Verlies van het Pauselijk Ambt wegens Ketterij
volgens het Dictionnaire de Théologie Catholique
en andere bronnen.
Inhoudsopgave
- Voorafgaande nota’s en fundamenteel principe
1.1. Volgens de Kerkvaders
1.2. De 135 auteurs
- De leer in het Dictionnaire de Théologie Catholique (D.T.C.): controverse over de vrijstelling van ketterij en de afzetting van pausen
2.1. Bronnen
2.2. Artikel van het D.T.C. “II. THEOLOGISCHE CONTROVERSE BETREFFENDE HET
VOORRECHT VAN DE VRIJSTELLING VAN KETTERIJ”
2.2.1. Historisch overzicht
2.2.2. Leer bij Innocentius III en de canonisten
2.2.3. Vanaf de 13de eeuw
2.3. In de 15de eeuw
2.4. Dictionnaire de Théologie Catholique (D.T.C.), artikel “Afzetting en degradatie van clerici”
2.4.1. Principe van goddelijke instelling
2.4.2. Regel “Prima sedes a nemine judicetur”
2.4.3. Canon toegeschreven aan paus Silvester
2.4.4. Rechter van de soevereine pontifex
2.4.5. Onbevoegdheid van de keizers
2.4.6. Algemene concilies en schijnbare uitzonderingen
- Meningen van theologen, doktoren en canonisten uit de Middeleeuwen en de daaropvolgende eeuwen
- Getuigenissen van pausen, concilies en Kerkvaders
- Adviezen van heilige doktoren en moderne theologen
- Reflecties van het Eerste Vaticaans Concilie en daarmee samenhangende verklaringen
- Historische voorbeelden en toepassing van het principe
- Profetieën betreffende de crisis van de Kerk en de vacature van de Apostolische Stoel
Bronnen
« Prima sedes a nemine judicetur
nisi deprehendatur … a fide devius »
Bewijs van het bestaan en de zekere waarde
van het principe dat door het gehele Magisterium
van de Middeleeuwen is aanvaard:
« De paus wordt door niemand geoordeeld,
tenzij vaststaat dat hij afwijkt van het geloof. »
- Voorafgaande nota’s en fundamenteel principe
1.1. Volgens de Kerkvaders (heilige Vincentius van Lerins, Commonitorium) behoort het tot het geloof en tot het depositum fidei dat elke leer die “altijd, overal en door allen” (quod ubique, semper, ab omnibus) is geloofd en onderwezen in de Kerk, teruggaat tot de Apostelen, dus tot Onze Heer Jezus Christus, dus tot God. In de hierna geciteerde bronteksten markeren de passages in rood (wanneer zij in de originele edities aanwezig zijn) precies deze leerstellingen quod ubique, semper, ab omnibus.
1.2. De 135 auteurs die dit onderwerp hebben behandeld – pausen, concilies, Kerkvaders, Kerkleraren, bisschoppen en theologen – hebben niet gesproken over “formeel of materieel ketter”. Deze onderscheiding is onmogelijk toe te passen op een paus, aangezien er geen enkele menselijke autoriteit boven de soevereine pontifex staat (behalve de mensheid van Onze Heer Jezus Christus, die niet meer op aarde is maar aan de rechterhand van de Vader zetelt en tegelijk God is). Volgens het canoniek recht is er immers om formeel ketter te zijn contumacia vereist, volharding in de ketterij na vermaningen door de wettige autoriteit. Omdat de paus geen menselijke autoriteit boven zich heeft, achten de meeste auteurs het normaal, gepast, hoogst nuttig en zelfs noodzakelijk dat de Kerk, en in het bijzonder het gezonde deel van de bisschoppen, de paus waarschuwt voor zijn dwalingen om zijn ziel te redden en vooral voor het welzijn van de gehele Kerk; maar dit maakt hem niet formeel ketter in de zin van het canoniek recht. Dit belet echter niet – volgens de eenstemmigheid van de auteurs – dat hij ketter kan worden en als iemand die zijn ambt van paus heeft verloren, kan worden beschouwd. De teksten zelf spreken nauwelijks of niet over de formeel/materieel-onderscheiding.
Zie de exhaustieve studie van professor da Silveira in andere hoofdstukken.
- De leer in het Dictionnaire de Théologie Catholique (D.T.C.): controverse over de vrijstelling van ketterij en de afzetting van pausen
2.1. Bronnen:
Dictionnaire de Théologie Catholique (D.T.C.), 1927, Deel 7, 2de deel, artikel “Onfeilbaarheid van de paus”, blz. 1714 en volgende.
2.2. “II. THEOLOGISCHE CONTROVERSE BETREFFENDE HET VOORRECHT VAN DE VRIJSTELLING VAN KETTERIJ, TOEGEKEND DOOR SOMMIGE THEOLOGEN AAN DE PAUS, ZELFS ALS PRIVÉ-PERSOON BESCHOUWD.”
2.2.1. Historisch overzicht. — “De paus wordt door niemand geoordeeld, tenzij vaststaat dat hij afwijkt van het geloof.” Men vindt deze bewering in het Decretum van Gratianus, toegeschreven aan heilige Bonifatius, aartsbisschop van Mainz, en reeds geciteerd onder zijn naam door kardinaal Deusdedit (overleden in 1087), alsook door Ivo van Chartres, Decretum, V, 23: de paus kan falen in het geloof: “Hujus (i.e. papae) culpas istic redarguere praesumit mortalium nullus, quia cunctos ipse judicaturus a nemine est judicandus, nisi deprehendatur a fide devius” (vertaling: geen enkel sterfelijk wezen waagt het de fouten van de paus te berispen, want hij die iedereen zal oordelen, kan door niemand geoordeeld worden, tenzij hij gevonden wordt afwijkend van het geloof). Decretum, deel I, dist. XL, c. 6.
