14 Oorsprong en Natuur van de Bisschoppelijke Jurisdictie

Oorsprong en Natuur van de Bisschoppelijke Jurisdictie tijdens Langdurige Vacature van de Apostolische Stoel

Harmonie tussen Vaticaan I, Pius XII, Suppletie, Devolutie en een Onvolmaakt Algemene Concilie

 

Inhoudsopgave  

 

Samenvatting  

Inleiding  

  1. De bisschoppelijke jurisdictie is werkelijk ordinaris, eigen en onmiddellijk  
  2. Deze jurisdictie is evenwel noch autonoom noch onafhankelijk  
  3. De theologische scholen betreffende de oorsprong van deze jurisdictie  
  4. Afwezigheid van tegenspraak tussen Vaticaan I en Pius XII  
  5. Suppletie en devolutie bij langdurige vacature van de Apostolische Stoel  
  6. De rol van het bisschoppelijk college en de Imperfecte Algemene Concilie  
  7. Praktische natuur van de jurisdictie: persoonlijk, territoriaal uit noodzaak en

de drievoudig munus  

Conclusie  

Lijst van de voornaamste bronnen  

 

 

 

Samenvatting

De traditionele katholieke leer bevestigt tegelijkertijd dat de bisschoppen een jurisdictie bezitten die werkelijk ordinaris, eigen en onmiddellijk is, terwijl zij ondergeschikt blijven aan de primaatschap van de Romeinse Pontifex. Sommige auteurs meenden een tegenspraak te zien tussen de uitspraken van het Eerste Vaticaans Concilie en die van Pius XII. De huidige studie toont aan dat er geen werkelijke tegenstelling bestaat. Zij legt de verschillende theologische scholen vóór 1962 uit betreffende de wijze van overdracht van deze jurisdictie, en onderzoekt vervolgens de gevolgen van deze leer in de hypothese van een langdurige vacature van de Apostolische Stoel sinds de publieke ketterij van Paulus VI in 1964: mechanismen van suppletie (canon 209), van devolutie, de rol van het bisschoppelijk college, de mogelijkheid van de Imperfecte Algemene Concilie, het persoonlijke en territoriaal-uit-noodzaak-karakter van de huidige jurisdictie, en de onfeilbaarheid van het gewoon en universeel leergezag in geval van volheid. Zo worden zowel de werkelijkheid van het bisschoppelijk gezag, de petrinische suprematie als de onfeilbaarheid van de Kerk van Christus bewaard.

 

Inleiding

De katholieke leer betreffende de jurisdictie van de bisschoppen is vaak op eenzijdige wijze voorgesteld. Sommige auteurs leggen uitsluitend de nadruk op de pauselijke primaatschap, met het risico de bisschoppen te herleiden tot eenvoudige gedelegeerden van de paus. Anderen benadrukken sterk de eigen waardigheid van het bisschoppelijk ambt, tot het punt dat zij de indruk wekken van een jurisdictionele autonomie van het bisschoppelijk college.

 

Nochtans onderwijzen de magisteriële teksten vóór 1962 gelijktijdig twee waarheden die integraal moeten worden behouden. De theologische uitdaging bestaat er precies in ze te harmoniseren zonder er één van op te offeren. Sinds de vacature van de Apostolische Stoel ten gevolge van de publieke ketterij van Paulus VI vanaf 1964, krijgt deze harmonie een bijzonder belang voor het behoud van de Kerk in haar hierarchische constitutie.

 

  1. De bisschoppelijke jurisdictie is werkelijk ordinaris, eigen en onmiddellijk

Het Eerste Vaticaans Concilie leert:

« Tantum abest, ut haec Summi Pontificis potestas officiat ordinariae ac immediatae illi episcopalis iurisdictionis potestati, qua Episcopi, qui positi a Spiritu Sancto in Apostolorum locum successerunt, tamquam veri pastores assignatos sibi greges singuli singulos pascunt et regunt ; quin immo eam asserit, roborat ac vindicat. »

(Nederlandse vertaling: “Zo ver is het er vandaan dat deze macht van de Opperste Pontifex afbreuk doet aan de ordinaris en onmiddellijke macht van jurisdictie der bisschoppen, waardoor de bisschoppen, geplaatst door de Heilige Geest als opvolgers van de Apostelen, als ware herders elk hun toegewezen kudde weiden en besturen; integendeel, zij bevestigt, versterkt en beschermt ze.”)

 

Concilium Vaticanum I, Constitutio dogmatica Pastor aeternus, cap. III; Denzinger-Schönmetzer, n. 1828.

