2. De quasi-gewone jurisdictie. —

 

Men onderscheidt van de gewone jurisdictie de quasi-gewone jurisdictie, of vicarische, die in bepaalde precieze gevallen, door het recht bepaald, wordt uitgeoefend, maar niet op een regelmatige en ononderbroken wijze. «Potestas (jurisdictionis) ordinaria potest esse sive propria sive vicaria.»

«De macht (van jurisdictie) ordinair kan eigen of vicarisch zijn.» Can. 197, § 2.

 

Deze jurisdictie behoort toe aan het kapittel of aan de capitulaire vicaris tijdens de vacature van de bisschoppelijke zetel, aan de legaten, aan de personen die van de paus de zending hebben ontvangen om bepaalde personen of religieuze corporaties te beschermen, in hun rechten en voorrechten te handhaven, zoals de universiteiten, de kloosters, de religieuze congregaties, enz.

 

3.3.3. De gedelegeerde jurisdictie. —

 

De gedelegeerde jurisdictie is die welke men bezit niet van eigen recht, dat wil zeggen in reden van een ambt of een waardigheid, maar in deugd van de commissie gegeven door een ander van wie men de plaats vervult.

 

«Jurisdictio delegata ea est quam quis non habet jure proprio, hoc est, non ratione sui officii aut dignitatis, sed solum ex commissione alterius cujus vice fungitur.»

(«De gedelegeerde jurisdictie is die welke een persoon niet van zijn eigen recht heeft, dat wil zeggen niet in reden van zijn ambt of waardigheid, maar uitsluitend door de commissie van een ander van wie hij als vicaris optreedt.»)

Reiffenstuel, In I Decret., i, 29, n. 11.

 

Het wetboek definieert ze nog korter: «Potestas delegata ea est quae commissa est personae.» Can. 197, § 1.

 

Wie een gewone jurisdictie heeft, kan ze dus geheel of gedeeltelijk subdelegeren, tenzij een tegengestelde beschikking van het recht. Can. 199, § 1.

 

Maar kan een gedelegeerde jurisdictie op haar beurt worden subgedelegeerd?

 

Hier volgen de precieze antwoorden van het Wetboek.

De gedelegeerde van de paus heeft in het algemeen het recht om te subdelegeren, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk door de omstandigheden is bevolen. Can. 199 § 2.

Eveneens kan een voor de universaliteit van de zaken gedelegeerde macht door hem die een gewone macht onder de paus geniet, in elk bijzonder geval worden subgedelegeerd. Ibid., § 3.

In de andere gevallen kan de gedelegeerde macht van jurisdictie slechts worden subgedelegeerd in deugd van een uitdrukkelijk verleende concessie.

Nochtans kunnen de gedelegeerde rechters, zonder formele commissie, een niet-jurisdictioneel artikel subdelegeren. Met andere woorden, de delegatie is in het algemeen toelaatbaar wanneer de delegatie niet eigenlij k op een jurisdictionele daad betrekking heeft. Ibid., § 4.

Tenzij uitdrukkelijke concessie, kan geen subgedelegeerde macht opnieuw worden subgedelegeerd. §5.

 

Wat de uitbreiding van de gedelegeerde jurisdictie betreft, hangt zij, zoals vanzelf spreekt, af van de wil van hem die de delegatie geeft, zij moet dus in strikte zin worden geïnterpreteerd tenzij het een delegatie ad universitatem casuum betreft. Can. 200, § 1. Het komt de gedelegeerde toe het bewijs van zijn delegatie te leveren.

 

De jurisdictionele macht van een gedelegeerde begint pas wanneer hij zijn volle machten in handen heeft; vóór dat ogenblik zijn alle jurisdictiedaden die hij stelt nietig, evenals die welke hij stelt door zijn machten te overschrijden.

Nochtans overschrijdt hij ze niet indien hij, in de uitvoering van zijn mandaat, een ander middel neemt dan dat welke de mandant behaagt, tenzij het verwaarloosde middel als voorwaarde was voorgeschreven. Can. 203, § 1 en 2.

 

Men kan ook gelijktijdig verscheidene gedelegeerden voor één en dezelfde zaak aanstellen.

 

Dan moet men verscheidene hypothesen beschouwen:

– Indien elk een commissie voor de gehele zaak heeft ontvangen, komt het aan hem die ze heeft begonnen toe ze te beslissen, tenzij hij nadien wordt verhinderd of ze niet meer wil voortzetten.

– Indien elk deze commissie niet heeft ontvangen, mag geen gedelegeerde zonder de andere handelen, tenzij een tegengestelde beschikking in het mandaat is uitgedrukt.

In twijfel moet men het eerste geval vermoeden wanneer het een extrarechterlijke zaak betreft, en het tweede geval wanneer het een rechterlijke zaak betreft. Wanneer verscheidenen achtereenvolgens voor dezelfde zaak zijn gedelegeerd, moet deze zaak worden behandeld door hem die een vroeger mandaat heeft ontvangen dan de anderen, een mandaat dat nadien door geen rescript is opgeheven. Can. 205, § 1, 2 en 3.

 

Van de beslissing van de gedelegeerde kan men appelleren aan de mandant; maar wanneer een gedelegeerde van de paus zijn gehele commissie aan een ander heeft subgedelegeerd, moet het appel rechtstreeks aan de paus worden gericht.

 

Een delegatie wordt gedoofd door de vervulling van het mandaat, door het verstrijken van de vastgestelde tijd of de uitputting van de gevallen die het mandaat beperken, door de ophouding van het doel van de delegatie, door de herroeping van de mandant, herroeping rechtstreeks aan de gedelegeerde meegedeeld, of door de afstand van deze, afstand betekend aan de mandant en door hem aanvaard.

 

De delegatie eindigt altijd met de dood van de gedelegeerde, wanneer de volle machten hem persoonlijk zijn verleend. Indien zij hem is toegekend omdat hij met een bepaalde functie was bekleed, gaat zij over op zijn opvolger in de functie. Tenslotte, wanneer verscheidenen gelijktijdig voor één en dezelfde zaak zijn gedelegeerd, en geen van hen een commissie voor de gehele zaak heeft ontvangen, doet de dood van één de delegatie voor allen de anderen ophouden, tenzij een andere beschikking uit de tekst van de delegatie voortvloeit. Can. 207, § 1 en 3.

 

  1. Onderwerp van de macht van jurisdictie

 

Verscheidene voorwaarden zijn vereist in het onderwerp van de kerkelijke jurisdictie.

 

4.1. De eerste is de clerikale staat,

 

Want de leken hebben geen enkele macht ontvangen om over de zaken van de Kerk te beschikken; zij hebben de plicht om te gehoorzamen, niet de autoriteit om te gebieden.

«Quum laicis, quamvis religiosis, disponendi de rebus Ecclesiae nulla sit attributa potestas, quos obsequendi manet necessitas, non auctoritas imperandi.»

(«Aangezien aan de leken, zelfs religieuzen, geen enkele macht is toegekend om over de zaken van de Kerk te beschikken, blijft hun de noodzaak van gehoorzaamheid, niet de autoriteit om te gebieden.»)

Decret. Greg. IX, l. III, tit. xiii, c. 12.

 

Vandaar deze formele order aan de leken om zich niet met kerkelijke zaken te bemoeien: «Decernimus ut laici ecclesiastica tractare negotia non praesumant.» Ibid., l. II, tit. i, c. 2.

 

Wat de vrouw betreft, is zij, ten minste van kerkelijk recht, niet vatbaar om jurisdictie in de Kerk te ontvangen. Dit is het gemeenschappelijk gevoelen van de theologen en canonisten. Cf. Bouix, Tractatus de jure regularium, t. ii, p. 452 sq.

 

De heilige Thomas geeft er de reden van:

 

«Dicendum, quod mulier, secundum Apostolum, est in statu subjectionis: et ideo non potest habere aliquam jurisdictionem spiritualem; quia etiam secundum Philosophum in VIII Ethic., c. vii et I Polit., cap. ult., corruptio urbanitatis est, quando ad mulierem pervenit dominium: unde mulier non habet neque clavem ordinis nec clavem jurisdictionis. Sed mulieri committitur aliquis usus clavium sicut habere correctionem in subditas mulieres, propter periculum quod imminere posset, si viri mulieribus cohabitarent.»

 

«Men moet zeggen dat de vrouw, volgens de Apostel, in staat van onderwerping is: en daarom kan zij geen enkele geestelijke jurisdictie hebben; want ook volgens de Filosoof, in het achtste boek van de Ethica, hoofdstuk zeven, en het eerste boek van de Politica, laatste hoofdstuk, is er corruptie van de burgerlijkheid wanneer het gezag aan een vrouw toekomt: vandaar dat de vrouw noch de sleutel van de orde noch de sleutel van de jurisdictie heeft. Maar aan de vrouw wordt een zeker gebruik van de sleutels toevertrouwd, zoals het hebben van correctie over de aan haar onderworpen vrouwen, wegens het gevaar dat zou kunnen rijzen indien mannen met vrouwen zouden samenwonen.»