2.2.2. In het vervolg vindt men dezelfde leer terug zelfs bij de meest overtuigde voorstanders van het pauselijk voorrecht. Innocentius III verwijst ernaar in een van zijn preken: “In tantum fides mihi necessaria est ut, cum de ceteris peccatis solum Deum judicem habeam, propter solum peccatum quod in fide committitur, possem ab Ecclesia judicari” (vertaling: Terwijl ik voor de andere zonden God alleen als rechter heb, is het voor de enige zonde die in het geloof wordt begaan noodzakelijk dat ik door de Kerk geoordeeld kan worden), P.L., t. CCXVII, col. 656. De grote scholastieke theologen hebben deze hypothese over het algemeen verwaarloosd; maar de canonisten van de 12de en 13de eeuw kennen en becommentariëren de tekst van Gratianus. Allen geven zonder moeite toe dat de paus in ketterij kan vallen zoals in elke andere zware fout; zij bekommeren zich er alleen om te onderzoeken waarom en onder welke voorwaarden hij in dat geval door de Kerk geoordeeld kan worden. Voor sommigen is dit de enige uitzondering op de onaantastbaarheid van de paus: “Non potest accusari nisi de haeresi”, staat in de Summa Lipsiensis (voor 1190). Anderen stellen schisma, simonie, wangedrag gelijk aan ketterij, maar de zonde tegen het geloof blijft altijd het typische geval dat hen dient om de procedure te regelen. Het moet gaan om een zaak die de gehele Kerk aangaat. Rufinus (omstreeks 1164-1170) vat de meningen van zijn tijd aldus samen: “In ea (causa) quae totam Ecclesiam contingit, (papam) judicari potest, sed in ea quae unam personam vel plures (contingit), non”. Dezelfde auteur preciseert dat deze regel moet worden verstaan van de hardnekkige ketterij: “Prima sedes non judicabitur a quoquam nisi in fidei articulis pertinaciter erraverit”. Dit veronderstelt, volgens Johannes van Faënza, dat de schuldige paus “secundo et tertio commonitus” is geweest. In dat geval is er geen reden meer om de primauteit in te roepen: volgens Huguccio (overleden in 1210) is de paus dan “minor quolibet catholico”.
2.2.3. Vanaf de 13de eeuw hebben de decretalisten de neiging zich aan de letter van Gratianus te houden, die de decretisten graag uitbreidden tot soortgelijke gevallen. De eersten beperken het oordeel over de paus dus tot het enige geval van ketterij: “Nisi in crimine haeresis”, zegt Bernardus van Pavia (overleden in 1213); “Excipitur unum solum crimen super quo Papa accusari possit”, verklaart de beroemde Hostiensis (Hendrik van Segusio, overleden in 1271). Maar de mogelijkheid van dit laatste geval wordt altijd zonder de minste aarzeling voorzien. Beperkt of uitgebreid, de gedachte van Gratianus heeft het gehele canonieke recht van de Middeleeuwen gedomineerd.
Fr. Schulte, Die Stellung der Concilien, Päpste und Bischöfe, Praag, 1871, blz. 188-205 en Bijlage 253-268, heeft ter ondersteuning van het “oude katholicisme” een zeer volledig dossier van deze teksten samengesteld, waarvan de meeste onuitgegeven of moeilijk toegankelijk zijn.
2.3. In de 15de eeuw blijft dezelfde leer bestaan bij talrijke auteurs, die, zoals hun voorgangers, eraan toevoegen dat de paus in dat geval onmiddellijk vervallen is van de pauselijke waardigheid of ipso facto afgezet (Torquemada, Summa de Ecclesia, l. II, c. CXII, Rome, 1469). Volgens andere theologen kan de paus in dat geval door een concilie geoordeeld worden. Nicolaas Tudeschi, of Panormitanus (overleden in 1445), Commentaria in Decretal., l. I, tit. IV, c. 4, n. 3, Venetië, 1617, t. I, p. 108; Thomas Netter of Waldensis (overleden in 1430), Doctrinale antiquitatum fidei Ecclesiae catholicae, l. II, a. 3, c. 80, Venetië, 1571, t. 1, p. 397.
- Dublanchy.
2.4. Dictionnaire de Théologie Catholique (D.T.C.), Derde druk, 1924, artikel “Afzetting en degradatie van clerici”, Deel 4, 2de deel (of Deel 8).
- AFZETTING VAN PAUSEN.
