16 Paus die Ketter wordt, is Verondersteld formeel te zijn

Paus die Ketter wordt, is Verondersteld

Geen Materiële Ketter te Zijn maar formeel

Theologische en Canonieke Studie

 

Inhoudsopgave

 

  1. Het traditionele onderscheid tussen materiële ketterij en formele ketterij  
  2. De onoverwinnelijke onwetendheid bij de eenvoudige gelovige  
  3. De publieke doctor van het geloof: een objectief andere situatie  
  4. De morele leer over de soorten onwetendheid  
  5. Bellarminus en de manifeste ketter  
  6. Suárez en de doctrinale verantwoordelijkheid van de herders  
  7. Billot en de notorische ketterij  
  8. Paulus IV en de betekenis van ipso facto  
  9. Het interne forum en het externe forum  
  10. Doctrinale conclusies  
  11. Algemeen besluit
  12. BELANGRIJKE OPMERKING OVER MGR LEFEBVRE

Lijst van Bronnen

 

 

 

 

  1. Het traditionele onderscheid tussen materiële ketterij en formele ketterij

 

De Heilige Thomas van Aquino leert:

“Ad haeresim duo requiruntur: primo quidem corruptio fidei; secundo autem pertinacia.”

“Twee elementen zijn vereist voor ketterij: ten eerste de corruptie van het geloof; ten tweede de hardnekkigheid.”

Summa Theologiae, II-II, q. 11, a. 1, Leonijnse uitgave, Rome, 1895.

 

Materiële ketterij duidt de objectieve aanhankelijkheid aan een stelling die in strijd is met het geloof, zonder subjectieve schuld van hardnekkigheid. Formele ketterij impliceert, naast de objectieve dwaling, de vrijwillige weigering zich te onderwerpen aan het doctrinale gezag van de Kerk na voldoende kennis van de verplichting om te geloven.

 

Dit onderscheid wordt unaniem aanvaard door de scholastieke theologie.

 

  1. De onoverwinnelijke onwetendheid bij de eenvoudige gelovige

 

De gewone gelovige ontvangt geen officiële zending om te onderwijzen. De theologen erkennen daarom dat hij objectief kan aanhangen aan een ketters dwaling door onoverwinnelijke onwetendheid. In dit geval kan hij innerlijk verenigd blijven met de ziel van de Kerk door de heiligmakende genade, terwijl hij uiterlijk gescheiden is van het zichtbare lichaam als hij de dwaling publiek belijdt.

 

Mgr. Gerardus Van Noort geeft expliciet deze mogelijkheid toe voor publieke materiële ketters (Tractatus de Ecclesia Christi, 4de uitg., Hilversum, 1920, Cap. I, Art. I). Kardinaal Billot en kardinaal Charles Journet ontwikkelen dezelfde leer uitvoerig, met een zorgvuldige onderscheiding tussen de zichtbare orde (lichaam) en de onzichtbare orde (ziel) van de Kerk (Le Traité de l’Église, 1957, Hoofdstukken VI en VIII).

 

  1. De publieke doctor van het geloof: een objectief andere situatie

 

De bisschop, de priester die met het onderricht is belast en, a fortiori, de Romeinse Pontifex, zijn geen eenvoudige gelovigen. Zij zijn aangesteld als publieke doctoren. Het Wetboek van 1917 herinnert eraan:

Episcopi sunt fidei doctrinae custodes.

De bisschoppen zijn de hoeders van de leer van het geloof.

Codex Iuris Canonici (1917), can. 1326, Rome, Typis Polyglottis Vaticanis.

 

Hun ambt brengt een zware verplichting mee: de katholieke leer kennen, verdedigen, getrouw overbrengen en de dwalingen weerleggen. Onwetendheid betreffende de waarheden waarvan zij juist de hoeders zijn, blijkt daarom nauwelijks te verenigen met de plichten eigen aan hun ambt.

 

  1. De morele leer over de soorten onwetendheid

 

De morele theologie onderscheidt de onoverwinnelijke onwetendheid, de overwinbare onwetendheid, de affecteerde onwetendheid en de grove of slappe onwetendheid. De Heilige Alfonsus van Liguori leert:

Ignorantia affectata non excusat a peccato.