 

Het Codex Iuris Canonici van 1917 bevestigt eveneens:

« Episcopi sunt Apostolorum successores et ex divina institutione Ecclesiis particularibus praeficiuntur quas cum potestate ordinaria regunt sub auctoritate Romani Pontificis. »

(Nederlandse vertaling: “De bisschoppen zijn de opvolgers van de Apostelen en worden door goddelijke instelling aan het hoofd gesteld van particuliere Kerken, die zij besturen met ordinaris macht onder de autoriteit van de Romeinse Pontifex.”)

Codex Iuris Canonici (1917), can. 329 § 1.

 

De bisschoppen zijn dus geen eenvoudige administratieve vicarissen van de paus. Hun jurisdictie is ordinaris omdat zij verbonden is aan hun ambt; zij is eigen omdat zij die in eigen naam uitoefenen; zij is onmiddellijk omdat zij rechtstreeks hun onderdanen bereikt.

 

  1. Deze jurisdictie is evenwel noch autonoom noch onafhankelijk

Pius XII leert:

« Episcopi… si ordinaria iurisdictionis potestate fruantur, eam tamen immediate sibi a Summo Pontifice impertiri. »

(Nederlandse vertaling: “De bisschoppen… ook al genieten zij van de macht van ordinaris jurisdictie, ontvangen deze toch onmiddellijk van de Opperste Pontifex.”)

Pius XII, Encycliek Mystici Corporis Christi, 29 juni 1943; AAS 35 (1943), p. 211.

 

Hij voegt eraan toe:

« Potestas iurisdictionis… ad Episcopos eodem iure divino descendit, sed non nisi per successorem Petri. »

(Nederlandse vertaling: “De macht van jurisdictie… daalt neer tot de bisschoppen door hetzelfde goddelijk recht, maar alleen door de opvolger van Petrus.”)

Pius XII, Encycliek Ad Sinarum Gentem, 7 oktober 1954; AAS 47 (1955), p. 9.

 

De ware bisschoppelijke jurisdictie blijft intrinsiek geordend op de petrinische primaatschap. Zij vormt nooit een gezag dat onafhankelijk is van de Romeinse Pontifex.

 

  1. De theologische scholen betreffende de oorsprong van deze jurisdictie

Vóór Vaticaan II werden verschillende theologische scholen toegelaten. De eerste hield staande dat Christus de jurisdictie onmiddellijk aan de bisschoppen verleent, terwijl de paus canoniek de onderdanen bepaalt aan wie zij wordt toegepast. De tweede, met name vertegenwoordigd door kardinaal Billot, hield staande dat Christus deze jurisdictie mediatelijk meedeelt, via de tussenkomst van de Romeinse Pontifex. Geen van deze verklaringen is als geloofsobject gedefinieerd. Het leergezag heeft zich ertoe beperkt twee onherroepelijke punten te onderwijzen: de bisschoppelijke jurisdictie is werkelijk ordinaris en blijft hierarchisch ondergeschikt aan de Romeinse primaatschap. De theologische controverse betreffende de precieze wijze van overdracht bleef dus legitiem vóór 1962.

 

  1. Afwezigheid van tegenspraak tussen Vaticaan I en Pius XII

De moeilijkheid verdwijnt zodra men het wezen van de jurisdictie onderscheidt van haar wijze van mededeling. Vaticaan I beantwoordt de vraag naar de natuur: zij is werkelijk ordinaris en onmiddellijk. Pius XII beantwoordt de vraag naar haar inpassing in de hierarchische constitutie: zij blijft ondergeschikt aan de petrinische primaatschap en wordt niet onafhankelijk daarvan uitgeoefend. De twee leerstellingen staan dus geenszins tegenover elkaar; zij vullen elkaar aan.

 

  1. Suppletie en devolutie bij langdurige vacature van de Apostolische Stoel

Canon 209 van de Codex van 1917 bepaalt: « In errore communi aut in dubio positivo et probabili, sive iuris sive facti, iurisdictionem supplet Ecclesia pro foro tum externo tum interno. »

(Nederlandse vertaling: “Bij gemeenschappelijke dwaling of bij positieve en waarschijnlijke twijfel, hetzij van recht hetzij van feit, supplieert de Kerk de jurisdictie voor zowel het externe als het interne forum.”)

Sint Alfonsus de Liguori (Theologia Moralis, VI, n. 561) en pater Prümmer (Manuale Theologiae Moralis, t. III, n. 507) bevestigen dat de Kerk de jurisdictie supplieert voor het algemeen welzijn en het heil der zielen.

