29 Onjuiste Mening 4 “Ketterse Paus verliest Ambt pas na Verklaring”

Vierde Opinie – De Ketterse Paus Verliest het Pontificaat

Enkel na een Verklarende Acte van Zijn Ketterij

Belangrijkste bron: Het meesterwerk «La Nouvelle Messe de Paul VI : qu’en penser ?»

van prof. Arnaldo Vidigal Xavier da Silveira, theoloog van Campos, Brazilië.

 

Volgens deze vierde opinie verliest de Paus het Pontificaat nooit door het enkele feit van zijn val in de ketterij. Veeleer is het, opdat zijn ontheffing effectief zou zijn, noodzakelijk dat er een verklarend acte is van zijn afvalligheid in het geloof. Zoals duidelijk is, kan een dergelijke verklaring geen juridische beslissing in strikte zin zijn, aangezien er op aarde geen superieur van de Romeinse Pontifex bestaat die hem kan oordelen. Maar het zal gaan om een eenvoudige niet-juridische verklaring, op grond waarvan Jezus Christus zelf hem onmiddellijk het Pontificaat ontneemt.

 

De voornaamste verdedigers van deze vierde opinie zijn Cajetanus en Suarez.

 

  1. Verdediging van deze opinie door Suarez

 

Nadat hij de opinie heeft weerlegd volgens welke de ketterse Paus automatisch «afgezet» is, verdedigt Suarez zijn positie in de volgende termen:

 

«(…) in geen enkel geval, zelfs niet in dat van de ketterij, wordt de Pontifex van zijn waardigheid en zijn macht onmiddellijk door God zelf beroofd, vóór het oordeel en de uitspraak van de mensen. Dit is de gemeenschappelijke opinie vandaag: Cajetanus (de Auctoritate Papae, c. 18 en 19); Soto (4, d. 22, quaest. 2, art. 2); Cano (4 de Locis, c. ult. ad 12); Corduba (lib. 4, q. 11). Later, bij de behandeling van de straffen voor ketteren, zullen we nog andere auteurs aanhalen, en in het algemeen aantonen dat, volgens de goddelijke wet, niemand van zijn waardigheid en zijn kerkelijke jurisdictie wordt beroofd vanwege het misdrijf van ketterij. We geven nu een a-priori-argument: aangezien een dergelijke ontheffing een van de zwaarste straffen is, zou men ze ipso facto alleen oplopen als ze uitdrukkelijk in de goddelijke wet werd vermeld; nu vinden we geen wet die ze vastlegt, noch in het algemeen wat betreft de ketteren, noch in het bijzonder wat betreft de bisschoppen, noch op zeer bijzondere wijze wat betreft de Paus. Noch bestaat er een zekere Traditie over deze kwestie. De Paus kan zijn waardigheid ook niet ipso facto verliezen krachtens een menselijke wet, want die wet zou moeten worden vastgelegd door een mindere, dat wil zeggen door een Concilie, of door een gelijke, dat wil zeggen door een vorige Paus; maar noch een Concilie noch een vorige Paus bezit een dergelijk dwingend vermogen dat ze hun gelijke of hun meerdere kunnen straffen. Dus, enzovoort.

 

(…) Gij zult zeggen dat er een wet zou kunnen zijn die de goddelijke wet interpreteert. Maar dat zou zonder grond zijn, want gij haalt geen goddelijke wet van dit soort aan; bovendien heeft tot nu toe geen Concilie noch enige Paus een wet vastgelegd die een dergelijke goddelijke wet zou hebben geïnterpreteerd.

 

Dit wordt bevestigd door het feit dat een dergelijke wet schadelijk zou zijn voor de Kerk; men zou dus in geen geval kunnen geloven dat ze door Christus is ingesteld; wat voorafgaat wordt bewezen: als de Paus een verborgen ketter was, en om die reden ipso facto zijn ambt had verloren, zouden al zijn handelingen ongeldig zijn.