2.4.1. Het principe volgens hetwelk niemand ontslagen kan worden behalve door degene die hem heeft aangesteld, geldt voor pausen evenzeer als voor andere clerici. Nu worden de pausen verkozen door het college van kardinalen, maar zij ontvangen hun autoriteit van God. In die zin interpreteren de canonisten de l. II, tit. 1, De judic., c. 13, die de heilige Paulus citeert: “Potestas nostra non est ex homine, sed ex Deo”. Cf. Fagnan, Comment., ad c. 4, De elect., l. vi, n. 32. Daarom verkondigde paus Innocentius III hoog zijn soevereine onafhankelijkheid tegenover elke menselijke macht: “De Romeinse pontifex, zegt hij, heeft geen andere meerdere dan God”, “post Deum alium superiorem non habet”. Serm., IV, in consecrat. pontif., P.L., t. CCXVII, col. 670. En hij concludeerde daaruit dat niemand de macht had hem af te zetten: “cum romanus pontifex non habeat alium dominum nisi Deum, quantumlibet evanescat, quis potest eum foras mittere?” Serm., IV, in consecrat. pontif., ibid.
2.4.2. Deze regel is al vroeg geformuleerd in de volgende termen: “Prima sedes a nemine judicetur”. De apocriefe akten van het concilie van Sinuessa in 303 bevatten hem reeds. De paus Marcellinus, beschuldigd van het offeren van wierook aan de goden, wordt verondersteld schuld te hebben bekend; de bisschoppen beperken zich ertoe zijn afzetting uit te spreken en voegen eraan toe: “Juste ore suo condemnatus est … Nemo enim unquam judicavit pontificem, nec praesul sacerdotem suum ; quoniam prima sedes non judicabitur a quoquam” (Hardouin, t. I, col. 217 sq.). Toen later de paus Symmachus, met ongehoorde felheid vervolgd door de aanhangers van de antipaus Laurentius, voor verschillende synodes werd gedaagd die de koning van de Ostrogoten, Theoderik de Grote, bijeenriep, durfde men hem niet te veroordelen, noch zelfs te oordelen, omdat men vreesde zijn hoogste autoriteit aan te tasten; men achtte dat hij niet aan het oordeel van zijn minderen kon worden onderworpen: “nec antedictae sedis antistitem minorum subjacuisse judicio”, Hardouin, t. II, col. 967. Over deze zaak, zie het artikel “Uno antipapa e uno scisma al tempo del Theodorico”, in Civiltà cattolica, 4 april 1908, p. 68-78. Ennodius van Pavia (overleden in 521) schrijft hierover dat, als God heeft gewild dat “de mensen de processen van de mensen beslechten”, Hij voor zichzelf de zaken van de Heilige Stoel heeft voorbehouden: “sed sedis istius presulis suo, sine quaestione, reservavit arbitrio” (Caus. IX, q. III, c. 14). De beslissingen van het concilie bekend onder de naam synodus Palmaris, die Symmachus vrijsprak, werden naar de bisschoppen van Gallië gestuurd en dezen belastten heilige Avitus van Vienne om in hun naam te antwoorden aan de senatoren van Rome, Faustus en Symmachus. Avitus benadrukt in zijn brief het principe “dat een meerdere niet door minderen geoordeeld kan worden”: “non facile datur intelligi qua lege ab inferioribus eminentior judicetur”, en prijst de synode omdat zij het gedrag van de paus aan het oordeel van God heeft voorbehouden: “divino potius servavit examini”. “Ook, als men de paus aanraakt, wankelt niet een bisschop, maar het gehele episcopaat.” Epist. ad senat. urbis Romae, in Hardouin, t. II, col. 982 sq. Zo geldt de regel “prima sedes a nemine judicetur” niet alleen in Italië, maar in een veel ruimere kring.
2.4.3. Toen dus een vervalser aan paus Silvester de beroemde canon toeschreef: “Nemo judicabit primam sedem, quoniam omnes sedes a prima sede justitiam desiderant temperari”, Act., II, can. 20, Hardouin, t. I, col. 294, formuleerde hij slechts de leer die in zijn tijd werd aanvaard. Heilige Bonifatius, de apostel van Duitsland, of de auteur wie het ook zij van de tekst, dist. XL, c. 6, preciseert hem nog, wanneer hij verklaart dat, behalve in geval van ketterij, de paus door niemand geoordeeld kan worden: “quia cunctos ipse judicaturus a nemine est judicandus, nisi deprehendatur a fide devius”. Dit laatste zinsdeel zal verder worden verklaard. Paus Leo III, vervolgd door laster, verscheen in 800 voor een kerkelijk tribunaal waar Karel de Grote zitting had. Men durfde hem echter niet te oordelen: alle aanwezige aartsbisschoppen, bisschoppen of abten onttrokken zich, zeggende: “Nos sedem apostolicam … judicare non audemus, nam ab ipsa nos omnes et vicario suo judicamur, ipsa autem a nemine judicatur, quemadmodum et antiquitus mos fuit” (Hardouin, t. IV, col. 936). Het Dictatus van Gregorius VII, Hardouin, t. VI, col. 1304; Gratianus, in zijn decreet, dist. XL, c. 6; caus. IX, q. iii, c. 14-16, herhalen dezelfde formule. En het principe was in de 13de eeuw zo algemeen erkend dat koning Filips van Zwaben het herinnert in een brief aan paus Innocentius III: “Ab homine non estis judicandus, sed judicium vestrum soli Deo reservatur”. Scriptum Philippi ad dominum papam, Raynaldi, Annal. eccles., an. 1206, n. 16. Bonifatius VIII hoefde dus slechts de traditie te raadplegen om aan Filips de Schone te schrijven: “Si deviat spiritualis potestas minor, a suo superiore ; si vero suprema, a solo Deo, non ab homine poterit judicari”. Extravag. communes, I, viii, De maiorit. et obedient., c. 1.