In IV. Sent., dist. XIX, q. i, a. 1, q. 3, ad 4um. Cf. Decret. Greg. IX, l. V, tit. xxxviii, c. 10.

 

4.2. De tweede voorwaarde is de graad van de ordehiërarchie vereist door de waardigheid of het ambt dat men verkrijgt.

 

Paus Innocentius IV, in het algemeen concilie van Lyon, in 1245, heeft bepaald dat elke clericus die geroepen is om een Kerk te besturen, in hetzelfde jaar de priesterwijding moest ontvangen. Indien hij het niet deed, was hij van rechtswege en zonder andere waarschuwing van zijn ambt ontzet. Sext. Decret., l. I, tit. vi, c. 14. Het concilie van Trente is nog preciezer op dit punt:

«Neminem etiam deinceps ad dignitatem, canonicatum, aut portionem recipiant, nisi qui eo ordine sacro sit initiatus quam illa dignitas, praebenda aut portio requirit.»

(«Dat men voortaan niemand tot een waardigheid, kanunnikschap of portie ontvangt, tenzij hij tot de heilige orde is ingewijd die die waardigheid, prebende of portie vereist.»)

Sess. xxiv, de Reform., c. xii.

 

4.3. De leeftijd, de eerlijkheid der zeden en de competente wetenschap worden onder de strenge voorwaarden voor het verkrijgen van de kerkelijke jurisdictie opgesomd.

 

– De leeftijd en de eerlijkheid

 

Dezelfde Innocentius IV, in het concilie van Lyon, draagt het volgende decreet, dat de lagere leeftijdsgrens op vijfentwintig jaar vaststelt voor de beneficia met zielzorg:

«Praesenti decreto statuimus: ut nullus ad regimen parochialis ecclesiae assumatur, nisi sit idoneus moribus, scientia et aetate; decernentes collationes de parochialibus ecclesiis, iis qui non attigerint vigesimum quintum annum, de caetero faciendas, viribus omnino carere.»

(«Bij het tegenwoordig decreet bepalen wij: dat niemand tot het bestuur van een parochiekerk wordt aangenomen tenzij hij geschikt is door zeden, wetenschap en leeftijd; wij bepalen dat de collaties van parochiekerken voortaan gedaan aan hen die de leeftijd van vijfentwintig jaar niet hebben bereikt, geheel krachteloos zijn.»)

Sext. Decret., l. I, tit. vi, c. xiv.

 

Het concilie van Trente, sess. xxiv, de Reform., c. xii, vernieuwt en bevestigt de bepalingen van dit decreet, maar preciseert, voor de vereiste leeftijd, dat het voldoende is het vijfentwintigste levensjaar te hebben aangevangen:

«Nemo… promoveatur nisi qui saltem vigesimum aetatis suae annum attigerit.» Cod., can. 974, § 1.

 

– De wetenschap

 

Hoewel een eminente wetenschap wenselijk is in een zielherder, zegt Innocentius III, duldt de Kerk dat hij slechts de competente wetenschap heeft. Decret. Greg. IX, l. I, tit. ix, c. x.

De eminente wetenschap doet alle moeilijkheden onmiddellijk oplossen die zich kunnen voordoen in de ingewikkelde uitoefening van een ambt. Door de competente, maar voldoende wetenschap is men in staat om correct te antwoorden op de gewone moeilijkheden; wat die betreft die bijzonder moeilijk zijn, is men geneigd wijselijk te twijfelen en te raadplegen.

Maar deze wetenschap moet worden bewezen, en om toegang te krijgen tot bepaalde hoge functies van de kerkelijke hiërarchie, is het nodig, zegt het concilie van Trente, de titels van doctor of licentiaat in de theologie of in het canoniek recht voor te leggen.

Het openbaar getuigenis van een of andere academie dat de bekwaamheid om te onderwijzen attesteert, kan dit aanvullen. Het gaat in de tekst over hen die tot de kathedrale Kerken kunnen worden bevorderd.

«Scientia vero ejusmodi polleat ut muneris sibi injungendi necessitati possit satisfacere; ideoque antea in universitate studiorum magister, sive doctor, aut licentiatus, in sacra theologia vel jure canonico, merito sit promotus, aut publico alicujus academiae testimonio idoneus ad alios docendos ostendatur.»

(«Dat zijn wetenschap zodanig moge uitmunten dat hij aan de noodzaak van het hem opgedragen ambt kan voldoen; en daarom dat hij vooraf in een universiteit van studies terecht tot meester, doctor of licentiaat in de heilige theologie of in het canoniek recht is bevorderd, of door het openbaar getuigenis van een academie geschikt wordt getoond om anderen te onderwijzen.»)

Sess. xxii, de Reform., c. ii.

 

Volgens het Wetboek moet de kandidaat voor het episcopaat theoretisch doctor of ten minste licentiaat zijn in de theologie of in het canoniek recht: bij gebrek aan deze titels moet hij ten minste zeer bedreven zijn in genoemde disciplines, earum disciplinarum vere peritus. Can. 331, § 1, en can. 50.

 

Dezelfde voorwaarden van wetenschap worden gevraagd aan de generale vicaris. Can. 367, § 1. De canones 1598, § 2, 1589, § 1, 2017, 1018, 399, § 1, 1356, § 1 sommen de gevallen op waarin de titel van doctor hetzij in de theologie, hetzij in het canoniek recht theoretisch vereist is of, ten minste, geacht wordt de voorkeur te rechtvaardigen van hem die hem bezit.

 

4.4. De waardigste

 

Al deze kwaliteiten samen zijn vereist in het onderwerp van de kerkelijke jurisdictie en maken hem waardig voor het ambt waartoe hij wordt geroepen; maar verscheidenen kunnen dezezelfde kwaliteiten verenigen, en dan aan wie moet men de voorkeur geven? Aan de waardigste.

Dit is de formele leer van het concilie van Trente. Men voelt een ware ontroering in de tekst waar het allen smeekt die, op de ene of andere wijze, deel hebben aan de kerkelijke bevorderingen, zich door geen andere overweging te laten leiden dan het hogere belang van de Kerk: zij zouden dodelijk zondigen, voegt het eraan toe, indien zij niet hen zouden kiezen die zij waardiger en nuttiger oordelen voor het algemeen welzijn:

«eosque alienis peccatis communicantes mortaliter peccare nisi quos digniores et Ecclesiae magis utiles ipsi judicaverint non quidem precibus vel humano affectu, aut ambientium suggestionibus, sed eorum exigentibus meritis praeferre diligenter curaverint.»

(«En zij die aan de zonden van anderen deelnemen zondigen dodelijk, tenzij zij er zorg voor hebben gedragen om, met ijver, hen te verkiezen die zij waardiger en nuttiger voor de Kerk hebben geoordeeld, niet wegens gebeden of menselijke genegenheid, of suggesties van ambitieuzen, maar in reden van hun vereiste verdiensten.»)

Sess. xxiv, de Reform., c. i.

 

Paus Innocentius XI heeft de volgende propositie veroordeeld: «Wanneer het concilie van Trente verklaart dat zij “aan de zonden van anderen deelnemen en dodelijk zondigen die niet tot de eer van de Kerk verheffen hen die zij de waardigsten en nuttigsten voor de Kerk achten” wil het concilie met deze woorden: “de waardigsten” eenvoudig “hen die waardig zijn” zeggen door het comparatief voor het positief te nemen, ofwel heeft het door een enigszins onnauwkeurige manier van spreken “de waardigsten” geplaatst om de onwaardigen uit te sluiten maar niet hen die eenvoudig waardig zijn; ofwel spreekt het tenslotte slechts over de gevallen waarin er mededinging is.» Prop. 17; Denz.-Bannw., n. 1197.

 

Deze grotere waardigheid wordt niet gemeten naar de superioriteit in de leer, de eerlijkheid van het leven of de adel van de geboorte, maar naar de superioriteit van alle kwaliteiten van ziel en lichaam, verenigd met een bijzondere geschiktheid om te besturen, zodat, alle dingen wel overwogen, de betrokkene persoon nuttiger wordt geoordeeld dan enig ander in de post die hij ambieert of waartoe hij wordt geroepen.

 

Er is daar klaarblijkelijk stof voor vele persoonlijke appreciaties. De heilige Thomas, nog verder precisierend, zegt, een typisch voorbeeld gevend, dat de beste bisschop die men moet kiezen, die is die het meest geschikt lijkt om zulk een Kerk te besturen. «Het kerkelijk ministerie wordt niet aan de mensen toevertrouwd om hun de beloning van de toekomstige eeuw te verzekeren. En derhalve is hij die iemand als bisschop moet kiezen, niet gehouden hem te kiezen die, absoluut gesproken, de beste is volgens de orde van de heiligmakende genade, maar hem die de beste is voor het bestuur van de Kerk, bekwaam om haar te onderrichten, te verdedigen, vreedzaam te besturen.» Sum. theol., IIa IIae, q. clxxxv, a. 3.