Affecteerde onwetendheid excuseert niet van de zonde.

Theologia Moralis, lib. I, Rome, Marietti, 1905.

 

Het ambt van doctor legt juist de zware verplichting op om de nodige kennis te verwerven. Een beweerde onwetendheid onder deze omstandigheden blijkt daarom nauwelijks onoverwinnelijk.

 

  1. Bellarminus en de manifeste ketter

 

De Heilige Robertus Bellarminus schrijft:

Papa haereticus manifestus per se desinit esse Papa et caput.

Een manifeste ketterse paus houdt door zichzelf op paus en hoofd te zijn.

De Romano Pontifice, lib. II, cap. 30, Napels, 1872.

 

Bellarminus behandelt niet rechtstreeks de psychologie van de onoverwinnelijke onwetendheid bij de clerici. Zijn redenering veronderstelt evenwel een uiterlijke ketterij die voldoende manifest is om haar juridische gevolgen te produceren. Zij vereist noch een constitutieve depositiesentence noch een verder onderzoek naar het innerlijke geweten van de betrokkene. De manifeste ketterij volstaat in het externe forum.

 

  1. Suárez en de doctrinale verantwoordelijkheid van de herders

 

Francisco Suárez dringt aan op de bijzondere verantwoordelijkheid van de herders en publieke doctoren bij de bewaring van het geloof. Het leerambt impliceert een adequate kennis van de geopenbaarde waarheden. Een publieke belijdenis van dwaling door een officiële doctor vormt daarom een bijzonder ernstig teken van hardnekkigheid (De Fide, Disputationes de fide; Defensio Fidei Catholicae, lib. III).

 

  1. Billot en de notorische ketterij

 

Kardinaal Billot leert dat uiterlijke en notorische ketterij scheidt van het zichtbare lichaam van de Kerk.

Tractatus de Ecclesia Christi, THESIS XXIX (en corollariën), pp. 609-621.

 

De zichtbare lidmaatschap veronderstelt de uiterlijke belijdenis van het katholieke geloof. Bij een publieke doctor verschijnt de inroeping van een onoverwinnelijke onwetendheid moreel weinig houdbaar en neigt zij ertoe een affecteerde, grove of zwaar nalatige onwetendheid te zijn.

 

  1. Paulus IV en de betekenis van ipso facto

 

De bulle Cum ex Apostolatus Officio (15 februari 1559) verklaart:

Si unquam appareat […] Romanum Pontificem ante suam promotionem vel elevationem a fide Catholica deviasse aut in aliquam haeresim incidisse, promotio seu assumptio huiusmodi […] nulla, irrita et inanis existat.

Indien het ooit zou blijken dat een Romeinse Pontifex vóór zijn verheffing of verkiezing was afgeweken van het katholieke geloof of in enige ketterij was vervallen, dan zou zulke verheffing of aanvaarding nietig, ongeldig en zonder effect zijn.

 

De bulle voegt eraan toe dat deze gevolgen zich voordoen absque ulla declaratione, zonder dat enige verklaring nodig is. Zij gebruikt meermaals de uitdrukking ipso facto. Paulus IV ontwikkelt geen expliciete theorie van materiële en formele ketterij. Zijn wetgeving veronderstelt evenwel dat een publieke afwijking van het geloof bij hen die de hoogste kerkelijke ambten bekleden, volstaat om onmiddellijk de voorziene juridische gevolgen teweeg te brengen. Er wordt geen psychologisch onderzoek naar een eventuele onoverwinnelijke onwetendheid overwogen.

 

  1. Het interne forum en het externe forum

 

Een essentieel onderscheid moet worden gehandhaafd. In het interne forum kent alleen God met zekerheid de subjectieve schuld. Een absoluut uitzonderlijke onoverwinnelijke onwetendheid blijft in theorie denkbaar. In het externe forum oordeelt de Kerk volgens de openbare feiten. De hardnekkige, publieke en notorische belijdenis van een ketterij door een officiële doctor vormt normaal een moreel voldoende bewijs van ketters formalisme voor de uiterlijke juridische gevolgen.