2.4.4. Welk zou immers de rechter van de soevereine pontifex kunnen zijn? Niet het Heilig College. Wanneer de kardinalen een paus hebben benoemd, is hun rol afgelopen; degene die zij hebben verkozen, wordt na zijn wijding hun meerdere. En dus hebben zij geen autoriteit meer over hem.
2.4.5. Zou het de keizer zijn? De christelijke keizers zijn inderdaad soms tussenbeide gekomen in kerkelijke zaken, zelfs in pauselijke zaken. Het Romeinse concilie van 378 herinnert aan het oordeel dat keizer Gratianus in het voordeel van paus Damasus velde. Maar het ging om misdaden van gemeen recht waarbij de Staat zowel kracht als recht moest tonen. Epist. romani concilii ad Gratian et Valentinian. imperat., n. 11, cf. n. 8, in Schœnemann, op. cit., p. 360. Al vroeg werd het principe van de onderscheiding van de twee machten in de Kerk erkend. De inmenging van de Staat in kerkelijke zaken leek voortaan aan allen een onverdraaglijk misbruik. Het is waar dat in de 14de eeuw een raadsman van Lodewijk van Beieren, Marsilius van Padua, beweerde dat de pausen slechts jurisdictie in het uiterlijke forum hadden krachtens een keizerlijke concessie en bijgevolg onder de keizers vielen, die hen desnoods konden afzetten. Cf. Defensor pacis, in Goldast, Monarchia romani imperii, t. II, p. 154 sq. Maar deze theorie, geboren in de tumult van een conflict tussen paus en keizer, vond geen krediet bij de canonisten. De geschreven traditie was er reeds tegen. In de beroemde canon toegeschreven aan paus Silvester: “Nemo judicabit primam sedem”, die uit de tijd van Theoderik dateert, las men: “neque ab Augusto, neque ab omni clero, neque a regibus … judicabitur”. Hardouin, t. I, col. 294. En paus Nicolaas I, die keizer Michaël herinnerde aan het principe van de onafhankelijkheid van de twee machten, concludeerde daar terecht uit dat de Romeinse pontifex niet door de wereldlijke macht kon worden afgezet: “a seculari potestate nec ligari posse nec solvi posse pontificem”, Hardouin, t. V, col. 171 sq.; Gratianus dist. XCVII, c. 6, 7. Het Achtste Oecumenische Concilie gehouden te Constantinopel in 869 formuleert plechtig dezelfde leer, can. 21, Hardouin, t. V, col. 909. Daarom, toen keizer Otto op verzoek van het Romeinse concilie van 963 paus Johannes XII liet afzetten, erkende men dat dit een uitzonderlijke daad was en in strijd met het canonieke recht; en men zocht een verontschuldiging in de eveneens uitzonderlijke situatie waarin de Kerk zich bevond: “Inauditum vulnus inaudito est cauterio exurendum”, Hardouin, t. VI, col. 632.
2.4.6. De onbevoegdheid van de keizers om pausen af te zetten vloeit overigens voort uit hun positie tegenover het pausschap. Hoe onafhankelijk zij ook waren in temporele zaken, men mag niet vergeten dat zij door de Romeinse pontifices werden gezalfd en dat zij bijgevolg in zekere opzichten van hen of althans door hun tussenkomst de hoogste autoriteit ontvingen die zij over de volkeren uitoefenden. Om die reden eisten sommige pausen, zoals Gregorius VII, het recht op om keizers af te zetten. Cf. over dit punt Cenni, Monumenta dominationis pontificum, dist. I, n. 21-52; dist. VI, n. 13-41; Kober, op. cit., p. 568-572. Van hun kant beweerden de keizers weliswaar dat de benoeming van pausen niet geldig kon zijn als zij die niet bekrachtigden [dit recht was hun verleend door vroegere pausen]. Maar deze bekrachtiging was duidelijk geen wijding en verleende geen recht over degene die het voorwerp ervan was. Nooit werd een keizer als meerdere van de Romeinse pontifex beschouwd. Nooit kon hij zich bijgevolg het recht aanmatigen hem af te zetten. De pogingen van Hendrik IV tegen Gregorius VII en van Lodewijk van Beieren tegen Johannes XXII moesten noodzakelijk mislukken, omdat zij in strijd waren met het recht en de traditie.
2.4.7. Maar als de ondernemingen van de keizers tegen het pausschap slechts een tijdelijk accident waren in de geschiedenis van de Kerk, zouden de algemene concilies, die onbetwistbaar de hoogste autoriteit bezitten in het geestelijke domein, een paus niet kunnen afzetten die zijn plicht zou verraden? In feite heeft het concilie van Konstanz, ten tijde van het grote Westerse schisma, Johannes XXIII en Benedictus XIII afgezet en de aftreding van Gregorius XII verkregen. Hardouin, t. VIII, col. 376, 386. Dit evenement, dat de vrede in de christenheid herstelde, werd begroet met universele vreugdekreten. Is dit geen aanduiding en een bewijs dat de afzetting van pausen in bepaalde omstandigheden een recht, ja een plicht van de algemene concilies is?
De akten van het concilie van Konstanz moeten worden verklaard, maar hebben de constitutie van de Kerk geenszins gewijzigd. En ten onrechte hebben de Vaders van het concilie beweerd suprematie over de paus te bezitten. Sess. IV en V, Hardouin, t. VIII, col. 252, 258. Cf., over dit punt, Bellarminus De concil. et Eccles., II, 19; Bossuet, Defensio declarationis cleri gallicani, v, 2 sq.; Turmel, Histoire de la théologie positive, t. II, p. 365, 373-378.