 

  1. Voorwerp of materie van de macht van jurisdictie in de Kerk

 

5.1. Onderscheid tussen het extern forum en het intern forum.

 

Kardinaal Louis Billot S.J. leert in zijn vermaarde verhandeling over de Kerk:

 

“Thesis XXI. — In tota amplitudine potestatis clavium a Christo institutae duplex distinguitur iurisdictionis modus, pro quanto alia iurisdictio est habens esse completum in Ecclesia, eique competens tanquam causae principali; alia vero est in ea existens tantum ut in Dei instrumento. — Prior est primo ac principaliter ad ligandum ligamine legis, et quamvis se extendat ad omnem materiam cuius obligatio conducit ad finem regni coelorum, directe tamen ac per se circa solos actus externos versatur. Posterior est principaliter ad solvendum. Non autem ad solvendum instituta aut leges divinas sive naturales sive positivas, sed solum ad solvendum particulares personas a vinculis adhuc connaturaliter solubilibus quae per suos proprios actus in foro Dei contraxerunt.

 

Vertaald: “These XXI. — In de gehele uitgebreidheid van de macht der sleutels door Christus ingesteld, onderscheidt men een dubbel wijze van jurisdictie: de ene is een jurisdictie die haar volledig zijn in de Kerk heeft en haar toekomt als aan haar voornaamste oorzaak; de andere bestaat in haar slechts als in een instrument van God. De eerste is in de eerste plaats en voornamelijk geordend om te binden door de band van de wet, en hoewel zij zich uitstrekt tot elke materie waarvan de verplichting bijdraagt tot het doel van het hemelrijk, handelt zij echter rechtstreeks en door zichzelf slechts over de uiterlijke daden. De tweede is voornamelijk geordend om te ontbinden. Niet om goddelijke instellingen of wetten te ontbinden, hetzij natuurlijke hetzij positieve, maar slechts om particuliere personen te ontbinden van de banden die nog natuurlijk oplosbaar zijn en die zij door hun eigen daden in het forum van God hebben aangegaan.”

“Tractatus de Ecclesia Christi”, Pars II, Caput II, Quaestio XI, 3de uitgave, 1909, p.456-466.

 

Dit is een andere wijze om het onderscheid tussen het extern forum en het intern forum uit te drukken.

 

De Kerk heeft een eigen forum, uiterlijk en openbaar, zoals de burgerlijke samenleving het hare bezit. Maar, behalve dit forum, is er het forum van God; dit is het intieme forum, of het forum van het geweten.

In het forum van God heerst de goddelijke wet als dusdanig en daarin worden de verplichtingen aangegaan; daar evenzeer wordt de morele verantwoordelijkheid opgelopen en de schuld aangegaan die de straffen van het toekomstige leven met zich brengt.

 

De Kerk heeft jurisdictie zowel in het extern als in het intern forum, maar op verschillende wijze.

In het eerste geval handelt zij als voornaamste oorzaak en bestaat haar rol vooral in het binden; in het tweede geval is het als instrumentale oorzaak, en dan is haar voornaamste zending het ontbinden. Zij heeft de macht om alles te binden wat op aarde kan worden gebonden om het doel van het hemelrijk te bereiken, en dit binnen de grenzen die aan een menselijke wetgever in elke orde zijn toegewezen. Billot, op. cit., ibidem §1 en 2. Dit is de zin van het beroemde woord van Onze Heer aan de heilige Petrus: «Ik zal u de sleutels van het rijk der hemelen geven, en alles wat gij op aarde zult binden, zal in de hemel gebonden zijn.» Mt. 16,19.

 

Haar macht om te ontbinden oefent zij zich klaarblijkelijk niet uit over de goddelijke wetten waarvan geen menselijke autoriteit kan vrijstellen, maar uitsluitend over de banden aangegaan door de individuen in reden van de goddelijke wet. Verplichtingen worden aangegaan wegens de onderwerping aan de wet, of fouten worden begaan door de schending van dezezelfde wet; het is een dubbel band die de persoon ketent, zonder dat hij zich er zelf van kan bevrijden. De Kerk, handelend als instrument van God, komt hem daarvan verlossen, en dit is het voornaamste voorwerp van haar ministeriële macht van jurisdictie. Billot, op. cit., ibidem §3.

 

5.2. Voorwerp van de jurisdictie in het extern forum. —

 

Deze jurisdictie presenteert zich onder een drievoudig aspect. De titularis van de jurisdictie draagt in het gemeenschappelijk belang van de groepering die hem is toevertrouwd wetten voor; van deze wetten waakt hij over de uitvoering, hij wordt dan gebracht om te oordelen hetzij de betwiste gevallen die de toepassing van de wetten doet rijzen, hetzij de individuen die de uitgevaardigde reglementen hebben overtreden; deze vonnissen moet hij doen uitvoeren. Zo vertakt de jurisdictie zich in een drievoudige macht: wetgevend, rechterlijk, dwingend. Wij zullen haar hier beschouwen als de algemene macht van de Kerk, wat er ook zij van de personen in wie deze macht resideert.

 

5.2.1. Wetgevende macht van de Kerk. —

 

Zij heeft tot voorwerp zowel de zaken die de geloofs- en zedenleer betreffen, als de vragen van discipline. Maar in de zaken van geloof en zeden voegt de verplichting van de kerkelijke wet zich bij de verplichting van goddelijk recht; in disciplinaire materie is de gehele verplichting van kerkelijk recht.

Altijd evenwel vergezelt het voorrecht van de onfeilbaarheid de uitoefening van de hoogste wetgevende macht van de Kerk.

Deze kan immers, ten gevolge van een bijzondere bijstand van God, nooit een discipline instellen of goedkeuren die radicaal tegengesteld zou zijn aan de regels van het geloof en de heiligheid van het Evangelie. De vraag van de wetgevende macht wordt in detail behandeld in het art. Kerk t. iv, col. 2200 sq. van het D.T.C.

 

5.2.2. Rechterlijke macht. —

 

Het bestaan van zulk een macht zou slechts kunnen worden betwist door hen die aan de Kerk het karakter van volmaakte samenleving ontzeggen; dit recht is de natuurlijke consequentie van de wetgevende macht. Van zodra een samenleving met het recht om wetten uit te vaardigen is bekleed, is zij daardoor zelf verplicht te oordelen.

 

Een eerste vorm van oordeel is die welke men de repressieve of penale vorm kan noemen. Van zodra een door de hogere autoriteit uitgevaardigde wet wordt overtreden, is er plaats om de auteur van de overtreding te straffen of te onderdrukken. Summier of ingewikkeld, snel of langdurig, is een procedure nodig die eerst de schuld van de beschuldigde aantoont, en hem vervolgens de passende uitspraak toepast.

 

Een tweede vorm van oordeel is die welke men de betwiste vorm kan noemen. Van nature zijn de wetten algemeen, zij kunnen de complexiteit van particuliere gevallen niet bestrijken; een verklaring van de sociale autoriteit is nodig om aan te tonen welke wet, of welke combinatie van wetsteksten, in een bepaald geval moet spelen. De wetten zijn talrijk, zij kunnen zich op een bepaald ogenblik in schijnbare strijd bevinden; er is plaats om het geschil te beslechten dat aldus lijkt te rijzen. De samenlevingen, zelfs onvolmaakte, worden reeds door de kracht der dingen gebracht om, voor hun privégebruik, een begin van rechterlijke organisatie te schetsen. Een syndicaat, een club, zoals het zijn wetten heeft, heeft zijn bijzondere rechtbanken, in geval van nood zijn jury; hoe zou de Kerk, volmaakte samenleving, niet van bij het begin van haar bestaan hebben gedacht om in haar schoot een rechterlijke administratie te organiseren?

 

De Geschiedenis

 

In feite ziet men haar van bij de eerste jaren van haar bestaan niet alleen doctrinale vonnissen vellen, maar ware rechterlijke uitspraken. Het geval van de heilige Paulus, die van op afstand de incestueuze van Korinthe veroordeelt, is het eerste type van een penaal vonnis, 1 Kor. 5,1-5; de voorschriften die hij aan de neofieten doet om hun geschillen aan het scheidsgerecht van hun broeders en, zonder twijfel, aan dat van de leiders van de gemeenschap voor te leggen, verschaffen ons een type van betwiste jurisdictie, 1 Kor. 6,1-8. De geschiedenis van de concilies zou een ontelbaar aantal voorbeelden van kerkelijke vonnissen bieden; de gevallen van soort, de vragen van schuld van zulke of zulke persoon, de geschillen tussen prelaten, tussen kerkelijke autoriteiten en wereldlijke machten die menen, terecht of ten onrechte, door dezen te zijn geschaad, de geschillen zelf tussen leken over punten die van nabij of van ver de godsdienstige vragen raken, dit alles heeft in de kerkelijke vergaderingen, imposante of beperkte, een veel aanzienlijker plaats ingenomen dan de doctrinale, morele of disciplinaire beslissingen. De concilies waren, in het verleden, rechterlijke vergaderingen evenzeer en meer dan wetgevende vergaderingen.

 

Wij hoeven hier de geschiedenis van de rechterlijke instellingen in de Kerk niet te maken: deze geschiedenis behoort tot het canoniek recht. Het moge volstaan aan te duiden dat zeer vroeg het bisschoppelijk tribunaal is samengesteld, functionerend in elk diocees, volgens meer of minder duidelijk bepaalde regels.