 

Gij zult zeggen dat dit argument niets bewijst wat betreft een notoire en publieke ketter. Maar dat is niet waar, want als de externe maar verborgen ketter nog de ware Paus kan zijn, kan hij dat eveneens blijven in het geval waarin de overtreding bekend wordt, zolang er geen uitspraak tegen hem is gedaan. En dit zowel omdat niemand een straf ondergaat tenzij ipso facto of door een uitspraak en omdat dit nog grotere kwaden zou meebrengen. Inderdaad zou er twijfel zijn over de graad van schande die nodig is opdat hij zijn ambt verliest; daaruit zouden schisma’s ontstaan, en alles zou onzeker worden, vooral als de Paus, nadat hij als ketter bekend is geworden, zijn ambt met geweld of door andere middelen zou handhaven en talrijke handelingen van zijn ambt zou uitoefenen.

 

Een tweede bevestiging, die van groot belang is: in het geval waarin de ketterij van de Paus extern zou worden, maar verborgen, en hij zich daarna oprecht zou bekeren, zou hij in een toestand van totale verlegenheid worden geplaatst: als hij zijn ambt heeft verloren vanwege de ketterij, zou hij absoluut het pontificaat moeten verlaten, wat uiterst ernstig is en bijna tegennatuurlijk, want dat zou neerkomen op zichzelf aanklagen; maar hij zou het bisschopsambt ook niet kunnen behouden, want dat zou intrinsiek slecht zijn. Dit zijnde, erkennen zelfs de verdedigers van de tegengestelde opinie dat hij in dit geval het bisschopsambt wettig zou mogen behouden, en dat hij dus de ware Paus zou zijn; dit is de gemeenschappelijke opinie van de canonisten, en die van de Glosa (c. Nunc autem, d. 21). Daaruit leidt men een evident argument tegen hen af, want, aangezien het pauselijk ambt niet door God wordt hersteld door de boetvaardigheid, zoals de genade dat wel wordt, is het ongehoord dat hij die niet de ware Paus is, door God Paus wordt gemaakt zonder verkiezing en het ministerie van de mensen.

 

Tenslotte is het geloof niet absoluut noodzakelijk opdat een mens bekwaam zou zijn tot geestelijke en kerkelijke jurisdictie en ware handelingen zou kunnen stellen die deze jurisdictie vereisen; dus, enzovoort. Wat voorafgaat is evident, aangezien, zoals de traktaten over de boetvaardigheid en de censuren leren, in geval van uiterste noodzaak een ketterse priester kan absolveren, wat niet mogelijk is zonder jurisdictie.

 

(…) De ketterse Paus is geen lid van de Kerk wat betreft de substantie en de vorm die de leden van de Kerk constitueren; maar hij is het hoofd wat betreft het ambt en de werking; en dat is niet verwonderlijk, want hij is niet het eerste en principale hoofd dat handelt door eigen macht, maar hij is op zekere wijze instrumenteel, hij is de plaatsvervanger van het principale hoofd, dat zijn geestelijke werking op de leden kan uitoefenen zelfs door een hoofd van brons; analogisch doopt hij soms door ketteren, soms absolveert hij, enzovoort, zoals we reeds hebben gezegd.

 

(…) Ik stel: Als hij ketter en onverbeterlijk is, houdt de Paus op Paus te zijn zodra een verklarende uitspraak van zijn misdrijf tegen hem wordt uitgesproken door de wettige jurisdictie van de Kerk. Dit is de leer die gemeenschappelijk wordt aangehangen door de doktoren, en het wordt afgeleid uit de eerste brief van de heilige Clemens I, waarin men leest dat de heilige Petrus leerde dat de ketterse Paus moet worden afgezet. De reden is de volgende: Het zou uiterst schadelijk zijn voor de Kerk om een dergelijke herder te hebben en zich niet te kunnen verdedigen in een zo groot gevaar; bovendien zou het tegen de waardigheid van de Kerk zijn om haar te verplichten onderworpen te blijven aan een ketterse Pontifex zonder hem te kunnen verdrijven; want zoals de priester is, zo is het volk; dit wordt bevestigd door de redenen die worden aangevoerd ten gunste van de voorgaande opinie (die van de ipso facto afzetting), vooral die welke zegt dat de ketterij «als een kanker verspreidt», om welke reden de ketteren zo snel mogelijk moeten worden vermeden, en dus des te meer de ketterse herder; maar hoe kan hij worden vermeden als hij niet ophoudt herder te zijn?