 

  1. Doctrinale conclusies

 

Eerste conclusie. Het is niet met absolute zekerheid aangetoond dat een clericus nooit, in geen enkel denkbaar geval, zuiver materieel ketter kan zijn.

 

Tweede conclusie. De klassieke theologie stelt een extreem sterke morele presumptie vast volgens welke publieke doctoren in het externe forum niet genieten van de presumptie van onoverwinnelijke onwetendheid die aan de eenvoudige gelovigen wordt toegekend.

 

Derde conclusie. De publieke, hardnekkige en notorische belijdenis van een dwaling die in strijd is met een dogma, vormt normaal, bij een publieke doctor, een moreel voldoende bewijs van ketters formalisme.

 

Vierde conclusie. Deze presumptie werpt licht op het gebruik van de uitdrukkingen ipso facto en absque ulla declaratione in Cum ex Apostolatus Officio en levert een van de doctrinale grondslagen voor de klassieke stellingen betreffende het verlies van ambt door manifeste ketterij.

 

  1. Algemene conclusie

 

De theologische en canonieke traditie vóór 1962 laat niet toe om als een absolute zekerheid te stellen dat een zuiver materiële ketterij bij een clericus onmogelijk is. Zij leert niettemin met grote kracht dat een publieke doctor van het geloof, omwille van de verplichtingen die aan zijn ambt zijn verbonden, niet kan worden gelijkgesteld aan de eenvoudige gelovige wat betreft de presumptie van onoverwinnelijke onwetendheid. In de uiterlijke orde wordt de publieke en hardnekkige belijdenis van ketterij gehouden voor een moreel voldoende teken van ketters formalisme, dat de juridische gevolgen rechtvaardigt die door de canonieke traditie zijn voorzien. Zo wordt de scholastieke onderscheiding tussen materiële en formele ketterij verzoend met de uitspraken van Paulus IV, Bellarminus en de grote theologen van de post-tridentijnse periode.

 

Deze presumptie heeft een bijzondere actualiteit in de huidige crisis van de Kerk, waar de vacature van de Apostolische Stoel sinds de publieke ketterij van Paulus VI in 1964 de gelovigen oplegt de manifeste feiten te erkennen volgens het externe forum, zonder te pretenderen de innerlijke gewetens te doorgronden die alleen God met zekerheid oordeelt.

 

  1. BELANGRIJKE OPMERKING OVER MGR LEFEBVRE

Deze studie contrasteert met de positie van Mgr Lefebvre, die in de jaren 1980 bevestigde dat een paus zeker ketter kon zijn, maar niet formeel; enkel materieel. Volgens hem bleef een ketterse paus dus lid van de Kerk, aangezien alleen formele ketterij iemand van de Kerk uitsluit.

De kerkelijke Traditie leert echter het tegenovergestelde. Mgr Lefebvre heeft trouwens in privé erkend dat Paulus VI zich buiten de Kerk bevond, wat impliceert dat hij hem als formele ketter beschouwde.

 

 

Lijst van voornaamste bronnen

 

– Heilige Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q. 11, a. 1, Leonijnse uitgave, Rome, 1895.

– Codex Iuris Canonici, 1917, can. 1326.

– Heilige Robertus Bellarminus, De Romano Pontifice, lib. II, cap. 30.

– Heilige Alfonsus van Liguori, Theologia Moralis, lib. I.

– Kardinaal Louis Billot, Tractatus de Ecclesia Christi, THESIS XXIX (en corollariën), pp. 609-621.

– Bulle Cum ex Apostolatus Officio van Paulus IV, 15 februari 1559.

– Francisco Suárez, De Fide (Disputationes de fide); Defensio Fidei Catholicae, lib. III.

– Mgr. Gerardus Van Noort, Tractatus de Ecclesia Christi, 4de uitg., Hilversum, 1920, Cap. I, Art. I.

– Kardinaal Charles Journet, Le Traité de l’Église, 1957, Hoofdstukken VI en VIII.

– Andere klassieke auteurs: Cajetanus, Johannes van Sint-Thomas, Wernz-Vidal, Coronata (volgens hun respectieve traktaten geciteerd in de traditie).

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*