 

De hogere instantie heeft langer geduurd om zich te ontbinden en het is hier vooral dat de provinciale of regionale concilies de rol van hof van beroep hebben gespeeld. De hoogste instantie functioneert van bij de allereerste tijden; het is van bij de oorsprong zelf dat men de talrijke geschillen die in de diverse Kerken rijzen, naar het tribunaal van de opvolgers van de heilige Petrus ziet brengen. De ontelbare Romeinse synoden, waar de pausen met de clerus van Rome een meer of minder imposant aantal Italiaanse bisschoppen (suburbicari in de oude zin van het woord) verzamelen, constitueren de hoogste instantie. Men kan zeggen dat het systeem reeds in de 4de eeuw functioneert, in de vrede van de Kerk, zonder dat men daardoor de eerder genomen beslissingen uitsluit. Zo verschijnen het bisschoppelijk tribunaal, de hoogste pauselijke rechtbank ons als uiterst oude raderen van de kerkelijke rechtspraak.

 

De vraag van bevoegdheid zal veel langer duren om op te klaren. Zij onderverdeelt zich zelf in twee andere.

Welke zijn eerst de materies die tot het kerkelijk forum behoren?

Welke zijn de toewijzingen van de diverse boven elkaar geplaatste rechtbanken?

Over het eerste punt is het huidige Wetboek van recht zeer precies: «De Kerk», zegt het, «kent van eigen en exclusief recht:

  1. Van de zaken die de geestelijke zaken betreffen of ermee verbonden zijn;
  2. van de schending van de kerkelijke wetten en van elke zaak waarin de idee van zonde ingrijpt, wat betreft de bepaling van de schuld en de toepassing van de kerkelijke straffen;
  3. van alle zaken, hetzij betwiste, hetzij criminele die de personen betreffen die het voorrecht van het forum genieten.» Can. 1553 § 1.

 

In summa schrijft de Kerk zich een exclusieve bevoegdheid toe: voor wat de eigenlijke geestelijke zaken betreft: voor wat de zaken betreft, zelfs strikt tijdelijke van bepaalde personen, namelijk hen die het voorrecht van het forum genieten.

Over het eerste punt was er geen reden om te aarzelen, behalve wat betreft de gemengde vragen, dat wil zeggen die waarin tijdelijke belangen in het spel zijn in reden van geestelijke vragen.

Het is rond deze gemengde vragen dat de hevigste gevechten tussen legisten en canonisten zullen worden geleverd. Niet minder hevig waren die waartoe het voorrecht van het forum aanleiding gaf. Zie art. Forum (Voorrecht van het), t. vi, col. 527-530, en Kerkelijke immuniteiten, t. vii, col. 1225-1226 in het D.T.C.

 

Wij hoeven hier de uitwerking van het huidige kerkelijk recht over deze diverse punten niet te schetsen. Laten wij slechts opmerken dat, wanneer men de betwiste vragen terzijde laat waarin de wereldlijke rechtspraak en de kerkelijke rechtspraak stof voor conflict kunnen vinden, er nog een zeer ruim werkterrein overblijft voor deze laatste.

De diocesane officialiteiten, ten minste voor de huwelijkszaken, de Romeinse rechtbanken, voor allerlei kerkelijke zaken, blijven altijd een uiterst belangrijk orgaan in het leven van de Kerk.

Wat de bevoegdheid van de diverse kerkelijke rechtbanken betreft, heeft deze zich evenmin zonder moeilijkheden vastgesteld.

Het huidige wetboek bepaalt de bevoegdheid van de diverse instanties, bisschoppelijk tribunaal, metropolitaan tribunaal, Romeinse rechtbanken; nadat het heeft gepreciseerd dat de «Romeinse Stoel door niemand wordt berecht», prima Sedes a nemine judicatur, can. 1556, herinnert het in can. 1557 welke personen en zaken alleen de hoogste pontifex het recht heeft te berechten hetzij persoonlijk, hetzij door zijn rechtbanken. Over geen van deze punten hebben de wetgeving noch de jurisprudentie zich van de eerste slag gevormd. Men zal het wezenlijke vinden van wat de theoloog erover moet weten in de art. Belangrijke zaken, t. ii, col. 2039-2042; decretalen (Valse), t. vi, col. 212-222; Bisschoppen, t. v, col. 1714 sq., en vooral in het art. Paus.

Het canoniek recht bestudeert in detail de rechterlijke organisatie van de Kerk en de algemene en bijzondere regels van procedure. Zie het Wetboek, l. IV, De processibus, part. I, De judiciis, en part. II, De modo procedendi, in nonnullis expediendis negotiis vel sanctionibus poenalibus applicandis.

 

5.2.3. Dwingende macht. —

 

Men duidt met dit woord de macht aan die elke samenleving bezit om haar leden te dwingen tot de naleving van de wetten. Het gaat niet om de morele dwang die de wet oplegt door het feit zelf dat zij is ingesteld, maar om de uiterlijke sanctie, van tijdelijke of geestelijke orde, wier vrees de besluiteloze willen kan doen buigen, wier toepassing de schuldige afdwalingen onderdrukt.

In deze laatste zin is de dwingende macht wezenlijk het recht om te straffen of straffen op te leggen. En deze macht vloeit heel natuurlijk voort uit de wetgevende macht en de rechterlijke macht. Deze twee laatsten zouden volkomen illusoir zijn indien zij in de andere geen middel vonden om hun beslissingen, zowel algemene als particuliere, te doen eerbiedigen.

 

Men zal hier de theorie van deze macht niet maken die zal worden bestudeerd in het art. «Kerkelijke straffen» (D.T.C.). Het moge volstaan aan te duiden dat het bestaan van deze macht in de Kerk de onvermijdelijke consequentie is van alles wat vooraf is gezegd over het karakter van volmaakte samenleving dat de christelijke groepering bezit, dat zij ook de noodzakelijke consequentie is van de wetgevende en rechterlijke machten die de Kerk bezit.

In feite heeft de Kerk van bij de eerste ogenblikken van haar bestaan van dit recht gebruik gemaakt en, wat er ook zij van de in onbruik geraakte delen van haar penale wetgeving, zij blijft vandaag nog aan diverse categorieën van delinquenten straffen toepassen die door het recht zijn voorzien. Het laatste deel van het Wetboek, l. V, part. ii. «De poenis» somt breed de diverse straffen op, de ene van uitsluitend geestelijke orde, de andere van tijdelijke orde, die de verschillende misdaden of delicten treffen.

 

  1. Bron en uitbreiding van dezezelfde macht

 

6.1. In de Kerk resideert de volheid van de macht van jurisdictie in de paus. Dit is de leer zelf van het Evangelie, leer die is geconsacreerd en bevestigd door de definities van het Vaticaans concilie. Zij wordt in detail bestudeerd in het art. «Paus» in het D.T.C.

 

Denzinger N° 3060:

«Zo leren en verklaren Wij dus dat de Romeinse Kerk (het diocees van Rome, de Paus), door beschikking van de Heer, over alle andere een primaatschap van gewone macht bezit en dat deze macht van jurisdictie van de Romeinse pontifex, die werkelijk bisschoppelijk is, onmiddellijk is.

De herders van alle riten en van alle rangen evenals de gelovigen, zowel elk afzonderlijk als allen samen, zijn gehouden tot de plicht van hierarchische onderwerping en ware gehoorzaamheid, niet alleen in de vragen die het geloof en de zeden betreffen, maar ook in die welke de discipline en het bestuur van de over de gehele wereld verspreide Kerk raken; op zodanige wijze dat, de eenheid van communie en van geloofsbelijdenis met de Romeinse pontifex bewarend, de Kerk één kudde is onder één hoogste herder (Joh. 10,16). Dit is de leer van de katholieke waarheid, waarvan niemand zich zonder gevaar voor geloof en zaligheid kan verwijderen.»

 

6.2. Elke bisschoppelijke jurisdictie, zelfs die van de Apostelen, daalt af van deze volheid waarmee Christus de Vorst der Apostelen en zijn opvolgers had verrijkt. Deze delicate vraag, waarbij men tegelijk rekening moet houden met de rechten van de theorie en de constateringen van de praktijk, kan hier slechts worden aangeduid; zie het art. Paus (D.T.C.)

 

6.3. Eigen macht der bisschoppen

 

6.3.1. Stelling van de vraag

 

Nadat men heeft vastgesteld dat de Romeinse Pontifex in de Kerk de volheid van de jurisdictie bezit en dat elke kerkelijke jurisdictie uiteindelijk ondergeschikt blijft aan zijn hoogste autoriteit, past het de aard te onderzoeken van de eigen macht der bisschoppen.

Deze vraag heeft aanleiding gegeven tot diverse theologische controverses. Nochtans zijn de katholieke auteurs het unaniem eens over verscheidene fundamentele beginselen: de bisschoppen zijn ware opvolgers der Apostelen; zij bezitten een ware pastorale macht; zij zijn niet eenvoudige gedelegeerden van de Romeinse Pontifex; tenslotte moet hun autoriteit altijd verenigd en ondergeschikt blijven aan die van de opvolger van de heilige Petrus.