 

Redactionele nota:

Deze argumentatie lijkt echter een moeilijkheid te bevatten. Als de publiek ketterse Pontifex werkelijk de jurisdictie behoudt tot een verklaring van de Kerk, volgt daar precies uit dat een man die van de Kerk gescheiden is, deze zelfde Kerk juridisch kan blijven besturen gedurende de hele tijd die nodig is voor de samenroeping van deze vergadering en de uitvaardiging van haar verklaring. Een dergelijke consequentie lijkt moeilijk te verzoenen met het eigen doel van het kerkelijk gezag, dat is de eenheid van het geloof te bewaren en de gelovigen te beschermen tegen de dwalingen, veeleer dan toe te laten dat een publiek ketterse leider het bestuur van de Kerk blijft uitoefenen.

 

(…) Over deze conclusie moeten enkele uitleg worden gegeven.

In de eerste plaats, wie zou een dergelijke uitspraak moeten doen? Sommigen zeggen de Kardinalen; en de Kerk zou hun ongetwijfeld deze bevoegdheid kunnen toekennen, vooral als dit was vastgelegd met instemming en bepaling van de Soevereine Pontifices, zoals dat voor de verkiezing is gebeurd. Maar tot nu toe lezen we nergens dat een dergelijk oordeel aan hen is toevertrouwd. Bijgevolg moet men zeggen dat het van rechtswege toebehoort aan alle Bisschoppen van de Kerk. Want, als gewone herders en zuilen van de Kerk, moet men beschouwen dat deze voorname zaak hun toekomt, en aangezien door het menselijk recht niets over de materie is vastgelegd, moet men noodzakelijk houden dat de zaak aan allen refereert, en zelfs aan het algemeen Concilie. Dit is de gemeenschappelijke opinie van de doktoren. Men kan zien dat Kardinaal Albano dit punt uitvoerig uiteenzet («De Cardinalibus», q.35 – editie van 1584, tom.13, p.2).

 

Tweede twijfel: hoe zou een dergelijk Concilie legitiem kunnen samenkomen, aangezien het aan de Paus toekomt het legitiem bijeen te roepen? Men antwoordt, in de eerste plaats, dat misschien een eigen algemeen Concilie niet noodzakelijk zou zijn, maar dat het voldoende zou zijn dat in elke regio provinciale of nationale Concilies worden bijeengeroepen door de Aartsbisschoppen of Primaten, en dat allen tot dezelfde conclusie komen. In de tweede plaats, als een algemeen Concilie wordt bijeengeroepen om zaken van het geloof te definiëren of om universele wetten uit te vaardigen, is het legitiem slechts als het door de Paus wordt bijeengeroepen; maar als het wordt bijeengeroepen om de materie te behandelen waarover wij spreken, die speciaal de Pontifex zelf betreft en hem in zekere zin tegengesteld is, kan het Concilie legitiem worden bijeengeroepen hetzij door het College van Kardinalen, hetzij door overeenkomst onder de Bisschoppen; en als de Pontifex zou proberen een dergelijke bijeenkomst te verhinderen, moet men hem niet gehoorzamen, want, handelend tegen de gerechtigheid en het algemeen welzijn, zou hij zijn hoogste macht misbruiken.

 

(…) Daaruit ontstaat de derde twijfel: met welk recht zou de Paus door deze vergadering kunnen worden geoordeeld, aangezien zij hem ondergeschikt is? Over dit punt spant Cajetanus zich buitengewoon in om niet te worden gedwongen toe te geven dat de Kerk of het Concilie boven de Paus staat in geval van ketterij; hij concludeert tenslotte dat zij boven de Paus staan, niet als Paus, maar als privépersoon. Deze onderscheiding bevredigt echter niet, want met hetzelfde argument zou men kunnen zeggen dat de Kerk hoofd is om de Paus te oordelen en te straffen, niet als Paus, maar als privépersoon (…).

 

Anderen beweren dat, in geval van ketterij, de Kerk superieur is aan de Paus. Maar dat is moeilijk toe te geven, want Christus heeft de Paus ingesteld als absoluut hoogste rechter; de kanunniken bevestigen dit beginsel ook in het algemeen zonder onderscheidingen; en, tenslotte, kan de Kerk geen enkele daad van jurisdictie over de Paus uitoefenen, en bij zijn verkiezing verleent zij hem de macht niet maar duidt zij de persoon aan aan wie Christus rechtstreeks de macht verleent.