De primauteit van de paus is van goddelijke instelling, evenals het episcopaat. Of de paus en de bisschoppen verenigd zijn of gescheiden, hun toestand blijft dezelfde. Zeker, de paus is geen absolute monarch en in een concilie werken de bisschoppen met hem samen. Hij is het hoofd van de Kerk, en zij zijn het lichaam. Maar men kan zich niet voorstellen dat het lichaam een daad van autoriteit stelt zonder het hoofd; men kan zich vooral niet voorstellen dat het lichaam het hoofd overheerst. Bovendien bestaat het oecumenische concilie niet zonder de deelname van de paus. Als men een ogenblik veronderstelt dat de paus aan de ene kant staat en de bisschoppen aan de andere, zou de Kerk opgehouden hebben te bestaan. Het is dus een denkbeeldige hypothese. Anderzijds wordt algemeen aanvaard dat een geïsoleerde bisschop een paus niet kan afzetten. Deze daad van suprematie overtreft zijn bevoegdheid. Men heeft weliswaar gezien dat een Dioscorus van Alexandrië de excommunicatie uitsprak tegen de heilige paus Leo de Grote, en Photius een vonnis van afzetting tegen Nicolaas I. Maar zulke daden werden onmiddellijk nietig verklaard door het concilie van Chalcedon en door dat van Constantinopel. Over dit alles, zie Libellus Theodori diaconi contra Dioscorum, Hardouin, t. II, col. 324; Anastasius de Bibliothecaris, Hardouin, t. V, col. 752; concilie van Chalcedon, Epist. ad Leon. papam, Hardouin, t. III, col. 656; concilie van Constantinopel van 869, Hardouin, t. V, col. 917. Wat één bisschop niet kan doen, kunnen twee bisschoppen noch tien bisschoppen evenmin doen. De optelsom van tien, twintig, honderd onbevoegdheden kan geen bevoegdheid vormen. Een oecumenisch concilie, verstoken van pauselijke sanctie, heeft niet meer autoriteit dan een particulier concilie. Als men dus erkent dat een particulier concilie de macht niet heeft om de soevereine pontifex af te zetten, moet men daaruit besluiten dat een universeel concilie, verstoken van zijn hoofd, hem evenmin kan afzetten. De afzetting uitgesproken door het concilie van Bazel tegen Eugenius IV, een zeker legitieme paus, was radicaal nietig. Als een paus een machtsmisbruik begaat dat voor een eenvoudige bisschop afzetting tot gevolg zou hebben, kan men hem hoogstens openlijk weerstaan, zoals de heilige Paulus tegenover de heilige Petrus deed. Maar zoals Ivo van Chartres opmerkt, heeft hij hem weerstaan maar hem niet afgezet: “In faciem restitit, non tamen eum abjecit”. Epist., CCXXXIII, ad Henric. abbat., P.L., t. CLXII, col. 236. Tegen een paus die in het kwaad volhardt, is er geen andere hulp dan “de tijd van de oogst af te wachten” en zich te verlaten op het oordeel van God. Epist., CCXXVI, ad Joann. episcop. Lugdun., ibid., col. 240.
2.4.8. De soevereine pontifex staat dus boven elke aardse jurisdictie. Dit is zo waar dat hij, zelfs als hij het wilde, zich niet aan een menselijk tribunaal zou kunnen onderwerpen. Men voert weliswaar aan dat paus Damasus zich onderwierp aan de Romeinse synode van 378: “se dedit ipse judiciis sacerdotum”, concilie van Rome, Epist. ad Gratian. et Valentinian. imperat., n. 10, in Schœnemann, p. 360; dat Symmachus hetzelfde deed in 501, Synodus roman. Palmaris, Hardouin, t. II, col. 967, en dat Leo III in 800 een synode te Rome bijeenriep om zich te rechtvaardigen van de misdaden die men hem verweet. Vita Leonis, in Hardouin, t. IV, col. 936. Dit zou overigens in overeenstemming zijn met het Romeinse recht dat als principe stelt dat een meerdere het recht heeft zich te onderwerpen aan de jurisdictie van een mindere. Digest., De jurisdict. omnium judic., II, 1, 14. Maar men moet opmerken dat noch Damasus, noch Symmachus, noch Leo III de Romeinse concilies eigenlijk als rechters hebben genomen; zij hebben hen eenvoudig als getuigen van hun onschuld genomen: “affectu purgationis suae culmen humilians”, zegt de synode waar Symmachus verscheen. Hardouin, t. II, col. 969. Cf. voor Damasus en Leo III, loc. cit. Zeker, het is van gemeen recht dat een particulier afstand kan doen van zijn voorrecht: “Quilibet potest renuntiare juri suo atque favori privato”, Digest., loc. cit., wet 14. Maar dit is alleen wanneer het om een persoonlijke gunst gaat. De soevereine pontifex bevindt zich niet in dat geval. De immuniteit die hij geniet, is hem verleend in het algemeen belang. Het staat niet in zijn macht zich daarvan te ontdoen. Bijgevolg blijft in elke stand van zaken de maxime: “prima sedes a nemine judicetur”, waar.