 

6.3.2. De bisschoppen opvolgers der Apostelen

 

De katholieke leer leert dat de bisschoppen de Apostelen opvolgen in het bestuur van de Kerk.

Het Vaticaans concilie verklaart:

«Episcopi, qui positi a Spiritu Sancto in Apostolorum locum successerunt.»

«De bisschoppen, door de Heilige Geest aangesteld, zijn in de plaats der Apostelen opgevolgd.»

Concilium Vaticanum I, Constitutio Pastor Aeternus, cap. III; Acta et Decreta Sacrosancti Oecumenici Concilii Vaticani, Rome, Typographia Polyglotta Vaticana, 1872.

Deze opvolging betreft niet alleen de overdracht van het sacrament van de Orde, maar ook de pastorale en bestuurlijke last van de Kerk.

Zo leert Leo XIII:

«Episcopi … in locum Apostolorum successerunt.»

Leo XIII, Encycliek Satis Cognitum, 29 juni 1896; Acta Sanctae Sedis, t. XXVIII, Rome, 1895-1896.

 

6.3.3. De universele zending van het apostolisch college

 

Onze Heer heeft rechtstreeks aan het apostolisch college een universele zending verleend:

«Euntes ergo docete omnes gentes.»

«Gaat dus en onderwijst alle volkeren.»

Mt. 28,19.

En verder:

«Sicut misit me Pater, et ego mitto vos.»

«Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend Ik ook u.»

Joh. 20,21.

Deze zending werd aan het geheel der Apostelen toevertrouwd.

De Apostelen hebben dus van Christus zelf een ware zending ontvangen betreffende de gehele Kerk.

Zij werden aangesteld als zichtbaar fundament van de ontluikende Kerk:

«Superaedificati super fundamentum Apostolorum.»

«Gebouwd op het fundament der Apostelen.»

Ef. 2,20.

 

6.3.4. De primaat van de heilige Petrus

 

Nochtans ontving de heilige Petrus onder de Apostelen een bijzondere autoriteit.

Tot hem alleen werden de woorden gericht:

«Tibi dabo claves regni caelorum.»

Mt. 16,19.

«Ego rogavi pro te ut non deficiat fides tua; et tu aliquando conversus confirma fratres tuos.»

Lc. 22,32.

«Pasce agnos meos; pasce oves meas.»

Joh. 21,15-17.

Deze teksten constitueren de schriftuurlijke grondslag van het pauselijk primaatschap.

Het Vaticaans concilie definieert:

«Si quis dixerit Romanum Pontificem non habere plenam et supremam potestatem jurisdictionis in universam Ecclesiam … anathema sit.»

Pastor Aeternus, cap. III; Denzinger-Bannwart, n. 1827.

De Romeinse Pontifex bezit dus alleen de volheid van de universele gewone jurisdictie.

 

6.3.5. De andere Apostelen ontvingen eveneens een ware autoriteit

 

De primaat van Petrus betekent niet dat de andere Apostelen eenvoudige gedelegeerden waren.

De heilige Thomas leert dat de andere Apostelen eveneens een waar vermogen van Christus hebben ontvangen.

Commentarium in Matthaeum, cap. XVI, lect. 3.

Bellarminus onderstreept eveneens dat de Apostelen ware herders waren die onmiddellijk door Christus waren ingesteld.

Robertus Bellarminus, De Romano Pontifice, lib. IV.

Zo, indien Petrus de primaat ontving, hebben de andere Apostelen niettemin een ware apostolische jurisdictie ontvangen.

 

6.3.6. De bisschoppen zijn ware herders

 

Omdat zij de Apostelen opvolgen, zijn de bisschoppen ware herders van de Kerk.

Zij zijn noch eenvoudige administratieve vertegenwoordigers noch eenvoudige lasthebbers die naar believen herroepbaar zijn.

Hun last behoort tot de goddelijke constitutie van de Kerk.

Bellarminus leert:

«Episcopi sunt veri pastores Ecclesiae.»

Robertus Bellarminus, De Romano Pontifice, lib. IV, cap. XXIV.

Het concilie van Trente leert eveneens dat de bisschoppen door de Heilige Geest zijn aangesteld om de Kerk te besturen.

Concilium Tridentinum, Sessio XXIII.

 

6.3.7. De eigen gewone jurisdictie der bisschoppen

 

Het Wetboek van Canoniek Recht onderscheidt duidelijk de gewone jurisdictie van de gedelegeerde jurisdictie:

«Potestas jurisdictionis ordinaria ea est quae ipso jure adnexa est officio.»

Codex Juris Canonici, 1917, can. 197 §1.

Nu is de jurisdictie van de diocesane bisschop een gewone jurisdictie.

De bisschop bestuurt dus zijn diocees niet als eenvoudige occasionele gedelegeerde, maar in deugd van een stabiel ambt erkend door de Kerk.

Deze jurisdictie is eigen, gewoon en onmiddellijk in zijn diocees, hoewel zij ondergeschikt blijft aan de hoogste jurisdictie van de Romeinse Pontifex.

 

6.3.8. De theologische scholen betreffende de oorsprong van de bisschoppelijke jurisdictie

 

De theologen hebben het precieze wijze besproken volgens hetwelk de bisschoppen hun jurisdictie ontvangen.

Een eerste school, vooral vertegenwoordigd door Palmieri, Billot en Wernz, leert dat de bisschoppelijke jurisdictie van de Romeinse Pontifex afdaalt als van haar naaste beginsel.

Een tweede school, vooral vertegenwoordigd door Bellarminus, Suarez en Johannes van Sint-Thomas, legt meer de nadruk op de onmiddellijke goddelijke instelling van het episcopaat.

De divergentie betreft uitsluitend het precieze wijze van mededeling van de jurisdictie.

Allen erkennen:

– de primaat van de Romeinse Pontifex;

– de noodzaak van de canonieke zending;

– het bestaan van een waar bisschoppelijk vermogen;

– de ondergeschiktheid van dit vermogen aan de Apostolische Stoel.

 

6.3.9. Het bisschoppelijk lichaam en de universele Kerk

 

Men moet zorgvuldig elke afzonderlijk beschouwde bisschop onderscheiden van het bisschoppelijk lichaam collectief beschouwd.

Elke bisschop oefent een gewone jurisdictie uit over zijn particuliere Kerk.

Nochtans behouden de bisschoppen, collectief beschouwd als morele opvolgers van het apostolisch college, een bijzondere betrekking tot de universele Kerk.

Deze leer vloeit voort uit de universele zending die vroeger aan het apostolisch college was toevertrouwd.

Zij verklaart waarom de Kerk nooit wordt herleid tot een eenvoudige som van geïsoleerde dioecesen.

 

6.3.10. Het bisschoppelijk lichaam en de instandhouding van de Kerk

 

Verscheidene klassieke theologen leren dat de Kerk het recht en de plicht heeft om voor haar eigen instandhouding te zorgen.

Cajetanus, Johannes van Sint-Thomas, Billuart en anderen passen dit beginsel toe op de buitengewone omstandigheden die het hoogste bestuur van de Kerk treffen.

Zij funderen aldus de mogelijkheid van bepaalde uitzonderlijke daden bestemd om de voortduring van de Kerk te verzekeren.

Nochtans leert geen van deze auteurs dat het bisschoppelijk lichaam gewoonlijk een universele gewone jurisdictie bezit die gelijk of parallel is aan die van de Romeinse Pontifex.

 

6.3.11. Onderscheid tussen de Apostelen en de bisschoppen

 

De Apostelen ontvingen persoonlijk van Christus een buitengewone universele zending.

De bisschoppen volgen hen werkelijk op in het episcopaat en in het bestuur van de Kerk.

Nochtans ontvangen zij niet de buitengewone voorrechten die aan het apostolaat zijn verbonden.

De universele gewone jurisdictie blijft eigen aan de Romeinse Pontifex.

De bisschoppen oefenen wat hen betreft een particuliere gewone jurisdictie uit over de Kerken die hun canonieks zijn toevertrouwd.

 

6.3.12. Besluit

 

De katholieke leer houdt gelijktijdig vier fundamentele waarheden staande.

Ten eerste, de Romeinse Pontifex bezit alleen de volheid van de universele jurisdictie.

Ten tweede, de bisschoppen zijn de ware opvolgers der Apostelen.

Ten derde, de bisschoppen bezitten een eigen gewone jurisdictie en zijn niet eenvoudige gedelegeerden van de Romeinse Pontifex.

Ten vierde, het bisschoppelijk lichaam, morele opvolger van het apostolisch college, behoudt bepaalde rechten en plichten betreffende de instandhouding en de voortduring van de universele Kerk.

Zo worden tegelijk de goddelijke monarchie van de Kerk, gegrondvest op Petrus en zijn opvolgers, en de ware apostolische constitutie van het episcopaat, gewild door Onze Heer Jezus Christus, veiliggesteld.

 

6.4. Buiten de bisschoppen behoort niemand tot de hiërarchie van jurisdictie die goddelijk is ingesteld in de Kerk.

Er zijn immers slechts zij die in de Kerk besturen met een eigen en gewone jurisdictie om tot deze hiërarchie te behoren. Nu zijn de bisschoppen de enigen die deze voorwaarde realiseren. Indien een twijfel hieromtrent kon rijzen, zou het betreffende de kardinalen, de reguliere prelaten of de pastoors zijn.