 

Bijgevolg zou de Kerk bij het afzetten van een ketterse Paus niet handelen als superieur aan hem, maar juridisch, en met instemming van Christus, hem ketter verklaren en dus absoluut onwaardig voor de pauselijke eerbewijzen; hij zou dan ipso facto en onmiddellijk door Christus worden afgezet, en eenmaal afgezet zou hij ondergeschikt worden en gestraft kunnen worden.

 

Redactionele nota:

Deze constructie roept echter een grote moeilijkheid op. Zij lijkt, tussen het misdrijf van ketterij en het verlies van het Pontificaat, een extrinsieke voorwaarde in te voeren. Nu beweert Suarez zelf dat hij geen wet vindt die deze voorwaarde vastlegt en dat er geen zekere Traditie over deze kwestie bestaat. Als dat zo is, op welke positieve grondslag berust dan de noodzaak van een voorafgaande verklaring voordat Christus de pauselijke jurisdictie intrekt?

 

  1. Weerlegging van deze opinie door de heilige Robertus Bellarminus

 

De heilige Robertus Bellarminus, die deze vierde opinie niet goedkeurde, weerlegt ze aldus:

 

«De vierde opinie is die van Cajetanus, volgens wie (de auctor. papae et conc., cap. 20 en 21) de manifest ketterse Paus niet ipso facto is afgezet, maar door de Kerk kan en moet worden afgezet. Naar mijn oordeel kan deze opinie niet worden verdedigd. Want, in de eerste plaats, wordt door argumenten van gezag en van rede bewezen dat de manifeste ketter ipso facto is afgezet. Het argument van gezag is gegrond op de heilige Paulus (Epist. ad Titum, 3), die beveelt dat de ketter na twee vermaningen moet worden vermeden, dat wil zeggen nadat hij zich manifest hardnekkig heeft getoond – wat betekent vóór elke excommunicatie of gerechtelijke uitspraak. En dat is wat de heilige Hieronymus schrijft, eraan toevoegend dat de andere zondaars uit de Kerk worden gesloten door een uitspraak van excommunicatie, maar dat de ketteren zichzelf verbannen en zichzelf van het lichaam van Christus scheiden. Nu kan een Paus die Paus blijft niet worden vermeden, want hoe zouden wij verplicht kunnen zijn onze eigen hoofd te vermijden? Hoe kunnen wij ons scheiden van een lid dat met ons verenigd is? Dit beginsel is zeer zeker. De niet-christen kan op geen enkele manier Paus zijn, zoals Cajetanus zelf toegeeft (ibidem, cap. 26). De reden is dat hij het hoofd niet kan zijn van datgene waarvan hij geen lid is; nu is hij die geen christen is geen lid van de Kerk, en een manifeste ketter is geen christen, zoals de heilige Cyprianus (lib. 4, epist. 2), de heilige Athanasius (Ser. 2 cont. Arian.), de heilige Augustinus (lib. de grat. Christ. cap. 20), de heilige Hieronymus (cont. Lucifer.) en anderen duidelijk leren; dus de manifeste ketter kan geen Paus zijn.

 

Hierop antwoordt Cajetanus (in Apol. pro tract. Praedicto cap. 25 en in ipso tract. cap. 22) dat de ketter niet simpliciter christen is, maar secundum quid. Want, aangezien twee dingen de christen constitueren – het geloof en het merkteken –, is de ketter, die het geloof heeft verloren, nog op zekere wijze met de Kerk verenigd en bekwaam tot jurisdictie; dus is hij ook Paus, maar hij moet worden verwijderd, aangezien hij met een ultieme dispositie is beschikt om op te houden Paus te zijn; zoals de mens die nog niet dood is maar in extremis verkeert.