 

Kardinaal Billot leert dat, volgens de natuurlijke wet, wanneer het hogere gezag ontbreekt, zijn attributen afdalen tot de onmiddellijke mindere in de mate die noodzakelijk is voor het voortbestaan van de samenleving (Tractatus de Ecclesia Christi, t. I, q. XIV, th. XXIX). Kardinaal Cajetan past dit beginsel uitdrukkelijk toe op de pauselijke verkiezing bij falen van de gewone kiezers (De Comparatione Auctoritatis Papae et Concilii, cap. XIII). Pater Zapelena preciseert dat het Concilie van Trente (sess. XXIII, can. 6) uitsluitend handelt over de hierarchie van orde, niet over jurisdictie. De jurisdictie blijft dus bestaan of wordt gesuppleerd door Christus het onzichtbare Hoofd en door de Kerk zelf.

 

  1. De rol van het bisschoppelijk college en de Imperfecte Algemene Concilie

De bisschoppen vormen het college dat opvolgt van het apostolisch college, altijd ondergeschikt aan de primaatschap. Bij langdurige vacature en falen van de kardinalen bezit de Imperfecte Algemene Concilie de macht om de vacature vast te stellen, te voorzien in de meest dringende noden en over te gaan tot de verkiezing van een legitieme paus. In geval van absolute volheid (bijeenkomst van alle trouwe katholieke bisschoppen met morele eenstemmigheid), realiseert deze concilie de voorwaarden van het gewoon en universeel leergezag en geniet zij de onfeilbaarheid die gewaarborgd wordt door de onfeilbaarheid van de Kerk (Mt 16,18; Mt 28,20; sint Vincentius van Lerins; Billot; Tanquerey).

 

  1. Praktische natuur van de jurisdictie: persoonlijk, territoriaal uit noodzaak en drievoudig munus

Bij langdurige vacature wordt de jurisdictie voornamelijk uitgeoefend via suppletie, van persoonlijk karakter en verbonden aan de noodzaak der zielen (ne pereant animae), met een natuurlijke territoriale dimensie die wordt bepaald door het algemeen welzijn. De trouwe bisschoppen vestigen zich op een precieze plaats en breiden hun bediening uit daar waar de zielen er behoefte aan hebben en waar geen andere legitieme bisschop reeds uitoefent, waarbij zij nutteloze overlappingen vermijden. Zij omvat het drievoudig munus: onderwijzen (gewoon en universeel leergezag), besturen en heiligen. Concrete voorbeelden doen zich voor bij de bisschoppen Vézélis, Musey, Pivarunas en in de traditionele gemeenschappen (CMRI, SSPV, IMBC, enz.). Deze jurisdictie is noch absoluut universeel noch anarchistisch, maar geordend op het heil der zielen en op de toekomstige herstelling van de normale orde door een legitieme paus.

 

Conclusie

De traditionele katholieke leer toont een opmerkelijke samenhang: werkelijke ordinaris jurisdictie van de bisschoppen, ondergeschiktheid aan de primaatschap, suppletie en devolutie bij langdurige vacature, de rol van de Imperfecte Algemene Concilie en de onfeilbaarheid van het gewoon en universeel leergezag in geval van volheid. Zij bewaart tegelijkertijd de werkelijkheid van het bisschoppelijk gezag, de petrinische suprematie en de onfeilbaarheid van de Kerk van Christus. In de huidige crisis sinds 1964 oefenen de trouwe katholieke bisschoppen legitiem uit wat noodzakelijk is voor het heil der zielen, in afwachting van de providentiele herstelling van een legitieme Paus. Moge de Allerheiligste Maagd, vernietigster van alle ketterijen, deze triomf bespoedigen.

 

Lijst van de voornaamste bronnen

– Concilium Vaticanum I, Constitutio dogmatica Pastor aeternus (Denzinger-Schönmetzer, nn. 1821-1840).

– Codex Iuris Canonici (1917), in het bijzonder cann. 108 § 3, 196, 198, 209, 329 § 1, 334 § 1.

– Pius XII, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943) en Ad Sinarum Gentem (7 oktober 1954).

– Kardinaal Louis Billot, Tractatus de Ecclesia Christi.

– Kardinaal Cajetan, De Comparatione Auctoritatis Papae et Concilii, cap. XIII.

– Sint Robertus Bellarminus, De Romano Pontifice.

– Sint Alfonsus de Liguori, Theologia Moralis en Verità della Fede.

– P. Timotheus Zapelena S.J., De Ecclesia Christi (1954-1955).

– P. Dominicus Prümmer O.P., Manuale Theologiae Moralis.

– Concilie van Trente, sessio XXIII.

– Andere klassieke auteurs: Wernz-Vidal, Cappello, Dieckmann, Gréa, Fr. Gabriel Lavery CMRI, Eberhard Heller.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*