2.4.9. Niettemin worden aan deze regel gewoonlijk twee uitzonderingen toegelaten. Men herinnert zich dat de canon toegeschreven aan heilige Bonifatius en geciteerd door Gratianus, dist. XL, c. 6, volgens hetwelk “de paus iedereen kan oordelen en door niemand geoordeeld kan worden”, deze reserve bevat: “nisi deprehendatur … a fide devius”.
- De ketterij vormt dus een fout waarvoor een paus door het algemeen concilie kan worden afgezet. Het Romeinse concilie van 503 maakt dezelfde opmerking met betrekking tot [paus] Symmachus: “nisi a recta fide exorbitaverit” (“tenzij hij van het rechte geloof is afgedwaald”), Hardouin, t. II, col. 984.
Deze leer werd door de gehele Middeleeuwen aanvaard en bevestigd. Men vindt haar uitdrukking in de derde toespraak van paus Adrianus II tot het Vierde Concilie van Constantinopel. Hardouin, t. V, col. 866. De pseudo-Isidorus schrijft haar toe aan paus Eusebius. Epist., II, ad episcop. Alexandrin., c. XI; Hinschius, op. cit., p. 237. Gratianus voegt haar in in zijn Decreet, caus. II, q. vii, c. 13. Ivo van Chartres herinnert eraan aan Johannes, aartsbisschop van Lyon. Tenslotte erkent paus Innocentius III plechtig dat, terwijl hij voor zijn andere zonden God alleen als rechter heeft, “in zake ketterij hij door de Kerk geoordeeld kan worden”: “propter solum peccatum quod in fide committitur possem ab Ecclesia judicari”. Serm., II, in consecrat. pontif., P.L., t. CCXVII, col. 656. Dit principe staat dus buiten twijfel. Cf. over dit punt, Bellarminus, De concil. et Ecclesia; Cano, De locis theologicis, VI, 8; Turmel, Histoire de la théologie positive, van het concilie van Trente tot het Vaticaans concilie, p. 366-368.
- De regel die geldt voor ketterse pausen, geldt eveneens voor schismatici, en dat is de tweede uitzondering die wij willen signaleren. Omstreeks het midden van de 11de eeuw claimden drie pausen, Benedictus IX, Silvester III en Gregorius VI, het recht op de tiara. Een concilie kwam bijeen te Sutri in 1046 om de geldigheid van hun titels te onderzoeken. De eerste twee werden afgezet als verkozen door simonie of nepotisme, en Gregorius VI stemde erin toe zijn ontslag te geven. Clemens II werd in hun plaats tot paus verkozen en gewijd in de Sint-Pietersbasiliek te Rome. Bij de dood van Stefanus X liet Benedictus X zich met geweld verkiezen; maar tegen het einde van 1058 slaagde Hildebrand erin de stemmen van de meerderheid van het Heilig College te groeperen op de bisschop van Florence die de naam Nicolaas II aannam. Het concilie dat het jaar daarop te Sutri bijeenkwam, sprak de onttakeling uit van Benedictus X, en Nicolaas hield zonder tegenstand zijn plechtige intocht te Rome. De afzetting van Johannes XXIII en Benedictus XIII op het concilie van Konstanz is een daad van dezelfde aard. Het concilie handelde krachtens zijn autoriteit, omdat het ging om schismatische pausen. Er was geen behoefte, om zijn gedrag te rechtvaardigen, een vermeende superioriteit van het concilie over de soevereine pontifex in te roepen.
Maar wanneer wij zeggen dat de pausen uitzonderlijk kunnen worden afgezet wegens ketterij of schisma, verstaan wij het woord “afzetting” in ruime zin. Eigenlijk wordt in geen van beide gevallen de paus “afgezet” door het concilie. Een paus die in ketterij zou vallen en daarin zou volharden, zou daardoor ophouden lid van de Kerk te zijn en bijgevolg paus te zijn; hij zou zichzelf afzetten. Zo verstaat het Innocentius III: “Potest (pontifex) ab hominibus judicari vel potius judicatus ostendi, si videlicet evanescat in haeresim, quoniam qui non credit iam judicatus est” [Jn 3,18]. Serm., IV, in consecr. pontif., P.L., t. CCXVII, col. 670. Cf. Fagnan, Comment., ad c. 4, De elect., I, vi, n. 70. (“… want wie niet gelooft, is reeds veroordeeld”, zegt Jezus in het Evangelie volgens Johannes 3,18). “Non potest exui iam nudatus”, leest men nog. Sexti decret., l. II, tit. v, De restit. spoliat., c. 1. Cf. Gratianus, caus. XXIV, q. 1, c. 1. Een oordeel dat het algemeen concilie zou uitspreken tegen een schismatische paus is evenmin een afzetting. In feite werden de schismatische pausen eenvoudig behandeld als usurpatoren en ontdaan van een stoel die zij niet legitiem bezaten. Cf. het decreet tegen de simoniakken van het Romeinse concilie van 1039, Hardouin, t. VI, col. 1064; Gratianus, dist. LXXIX, c. 9; Gregorius XV, const. Aeterni Patris, van 1621, sect. XIX, Bullarium roman., t. III, p. 446. De concilies die hen troffen, hebben slechts hun titels op de tiara onderzocht. Zij hebben niet de pausen geoordeeld, maar de verkiezing en de daad van de kiezers: “Eo casu, non pontifex maximus, sed actum potius eligentium judicatur”, zegt Fagnan, loc. cit., n. 65. In werkelijkheid kan niemand een ketterse of schismatische paus afzetten, aangezien de eerste opgehouden heeft paus te zijn en de tweede het nooit is geweest. Bijgevolg zijn de uitzonderingen op de regel die het geschreven recht lijkt aan te duiden, slechts schijnbaar. Het principe “prima sedes a nemine judicetur” is absoluut, het lijdt geen uitzondering: een paus, welke zijn misdaden ook zijn, heeft in het uiterlijke forum geen andere rechter dan God.