 

Tegen dit; in de eerste plaats, als de ketter krachtens het merkteken in act met de Kerk verenigd zou blijven, zou hij er nooit in act van kunnen worden afgesneden of gescheiden, want het merkteken is onuitwisbaar. Maar er is niemand die ontkent dat bepaalde personen in act van de Kerk kunnen worden gescheiden. Dus maakt het merkteken niet dat de ketter in act in de Kerk is, maar is het slechts een teken dat hij er was en dat hij er moet terugkeren. Analoog, wanneer het schaap verloren in de bergen ronddwaalt, maakt het merkteken dat op hem is gedrukt niet dat het in de schaapskooi is, maar geeft het aan uit welke schaapskooi het is gevlucht en naar welke schaapskooi het moet worden teruggebracht. Deze waarheid heeft een bevestiging bij de heilige Thomas die zegt (Summa Th. III, 8, 3) dat zij die het geloof niet hebben niet in act met Christus verenigd zijn, maar slechts potentieel – en de heilige Thomas spreekt hier over de innerlijke vereniging, en niet over de uiterlijke vereniging die door de belijdenis van het geloof en de zichtbare tekenen wordt voortgebracht. Dus, aangezien het merkteken iets innerlijks is, en niet uiterlijks, verenigt volgens de heilige Thomas het enkele merkteken een mens niet in act met Christus.

 

Bovendien tegen het argument van Cajetanus; ofwel is het geloof een dispositie die simpliciter noodzakelijk is voor iemand om Paus te zijn, ofwel is het slechts noodzakelijk om Paus te zijn op een meer volmaakte wijze (ad bene esse). In de eerste hypothese, in het geval waarin deze dispositie wordt geëlimineerd door de tegengestelde dispositie, die de ketterij is, houdt de Paus onmiddellijk op Paus te zijn; want de vorm kan zich niet handhaven zonder de noodzakelijke disposities. In de tweede hypothese kan de Paus niet worden afgezet om reden van ketterij, want anders zou hij ook moeten worden afgezet wegens onwetendheid, onbetamelijkheid, en andere soortgelijke oorzaken, die de wetenschap, de betamelijkheid en de andere disposities verhinderen die noodzakelijk zijn opdat hij Paus zou zijn op een meer volmaakte wijze (ad bene esse papae). Bovendien erkent Cajetanus (tract. praed., ca. 26) dat de Paus niet kan worden afgezet voor de tekortkoming aan disposities die noodzakelijk zijn, niet simpliciter, maar slechts voor een grotere volmaaktheid (ad bene esse).

 

Hierop antwoordt Cajetanus dat het geloof een dispositie is die simpliciter noodzakelijk is, maar partieel, en niet totaal; en dat, dus, bij het verdwijnen van het geloof, de Paus nog Paus kan blijven, vanwege het andere deel van de dispositie, namelijk het merkteken, dat nog blijft bestaan.

 

Tegen dit argument: ofwel is de totale dispositie, bestaande uit het merkteken en het geloof, simpliciter noodzakelijk, ofwel is ze dat niet, waarbij de partiele dispositie dan voldoende zou zijn. In de eerste hypothese blijft bij het verdwijnen van het geloof de simpliciter noodzakelijke dispositie niet meer bestaan, want de simpliciter noodzakelijke dispositie was de totale, en de totale bestaat niet meer. In de tweede hypothese is het geloof slechts noodzakelijk voor een meer volmaakte wijze van zijn (ad bene esse), en dus rechtvaardigt zijn afwezigheid de afzetting van de Paus niet. Bovendien, wat zich in de ultieme dispositie tot de dood bevindt, houdt onmiddellijk op te bestaan door het volgende, zonder tussenkomst van enige andere externe kracht, zoals evident is; dus houdt ook de ketterse Paus op Paus te zijn door zichzelf, zonder enige afzetting.

 

Tenslotte leren alle Heilige Vaders niet alleen dat ketteren buiten de Kerk staan, maar ook dat zij ipso facto van alle kerkelijke jurisdictie en waardigheid worden beroofd. De heilige Cyprianus (lib. 2, epist. 6) zegt: «wij stellen dat absoluut alle ketteren en schismatici geen enkele macht of recht hebben»; en hij leert ook (lib. 2, epist. 1) dat ketteren die naar de Kerk terugkeren als leken moeten worden ontvangen, zelfs als zij vroeger priesters of bisschoppen in de Kerk waren. De heilige Optatus (lib. 1 cont. Parmen.) leert dat ketteren en schismatici de sleutels van het rijk der hemelen niet kunnen hebben, noch binden noch ontbinden. Hetzelfde leren de heilige Ambrosius (lib. 1 de poenit., cap. 2), de heilige Augustinus (in Enchir., cap. 65), de heilige Hieronymus (lib. cont. Lucifer.) (…).