 

Nu hebben de kardinalen, als dusdanig, geen afzonderlijke macht van die welke eigen is aan de hoogste pontifex van wie zij de raadgevers en helpers zijn in het bestuur van de universele Kerk. Men kent hun rol tijdens de vacature van de pauselijke zetel en voor de verkiezing van de nieuwe paus. Zij constitueren geen orde waaraan een eigen jurisdictie toekomt, en presenteren geen enkele titel tot een goddelijke instelling.

 

Indien men van de kardinalen overgaat naar de reguliere prelaten, heeft de twijfel nog minder consistentie.

De macht van dezen laatsten is van tweeërlei soort: de ene is dominatief en de andere van jurisdictie.

De eerste behoort tot de huiselijke of economische orde; het is de macht van de meester over zijn knecht, van de vader over zijn zoon.

De macht van jurisdictie bestaat in de bevoegdheid om gevallen te reserveren, te dwingen door de excommunicatie en andere kerkelijke censuren, en bepaalde andere daden te stellen die eigen zijn aan de bisschoppen. Maar het is duidelijk dat deze macht geenszins van goddelijk recht is, want hoewel de religieuze staat van goddelijke instelling is en altijd in de Kerk moet blijven bestaan, ligt het geenszins in zijn wezen dat de macht der sleutels in de reguliere oversten resideert. Met andere woorden, de dominatieve macht zou kunnen bestaan bij de abten en andere reguliere prelaten zonder de macht van jurisdictie.

 

De religieuze staat kan volkomen bestaan met de enkele dominatieve macht, zoals blijkt uit de kloosters van nonnen. De nonnen hebben immers geen enkele geestelijke jurisdictie; als vrouwen zijn zij er onbekwaam voor, ten minste van kerkelijk recht. Zie Suarez, De statu religionis, tr. VII, l. II, c. xciii, n. 8.

 

Sommigen hebben vroeger, na Willem van Saint-Amour, Johannes van Pouilly en Gerson, volgehouden dat de pastoors van goddelijk recht waren. Hun opinie had altijd de gunst van de jansenisten.

 

In de bul Auctorem fidei heeft Pius VI de dwaasheden van het synode van Pistoia veroordeeld die, onder een nieuwe vorm, reeds oude dwalingen vernieuwden:

«De leer die pretendeert dat de hervorming van de misbruiken betreffende de kerkelijke discipline in diocesaan synode eveneens afhangt van de bisschop en van de pastoors, en eveneens door hen moet worden verzekerd, dat, van dan af, indien de pastoors de vrijheid van beslissing missen, zij zich niet hoeven te onderwerpen aan de suggesties en bevelen van de bisschoppen — deze leer is vals, vermetel, krenkt de bisschoppelijke autoriteit, is subversief voor de hiërarchie en begunstigt de ketterij van Aerius vernieuwd door Calvijn.» n.9.

 

«Eveneens de leer volgens welke de pastoors en de andere priesters in synode verenigd, met de bisschop, als rechters van het geloof uitspreken, en die insinueert dat deze macht om in geloofszaken te oordelen aan deze personen van eigen recht toekomt, door het feit zelf van de wijding, deze leer is vals, vermetel, subversief voor de hierarchische orde, ontneemt strengheid aan de dogmatische definities en oordelen van de Kerk, is ten minste dwalend.» N. 10. Denzinger-Bannwart, n. 1509, 1510.

 

De pastoor is een priester (of een morele persoon) aan wie een parochie in titel is toevertrouwd met zielzorg te oefenen onder de autoriteit van de ordinarius van de plaats.

«Parochus est sacerdos vel persona moralis cui paroecia collata est in titulum cum cura animarum, sub Ordinarii loci auctoritate exercenda.» Cod., can. 451.

De parochiale last is slechts van kerkelijke instelling. Van goddelijk recht is alleen de bisschop belast met het bestuur in een bijzonder diocees; al de anderen die aan zijn administratie deelnemen zijn slechts zijn helpers, helpers die, wanneer men slechts deze enige betrekking beschouwt, door hem kunnen worden aangesteld en veranderd naargelang hij het oordeelt gepast.

 

«Muneris parochialis origo, zegt Sanguinetti, neque ex jure divino et immediata Christi institutione, neque ex institutione apostolica est repetenda, sed duntaxat ex ecclesiastica institutione. Si enim recte loqui velimus, unicus in dioecesi particulari divinitus constitutus praeses est episcopus. Hinc reliqui omnes, si qui sint, nonnisi ejus sunt administri; qui spectata hac solum relatione, ab eo prout judicat constituuntur et amoventur.»

(«De oorsprong van de parochiale last, volgens Sanguinetti, moet noch in het goddelijk recht en de onmiddellijke instelling van Christus, noch in de apostolische instelling worden gezocht, maar slechts in de kerkelijke instelling. Want, indien wij correct willen spreken, is de enige goddelijk aangestelde voorzitter in een bijzonder diocees de bisschop. Vandaar dat alle anderen, indien er zijn, slechts zijn helpers zijn; in aanmerking nemend slechts deze betrekking, worden zij door hem aangesteld en ontslagen zoals hij oordeelt.») (Juris Ecclesiastici institutiones, p. 301.

 

Het spreekt vanzelf dat de diverse kerkelijke wetten aan dit gezichtspunt beperkingen van verschillende orde hebben kunnen aanbrengen aan de machten van de bisschoppen over de pastoors.

 

In de parochie die hem is toevertrouwd, heeft de pastoor gewone jurisdictie, maar slechts in het intern forum; hij geniet, in het extern forum, geen enkele jurisdictie in eigenlijke zin. Het voorwerp van zijn last, buiten de bediening van de sacramenten, is geen openbaar bestuur, maar eenvoudig huiselijk; hij leidt zijn parochie niet als een Staat maar als een familie, en bezit, zelfs vanuit kerkelijk gezichtspunt, geen enkele wetgevende, rechterlijke en dwingende macht.

 

De auteurs van het canoniek recht, en vooral het recente Wetboek, geven het detail van de rechten en plichten van de pastoor, en sommen alle functies op die hem zijn voorbehouden. Cod., can. 460-470; Sanguinetti, op. cit., p. 302-304; Bargilliat, Praelectiones juris canonici, t. ii, p. 16-108.

 

De paus en de bisschoppen verenigd met de paus behoren dus alleen tot de hiërarchie van jurisdictie die van goddelijke instelling is in de Kerk.

 

Alle andere graden van deze hiërarchie zijn van kerkelijke instelling. Zij zijn samengesteld door personen of kerkelijke lichamen die, in de loop der eeuwen, van de hoogste pontifici jurisdictionele macht hebben ontvangen met het oog op het bestuur van de Kerk. Dit is wat het Wetboek goed samenvat in deze weinige regels:

«Ex divina institutione sacra hierarchia ratione Ordinis constat episcopis, presbyteris et ministris; ratione jurisdictionis, pontificatu supremo et episcopatu subordinato; ex Ecclesiae autem institutione alii quoque gradus accessere.» Can. 108, § 3.

 

  1. De jurisdictie van suppléance

 

7.1. Definitie en fundamenten

 

De jurisdictie van suppléance, voorzien door canon 209 van de “Codex van 1917”, stelt: «In geval van gemeenschappelijke dwaling of van positieve en waarschijnlijke twijfel, suppléert de Kerk de jurisdictie.» Dit uitzonderlijk mechanisme garandeert het heil der zielen wanneer de gewone jurisdictie in het gedrang komt, bijvoorbeeld in tijd van crisis.

– Theologisch fundament: De heilige Thomas van Aquino (“Summa Theologica”, Supplement, q. 8, a. 6) houdt staande dat de Kerk suppléert wat ontbreekt voor het geestelijk welzijn der gelovigen.

– Pastoraal beginsel: De heilige Alfonsus van Liguori (“Theologia Moralis”, VI, n. 561) voegt eraan toe dat de Kerk verkiest een onregelmatigheid te riskeren dan een ziel van de genade te beroven.

 

7.2. Mechanisme en voorwaarden van de jurisdictie van suppléance

 

De jurisdictie van suppléance, zoals gecodificeerd in canon 209 van het “Wetboek van canoniek recht” van 1917, constitueert een uitzonderlijk mechanisme in de boezem van de katholieke Kerk, ontworpen om de leemten van de gewone of gedelegeerde jurisdictie te verhelpen in specifieke omstandigheden. Deze canon bepaalt: «In geval van gemeenschappelijke dwaling of van positieve en waarschijnlijke twijfel, hetzij van recht, hetzij van feit, suppléert de Kerk de jurisdictie voor het extern en intern forum.» Dit beginsel, hoewel beknopt geformuleerd, berust op een rijke theologische en juridische traditie die erop gericht is de geldigheid van de sacramentele daden te garanderen en het heil der zielen te bewaren, zelfs bij afwezigheid van een formeel samengestelde autoriteit. De suppléance is van toepassing in twee onderscheiden gevallen: de “gemeenschappelijke dwaling” en de “positieve en waarschijnlijke twijfel”. Zij werkt op automatische wijze, volgens het theologisch begrip van “ex opere operantis Ecclesiae”, zonder een uitdrukkelijke interventie van de kerkelijke autoriteit te vereisen. Om dit mechanisme volledig te begrijpen, zullen wij deze voorwaarden in diepte verkennen, ze detailerend met verklaringen, concrete voorbeelden, subtiele onderscheidingen en historische en theologische referenties.