Bronnen (van het D.T.C.): Ballerini, De vi ac ratione primatus romanorum pontificum, in Migne, Theologiae cursus completus, t. III; Barbosa, Collectanea doctorum in V lib. Decretalium, 3 in-fol., Lyon, 1656; Bellarminus, De Romano pontifice; De conciliis et Ecclesia; Binterim, Denkwürdigkeiten der christkatholischen Kirche, 7 in-8°, Mainz, 1825-1832; Bullarium magnum Romanum, 19 in-fol., Luxembourg, 1727 sq.; Bullarium Benedicti XIV, 4 in-fol., Rome, 1754-1758; Van Espen, Jus ecclesiasticum universum, 4 in-fol., Leuven (Parijs), 1641; Fagnan, Commentarius in V lib. Decretalium, 3 in-fol., Rome, 1661; Ferraris, Prompta bibliotheca canonica, 8 in-4°, Rome, 1885 sq.; Hardouin, Conciliorum collectio regia maxima, 12 in-fol., 1715; Hefele, Histoire des conciles, vert. Leclercq, 1907-1908; Hinschius, System des katholischen Kirchenrechts, 6 in-8°, Berlijn, 1879-1897; Decretales Pseudo-Isidorianae, in-8°, Leipzig, 1863; Kober, Die Suspension der Kirchendiener, in-8°, Tübingen, 1862; Die Deposition und Degradation nach den Grundsätzen des kirchlichen Rechts, in-8°, Tübingen, 1867 (klassiek werk); Loening, Geschichte des deutschen Kirchenrechts, 2 in-8°, Straatsburg, 1878; Marca, De concordia sacerdotii et imperii, in-4°, Parijs, 1641; Massuet, Dissertationes praeviae in Irenaei libros, P.G., t. VII, col. 281 sq.; du Perron, “Réplique à la réponse du sérénissime roy de la Grande-Bretagne”, Parijs, 1620; Philipps, Kirchenrecht, 7 in-8°, Regensburg, 1845-1872; Real-Encyklopädie der christlichen Alterthümer, Freiburg im Breisgau, 1882, art. Deposition door Kober; Reiffenstuel, Jus canonicum universum, 5 in-fol., Ingolstadt, 1759; Santi, Praelectiones juris canonici juxta ordinem Decretalium, 5 in-8°, Regensburg, 1892; Schmalgrueber, Jus canonicum universum, Rome, 1844; Schœnemann, Pontificum romanorum epistolae genuinae; Schulte, Das Kirchenrecht, 2 in-8°, Stuttgart, 1860; Thomassin, Vetus et nova disciplina circa beneficia et beneficiarios, 3 in-fol., Venetië, 1752; Turmel, Histoire de la théologie positive, 2 in-8°, Parijs, 1904-1906; Histoire du dogme de la papauté, van de oorsprong tot het einde van de 4de eeuw, in-12, Parijs, 1908; Wasserschleben, Die Bussordnungen der abendländischen Kirche, in-8°, Halle, 1851; Wernz, Jus Decretalium ad usum praelectionum in scholis textus canonici sive juris Decretalium, 3 in-8°, Rome, 1897-1908.
- Vacandard
- Meningen van theologen, doktoren en canonisten uit de Middeleeuwen en de daaropvolgende eeuwen
De heilige kardinaal Robert Bellarminus, Kerkleraar, zal overigens over deze kwestie schrijven dat een “paus die manifest ketter is, automatisch ophoudt paus en hoofd te zijn, op dezelfde wijze als hij automatisch ophoudt christen en lid van de Kerk te zijn. Daarom kan hij door de Kerk geoordeeld en gestraft worden” want “Dit is de leer van alle oude Vaders, die leren dat manifest ketterse personen onmiddellijk alle jurisdictie verliezen.” De Romano Pontifice, Boek II, Hoofdstuk 30.
De decretist Rufinus (omstreeks 1164-1170) vat de meningen van zijn tijd aldus samen: “In ea (causa) quae totam Ecclesiam contingit, (papam) judicari potest, sed in ea quae unam personam vel plures (contingit), non”. “In zaken die de gehele Kerk aangaan, kan de paus geoordeeld worden, niet voor zaken die één persoon of meerdere betreffen.” Dezelfde auteur preciseert dat deze regel moet worden verstaan van de hardnekkige ketterij: “Prima sedes non judicabitur a quoquam nisi in fidei articulis pertinaciter erraverit”. Dit veronderstelt, volgens Johannes van Faënza, dat de schuldige paus “secundo et tertio commonitus” (“twee of drie maal vermaand”) is geweest. In dat geval is er geen reden meer om de primauteit in te roepen: volgens Huguccio (overleden in 1210) is de paus dan “minor quolibet catholico” (“minder dan elke katholiek”).