 

Paus de heilige Celestinus I (epist. ad Jo. Antioch., die voorkomt in het Concilie van Efeze, tom. I, cap. 19) schreef: «Het is evident dat hij in onze communie is gebleven en blijft, en wij beschouwen niet als afgezet hem die is geëxcommuniceerd of van zijn ambt beroofd, hetzij bisschoppelijk of clerikaal, door bisschop Nestorius of door anderen die hem volgen, nadat dezen begonnen zijn ketterij te prediken. Want de uitspraak van hem die zich reeds heeft getoond als iemand die moet worden afgezet, kan niemand afzetten.»

 

En in een brief aan de clerus van Constantinopel zegt Paus de heilige Celestinus I: «Het gezag van onze Apostolische Stoel heeft bepaald dat de bisschop, clericus of eenvoudige christen die door Nestorius of zijn aanhangers is afgezet of geëxcommuniceerd, nadat dezen begonnen zijn ketterij te prediken, niet als afgezet of geëxcommuniceerd moet worden beschouwd. Want hij die met zulke predikingen in het geloof is tekortgeschoten, kan niemand afzetten of verwijderen.»

 

Hetzelfde wordt herhaald en bevestigd door de heilige Nicolaas I (Epist. ad Michael). Tenslotte leert ook de heilige Thomas (S. Theol., II-II, 39, 3) dat schismatici onmiddellijk alle jurisdictie verliezen, en dat wat zij op basis van enige jurisdictie proberen te doen, nul zal zijn.

 

Er is geen grond voor wat sommigen hierop antwoorden: dat deze Vaders zich baseren op het oude recht, terwijl tegenwoordig, door het decreet van het Concilie van Konstanz, alleen zij die nominaal geëxcommuniceerd zijn en zij die clerici aanvallen, de jurisdictie verliezen. Dit argument – zeg ik – heeft geen waarde, want deze Vaders, die stellen dat ketteren de jurisdictie verliezen, halen geen menselijk recht aan, dat misschien in die tijd over de materie niet bestond, maar argumenteren op basis van de eigen natuur van de ketterij. Het Concilie van Konstanz behandelt alleen de geëxcommuniceerden, dat wil zeggen hen die de jurisdictie verliezen door een uitspraak van de Kerk, terwijl ketteren reeds vóór hun excommunicatie buiten de Kerk staan en van alle jurisdictie zijn beroofd. Want zij zijn reeds door hun eigen uitspraak veroordeeld, zoals de Apostel leert (Tit. 3,10-11), dat wil zeggen dat zij van het lichaam van de Kerk zijn afgesneden zonder excommunicatie, zoals de heilige Hieronymus verklaart.

 

Bovendien is de tweede bewering van Cajetanus, dat de ketterse Paus werkelijk en met gezag door de Kerk kan worden afgezet, niet minder vals dan de eerste. Want als de Kerk de Paus tegen zijn wil afzet, staat zij zeker boven de Paus; toch verdedigt Cajetanus zelf in hetzelfde traktaat het tegendeel hiervan. Cajetanus antwoordt dat de Kerk bij het afzetten van de Paus geen gezag over de Paus heeft, maar alleen over de band die de persoon met het Pontificaat verbindt. Op dezelfde wijze als de Kerk bij het verbinden van het Pontificaat aan zo’n persoon daardoor niet boven de Pontifex staat, zo kan de Kerk het Pontificaat van zo’n persoon scheiden in geval van ketterij, zonder te zeggen dat zij boven de Pontifex staat.

 

Maar hiertegen moet men in de eerste plaats opmerken dat, uit het feit dat de Paus bisschoppen afzet, men afleidt dat de Paus boven alle bisschoppen staat, hoewel de Paus bij het afzetten van een bisschop de bisschoppelijke jurisdictie niet vernietigt, maar ze alleen van die persoon scheidt. In de tweede plaats is iemand van het Pontificaat afzetten tegen de wil van de afgezetten ongetwijfeld een straf; dus straft de Kerk bij het afzetten van een Paus tegen zijn wil ongetwijfeld; nu is straffen eigen aan een meerdere of rechter. In de derde plaats, aangezien volgens Cajetanus en de andere thomisten in werkelijkheid het geheel en de delen samen genomen hetzelfde zijn, heeft hij die gezag heeft over de delen samen genomen, en ze van elkaar kan scheiden, ook gezag over het geheel dat door deze delen wordt gevormd.