 

7.2.1. De gemeenschappelijke dwaling: een algemene dwalende overtuiging

 

De “gemeenschappelijke dwaling” duidt een situatie aan waarin een gehele gemeenschap, of een significante portie ervan, ten onrechte een jurisdictie toeschrijft aan een clericus die in werkelijkheid daarover niet beschikt. Deze voorwaarde berust niet op een eenvoudige individuele misvatting, maar op een collectieve dwalende perceptie, gegrondvest op redelijke en objectieve schijn.

 

7.2.1.1 Definities en kenmerken van de gemeenschappelijke dwaling

 

Volgens de canonist Félix Cappello, in zijn “Tractatus Canonico-Moralis de Sacramentis” (1930), kenmerkt de gemeenschappelijke dwaling zich door een dwaling die een gehele gemeenschap of een substantiële deel ervan treft, zodat het defect van jurisdictie niet bekend is of door de meerderheid wordt genegeerd. Zij moet verscheidene essentiële criteria vervullen:

– Algemeenheid: De dwaling moet door een significante collectiviteit worden gedeeld, en niet door enkele geïsoleerde individuen. Bijvoorbeeld, een gehele parochie moet geloven dat een priester haar legitieme pastoor is opdat de dwaling als “gemeenschappelijk” kan worden gekwalificeerd.

– Objectiviteit: Zij moet voortvloeien uit plausibele uiterlijke tekenen, zoals een publieke dwalende benoeming, een officieel bericht of een schijn van autoriteit. De kardinaal Alfredo Ottaviani, in zijn commentaren op de “Codex” (1950), preciseert dat de dwaling zodanig moet zijn dat een voorzichtig en ijverig man ze zonder eigen schuld zou kunnen begaan.

– Reële onwetendheid: De gelovigen mogen niet weten dat de clericus de jurisdictie mist. Indien de priester handelt op een wijze die deze overtuiging in stand houdt (zonder noodzakelijkerwijs opzettelijk te bedriegen), en de schijn hem als legitiem presenteert, kan de gemeenschappelijke dwaling worden ingeroepen.

 

7.2.1.2 Illustratie door een concreet voorbeeld

 

Laten wij het hypothetische geval nemen van een priester die naar een parochie wordt gezonden ten gevolge van een administratieve fout: de bisschop heeft de officiële benoemingsbrief niet ondertekend, maar er is een publiek bericht gedaan dat de gelovigen op de hoogte brengt van de komst van hun “nieuwe pastoor”. De gemeenschap, sterk door dit bericht en de pastorale daden van de priester (viering van de mis, biechten, enz.), beschouwt hem als wettig met jurisdictie bekleed. Hoewel deze priester de gewone of gedelegeerde jurisdictie niet bezit, suppléert de Kerk deze autoriteit in reden van de gemeenschappelijke dwaling. Zo zijn zijn absolutie in de biecht of zijn assistenties bij huwelijken geldig, wat de gelovigen bewaart voor elke onzekerheid over de legitimiteit van de ontvangen sacramenten.

 

Een historisch voorbeeld kan deze notie eveneens verduidelijken. Onder het pontificaat van Pius IX hebben in bepaalde landelijke of geïsoleerde streken priesters hun bediening uitgeoefend zonder formele jurisdictie wegens onderbroken communicatie met hun bisschop of met Rome. De gelovigen, dit defect negerend en deze priesters ziende als hun legitieme herders, hebben van de suppléance geprofiteerd. De canonist Wernz-Vidal, in “Ius Canonicum” (1928), noteert dienaangaande dat in deze gevallen de suppléance als een waarborg werkt, de geldigheid van de sacramenten en de rust van de gewetens verzekerend.

 

7.2.1.3 Onderscheid met de individuele dwaling

 

Het is fundamenteel de gemeenschappelijke dwaling te differentiëren van de individuele dwaling. Indien een gelovige, door persoonlijke onwetendheid, gelooft dat een priester zonder jurisdictie bevoegd is om te biechten, volstaat dit niet om de suppléance te activeren. De kardinaal Louis Billot, in “De Ecclesia Christi” (uitgave 1927, dus na de codex van 1917, die de suppléance in canon 209 regelt), onderstreept dat de suppléance niet van toepassing is op de gevallen waarin de dwaling zuiver subjectief is of beperkt tot enkele personen; zij vereist een algemene dwalende perceptie. Zo moet de dwaling het individu overstijgen om een gemeenschappelijke schaal te bereiken, wat de suppléance pertinent en gerechtvaardigd maakt.

 

7.2.1.4 Grenzen van de gemeenschappelijke dwaling

 

De gemeenschappelijke dwaling kan niet worden ingeroepen in geval van kwade trouw of opzettelijk bedrog. Indien een priester bewust een autoriteit usurpeert die hij weet niet te bezitten, en de gelovigen hem legitiem geloven, zou de suppléance theoretisch kunnen worden toegepast om de sacramenten te beschermen die door de onschuldige gelovigen zijn ontvangen. Nochtans begaat de priester zelf een zware fout. Deze nuance weerspiegelt het evenwicht tussen de barmhartigheid jegens de gelovigen en de strengheid jegens de clerici, een beginsel dat de katholieke theologie dierbaar is.

 

7.2.2. De positieve en waarschijnlijke twijfel: een redelijke onzekerheid over de autoriteit

 

Een tweede voorwaarde voor de suppléance is de “positieve en waarschijnlijke twijfel”, die optreedt wanneer er een ernstige en redelijke onzekerheid bestaat omtrent de jurisdictie van een clericus. Deze twijfel kan op het recht (“dubium juris”) of op de feiten (“dubium facti”) betrekking hebben, maar moet op objectieve motieven berusten en niet op een eenvoudige gissing.

 

7.2.2.1 Definitie en aard van de positieve en waarschijnlijke twijfel

 

Félix Cappello definieert de positieve en waarschijnlijke twijfel als een onzekerheid die op ernstige en objectieve redenen berust, zodat een voorzichtig man zou aarzelen om te handelen zonder verduidelijking. Deze twijfel onderscheidt zich door twee aspecten:

– Positief: Zij is gebaseerd op reële en concrete motieven, en niet op een totale afwezigheid van informatie.

– Waarschijnlijk: Er bestaat een redelijke waarschijnlijkheid dat de jurisdictie aanwezig of afwezig is, zonder definitieve zekerheid.

 

De twijfel kan zijn:

– Van recht: Wanneer een canonieke wet ambigu is of aan interpretatie onderhevig. Bijvoorbeeld, een impliciete delegatie in een uitzonderlijke situatie kan tot verwarring leiden.

– Van feit: Wanneer er een onzekerheid is over de reële situatie van de clericus, zoals een niet-bevestigde benoeming of een niet-gedocumenteerde delegatie.

 

De kardinaal Ottaviani verklaart dat de twijfel positief moet zijn, dat wil zeggen gesteund door tastbare redenen, en waarschijnlijk, dat wil zeggen dat er een redelijk evenwicht moet zijn tussen de argumenten voor en tegen de jurisdictie.

 

7.2.2.2 Illustratie door een concreet voorbeeld

 

Laten wij een missionaris-priester beschouwen die naar een oorlogsgebied is gezonden, waar de communicatie met zijn bisschop is onderbroken. Hij heeft geen schriftelijke delegatie ontvangen, maar is mondeling door zijn superior belast om een gemeenschap te bedienen. In deze context bestaat er een positieve en waarschijnlijke twijfel van feit: de priester en de gelovigen kunnen redelijkerwijs veronderstellen dat hij de jurisdictie heeft, zonder het met zekerheid te kunnen verifiëren. De Kerk suppléert dan deze jurisdictie, waardoor zijn biechten of zegeningen geldig worden.

 

Een pertinent historisch voorbeeld vindt men in de daden van de militaire aalmoezeniers tijdens de Tweede Wereldoorlog onder Pius XII. In de gevechtszones hebben deze priesters vaak de sacramenten toegediend zonder expliciete delegatie, wegens de chaotische omstandigheden. De twijfel over hun juridisch statuut, gegrondvest op ernstige motieven (mondelinge instructies, pastorale urgentie), heeft de suppléance toegelaten hun daden te valideren.

 

7.2.2.3 Onderscheid met de negatieve twijfel

 

De positieve en waarschijnlijke twijfel onderscheidt zich van de negatieve twijfel, waar geen enkele ernstige reden het bestaan van de jurisdictie ondersteunt. Bijvoorbeeld, indien een priester handelt zonder enige basis om een autoriteit op te eisen (noch benoeming, noch vermoede delegatie), is de suppléance niet van toepassing. Adolphe Tanquerey, in “Synopsis Theologiae Dogmaticae” (1925), dringt erop aan dat de suppléance de presumptie of de kwade trouw niet dekt; zij is een hulp in de legitieme onzekerheid. Zo moet de twijfel redelijk en niet fantastisch zijn om de interventie van de Kerk te rechtvaardigen.