 

En het voorbeeld van de kiezers dat Cajetanus geeft, is niets waard, zij die de macht hebben om een bepaalde persoon voor het Pontificaat aan te wijzen, zonder echter macht over de Paus te hebben. Want, wanneer iets in wording is, wordt de werking uitgeoefend op de materie van de toekomstige zaak, en niet op het samengestelde, zoals duidelijk wordt in de beschouwing van de dingen der natuur. Bijgevolg oefenen de Kardinalen bij het scheppen van de Pontifex hun gezag niet uit over de Pontifex, want deze bestaat nog niet, maar over de materie, dat wil zeggen over de persoon die door de verkiezing geschikt wordt gemaakt om van God het Pontificaat te ontvangen. Maar als zij de Pontifex zouden afzetten, zouden zij noodzakelijk gezag uitoefenen over het samengestelde, dat wil zeggen over de persoon die met pauselijke macht is bekleed, dat wil zeggen over de Pontifex.

 

 

Noten

(1) Deze vierde opinie is dus absoluut niet hetzelfde als het conciliarisme – een theorie die als ketterij is veroordeeld volgens welke het Concilie superieur zou zijn aan de Paus, in staat hem te oordelen en af te zetten.

(2) Suarez is aanhanger van de eerste opinie, en verdedigt deze vierde alleen in de hypothese – die hij minder waarschijnlijk acht – dat de Pontifex in de ketterij kan vallen. Cajetanus daarentegen geeft positief toe de mogelijkheid van de afvalligheid van de Paus in het geloof.

(3) De term «afzetting» wordt hier gebruikt in de klassieke theologische zin van verlies van het pontificaat.

(4) Deze bewering van Suarez lijkt niet gegrond. De heilige Paulus (Tit. 3,10) en de heilige Johannes (II Jn 10-11) gebieden de ketter te vermijden.

(5) Het dilemma dat Suarez voorlegt is geldig, maar hij ziet niet in dat volgens de vijfde opinie er een samengesteld feit is dat de automatische verlies meebrengt.

(6) De vijfde opinie is die waaraan de heilige Robertus Bellarminus zich houdt.

(7) Vandaag klinkt deze these niet meer zo vreemd in de oren van vele theologen. De heilige Alfonsus de Liguori geeft in beginsel een dergelijke mogelijkheid toe.

(8) Zie de opmerkingen over de onverenigbaarheid in de wortel, maar niet absoluut, tussen ketterij en kerkelijke jurisdictie.

(9) Hier bevindt zich de voornaamste tegenwerping die tegen deze vierde opinie kan worden ingebracht.

(10) Hier is het centrale punt – en dat ons zwak lijkt – van de argumentatie van Suarez.

(11) Men mag de ipso facto afzetting van de vijfde opinie niet verwarren met die waar Suarez hier naar verwijst.

(12) Suarez, De Fide, disp. X, sect. VI, nn. 3-10, pp. 316-318.

(13) In de hierna aangehaalde tekst presenteert en weerlegt de heilige Robertus Bellarminus de voornaamste redenen die door Cajetanus worden aangevoerd.

(14) Wij herinneren eraan dat de term «afzetting» door de heilige Robertus Bellarminus in generische zin van verlies van het pontificaat wordt gebruikt.

(15) Volgens het huidige geldende Canoniek Recht (1917) bestaat er geen latae sententiae afzetting; bijgevolg blijven ketterse bisschoppen en priesters hun ambten bezetten… Strijdt deze bepaling met de beginselen die de heilige Robertus Bellarminus uiteenzet? Gedeeltelijk wel… wij stellen vast dat de uitspraken van de heilige Robertus Bellarminus volledig verdedigbaar blijven mits zij op deze twee punten worden genuanceerd.

(16) De heilige Robertus Bellarminus, De Rom. Pont., lib. II, cap. 30, pp. 418-420.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*