 

7.2.2.4 Toepassing in periode van vervolging

 

De periodes van vervolging bieden een vruchtbare bodem voor de positieve en waarschijnlijke twijfel. Bijvoorbeeld, onder het bewind van Elizabeth I in Engeland (16de eeuw), hebben clandestien katholieke priesters de sacramenten toegediend zonder formele jurisdictie, in een context waarin hun statuut onzeker was wegens de breuk met Rome. De gelovigen, in onwetendheid of onmogelijkheid om hun autoriteit te verifiëren, hebben geldige sacramenten ontvangen dankzij de suppléance. Dit geval illustreert hoe de positieve twijfel kan ontstaan in extreme situaties, de pastorale rol van dit mechanisme versterkend.

 

7.2.3 De automatische werking van de suppléance: “ex opere operantis Ecclesiae”

 

De jurisdictie van suppléance is uniek doordat zij op automatische wijze werkt, zonder een uitdrukkelijke interventie van de kerkelijke autoriteit te vereisen. Zij functioneert volgens het theologisch beginsel van “ex opere operantis Ecclesiae”, dat wil zeggen door de impliciete actie van de Kerk zelf, als bovennatuurlijke samenleving geleid door de Heilige Geest.

 

7.2.3.1 Verklaring van het begrip

 

De term “ex opere operantis Ecclesiae” is geïnspireerd op de scholastieke onderscheiding tussen “ex opere operato” (doeltreffendheid van de sacramenten door de daad zelf) en “ex opere operantis” (doeltreffendheid afhankelijk van de intentie van de agent). In het geval van de suppléance is het de Kerk, als goddelijke instelling, die handelt om het defect van jurisdictie aan te vullen van zodra de voorwaarden van canon 209 zijn vervuld. Félix Cappello verklaart dat de Kerk, in deugd van haar hoogste macht, de jurisdictie automatisch suppléert, zonder dat de clericus of de gelovigen het moeten vragen. Dit mechanisme weerspiegelt de zorg van de Kerk voor haar leden, garanderend dat de sacramenten toegankelijk blijven ondanks technische onregelmatigheden.

 

7.2.3.2. Praktische implicaties

 

Deze automaticiteit heeft concrete consequenties. Bijvoorbeeld, indien een priester een stervende gelovige biecht in een crisissituatie zonder formele jurisdictie, maar wegens een gemeenschappelijke dwaling of een positieve twijfel, is de absolutie onmiddellijk geldig dankzij de suppléance. Dit geval is bovendien uitdrukkelijk geregeld in het Wetboek van Canoniek Recht van 1917 dat in canon 882 preciseert dat «de biecht en de absolutie kunnen worden gegeven aan elke persoon in doodsgevaar, onafhankelijk van zijn verblijfplaats of van de behorendheid tot een bepaalde parochie». De kardinaal Ottaviani schrijft dat de suppléance een daad is van goddelijke barmhartigheid, opererend door de Kerk voor het welzijn der zielen. Zij vermijdt aldus dat de gelovigen worden benadeeld door omstandigheden buiten hun controle.

 

7.2.3.3 Bereik in het intern en extern forum

 

De suppléance is van toepassing zowel op het “intern forum” (sfeer van het geweten, zoals de biecht) als op het “extern forum” (openbare daden, zoals de assistentie bij het huwelijk). In het eerste geval valideert zij de absolutie; in het tweede legitimeert zij de officiële daden. Dit dubbel bereik onderstreept de flexibiliteit en de diepte van het mechanisme, ontworpen om te antwoorden op de pastorale noden in uiteenlopende contexten.

 

7.2.4 Essentiële onderscheidingen en nuances

 

Om de jurisdictie van suppléance volledig te vatten, zijn verscheidene onderscheidingen noodzakelijk:

– Suppléance vs gewone jurisdictie: De gewone jurisdictie is verbonden aan een permanent ambt (bv.: een diocesane bisschop), terwijl de suppléance tijdelijk en voorwaardelijk is.

– Suppléance vs gedelegeerde jurisdictie: De delegatie komt voort uit een expliciete daad van een hogere autoriteit, terwijl de suppléance impliciet en automatisch is.

– Grenzen van de suppléance: Zij is niet van toepassing in geval van bewezen kwade trouw of opzettelijke uitdaging van de kerkelijke autoriteit. Cappello preciseert dat de suppléance geen persoonlijk vermogen van de clericus is; zij is een hulp van de Kerk, beperkt tot de gevallen voorzien door canon 209.

 

7.2.5 Historische voorbeelden en praktische gevallen

 

De volgende voorbeelden illustreren de concrete toepassing van de suppléance:

  1. Clandestiene priesters onder Elizabeth I: Deze priesters, handelend in een context van vervolging, hebben van de suppléance geprofiteerd in reden van de gemeenschappelijke dwaling van de gelovigen die hen legitiem beschouwden.
  2. Aalmoezeniers van de Tweede Wereldoorlog: In de oorlogsgebieden hebben priesters hun bediening uitgeoefend zonder duidelijke delegatie, hun daden zijnde gevalideerd door de positieve en waarschijnlijke twijfel.
  3. Franse Revolutie: De refractaire, niet-geëdigde priesters, hebben de sacramenten blijven toedienen in omstandigheden waarin hun autoriteit onzeker was, de suppléance verzekerend de geldigheid van hun daden.

 

Deze gevallen tonen hoe de suppléance het sacramentele leven heeft ondersteund in turbulente periodes.

 

7.2.6 Theologische en pastorale implicaties

 

De suppléance belichaamt het beginsel “salus animarum suprema lex” (het heil der zielen is de hoogste wet). Zij weerspiegelt de goddelijke barmhartigheid door de toegang tot de sacramenten te prioriteren boven de juridische formaliteiten, tegelijk de eenheid en de continuïteit van de Kerk bewarend. De heilige Alfonsus van Liguori (“Theologia Moralis”, VI) besluit dat de suppléance een uitzonderingsmaatregel is, getuigend van de wijsheid van de Kerk in haar heilbrengende zending.

 

In summa is het mechanisme van de jurisdictie van suppléance, met haar voorwaarden van gemeenschappelijke dwaling en positieve en waarschijnlijke twijfel, en haar automatische werking “ex opere operantis Ecclesiae”, een opmerkelijke illustratie van het evenwicht tussen strengheid en barmhartigheid in de katholieke traditie vóór 1962.

 

7.2.7. Drie theologische implicaties

 

– Goddelijke barmhartigheid: De suppléance weerspiegelt de prioriteit gegeven aan het heil boven het juridisch rigorisme.

– Eenheid van de Kerk: Zij verzekert de continuïteit van de sacramenten in periode van crisis.

– Grenzen: Zij is niet van toepassing in geval van kwade trouw of opzettelijke uitdaging van de autoriteit.

 

  1. Besluit

 

De jurisdictie in de katholieke Kerk vóór 1962, verankerd in de Schriften, gecodificeerd door de “Codex van 1917” en verrijkt door de geschiedenis, getuigt van een robuuste en aangepaste hierarchische structuur. De jurisdictie van suppléance, in het bijzonder, illustreert de pastorale zorg van de Kerk.

 

Wij wijden een ander hoofdstuk geheel aan de jurisdictie van suppléance in buitengewone tijden van vacature van de Stoel van Rome gedurende meer dan 60 jaar. Deo gratias.

 

Bronnen

 

Het onderwerp valt zowel in de theologie als in het canoniek recht, het past de auteurs te raadplegen die deze twee disciplines behandelen.

 

  1. Theologen: D. Palmieri, Tractatus de romano pontifice, Rome, 1891; Franzelin, Thèses de Ecclesia Christi, Rome, 1907; Billot, Tractatus de Ecclesia, Rome, 1909; C. Pesch, Praelectiones dogmaticae, Freiburg im Breisgau, t. I, 1909; G. Wilmers, De Christi Ecclesia, Regensburg, 1907.

D.T.C. artikel «jurisdictie».

 

  1. Canonisten: in de eerste plaats de officiële verzamelingen: Corpus juris canonici en Codex Juris canonici en de oude en moderne commentatoren. Laten wij onder dezen vermelden: D. Bouix, Tractatus de principiis juris canonici, Parijs, 1862; Soglia, Institutiones juris publici ecclesiastici, Parijs, 1879, t. i; Vering, Droit canon., t. II, Parijs, 1881; Tarquini, Juris ecclesiastici publici institutiones, Rome, 1890; S. Sanguinetti, Juris ecclesiastici institutiones, Rome, 1890; B. Ojetti, Synopsis rerum moralium et juris pontificii, Rome, 1899; Cavagnis, Institutiones juris publici ecclesiastici, Rome, 1906, t. i; Wernz, Jus Decretalium, Rome, 1906, t. ii; Laurentius, Institutiones juris ecclesiastici, Freiburg im Breisgau, 1914.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*