Mgr. heilige Antoninus, aartsbisschop van Florence (1389-1459): “In het geval dat de paus ketter zou worden, zou hij daardoor alleen, zonder andere veroordeling, van de Kerk gescheiden zijn. Een hoofd dat van een lichaam is gescheiden, kan, zolang het gescheiden blijft, geen hoofd zijn van hetzelfde lichaam waarvan het is afgesneden. Een paus die door ketterij van de Kerk is gescheiden, zou daardoor ophouden hoofd van de Kerk te zijn. Hij kon niet ketter zijn en paus blijven, want, buiten de Kerk zijnde, kan hij de sleutels van de Kerk niet bezitten.” (Summa Theologica. Geciteerd in de Akten van Vaticanum I).
De kardinaal Cajetanus (Thomas de Vio, overleden in 1534) bevestigde terecht dat “Zodra de bisschop van Rome ophoudt trouw te zijn, houdt hij ook op de opvolger van Petrus te zijn.” De Divina institutione pontificatus totius Ecclesiae in persona Petri apostoli libellus (1521). Dus een paus kan ophouden trouw te zijn en daardoor ophouden paus te zijn.
- Getuigenissen van pausen, concilies en Kerkvaders
Paulus IV — Cum ex Apostolatus Officio (15 februari 1559):
“§ 1. Wij beschouwen de huidige situatie als ernstig en gevaarlijk genoeg opdat de Romeinse Pontifex, Plaatsvervanger van God en van Onze Heer Jezus Christus op aarde, bekleed met de volheid van de macht over de naties en de koninkrijken, rechter over alle mensen en door niemand op deze wereld geoordeeld kunnen wordend, niettemin tegengesproken kan worden als hij afwijkt van het katholieke Geloof.”
en: “de Romeinse Pontifex zou als vals kunnen worden verworpen, als hij betrapt zou worden op afwijken in het geloof.”
- Adviezen van heilige doktoren en moderne theologen
Heilige Alfonsus van Liguori (overleden in 1787) ontwikkelde bij gelegenheid van paus Symmachus zijn reflectie door te zeggen dat “de Vaders van het Romeinse Concilie, gehouden onder paus Symmachus, verkondigden dat de Paus de hoogste Herder is, die, buiten het geval van ketterij, aan het oordeel van niemand onderworpen is” … want “in dit laatste geval zou de Paus niet van het pontificaat worden beroofd door het Concilie, alsof dit hem superieur zou zijn, maar hij zou er rechtstreeks door Jezus Christus van worden ontdaan, omdat hij dan een volkomen ongeschikt subject zou worden en vervallen van zijn ambt.” Oeuvres complètes de S. Alphonse de Liguori, Deel II, Deel III, Hoofdstuk IX, p. 165 en 308.
Hij achtte dus dat als “de manifeste ketter ipso facto afgezet is” – dat wil zeggen “voor elke excommunicatie of gerechtelijk vonnis” – dan “een paus die een manifeste ketter is, automatisch ophoudt de paus en het hoofd te zijn, op dezelfde wijze als hij automatisch ophoudt christen en lid van de Kerk te zijn. Daarom kan hij door de Kerk geoordeeld en gestraft worden.” (kruisverwijzing met Bellarminus, De Romano Pontifice, Boek II, Hoofdstuk 30).
Heilige Alfonsus van Liguori vatte de zaak volkomen samen door uit te leggen dat “God aan de Kerk, dat wil zeggen aan het college van kardinalen, ofwel aan het concilie in geval van een twijfelachtige of ketterse paus, de macht heeft verleend om de soevereine pontifex te verkiezen, maar geenszins de pauselijke macht.” Oeuvres complètes de S. Alphonse de Liguori, Deel II, Deel III, Hoofdstuk IX, p. 220.
- Reflecties van het Eerste Vaticaans Concilie en daarmee samenhangende verklaringen
Tijdens het Eerste Vaticaans Concilie in 1870 was er een vraag en antwoord tijdens het concilie, gehoord en bekend bij de paus en alle bisschoppen, en het is niet ontkend dat het onmogelijk was dat een paus ketter zou worden, maar dit is tot nu toe nooit gebeurd. Maar als dit zou gebeuren, “zou de Raad van bisschoppen hem voor ketterij kunnen afzetten, want vanaf het moment dat hij ketter wordt, is hij noch hoofd noch zelfs lid van de Kerk”. Dus de mogelijkheid is niet ontkend!
De Zeer Eerwaarde Jean-Baptiste Purcell, D.D., Aartsbisschop van Cincinnati, Ohio (1800-1883) hield een toespraak op hetzelfde Eerste Vaticaans Concilie, over de onfeilbaarheid van de Paus zoals gedefinieerd op het Concilie; hij verklaarde als volgt. De vraag werd ook gesteld door een kardinaal: “Wat te doen met de Paus als hij ketter wordt?”
Er werd geantwoord “dat een dergelijk geval nooit heeft plaatsgevonden; de Raad van bisschoppen zou hem voor ketterij kunnen afzetten, want vanaf het moment dat hij ketter wordt, is hij noch hoofd noch zelfs lid van de Kerk. De Kerk zou geen ogenblik verplicht zijn naar hem te luisteren wanneer hij begint een leer te onderwijzen waarvan zij weet dat het een valse leer is, en hij zou ophouden Paus te zijn, zijnde door God zelf afgezet. Als de Paus bijvoorbeeld zou zeggen dat het geloof in God vals is, zou u niet verplicht zijn hem te geloven, of als hij de rest van het credo zou ontkennen, ‘Ik geloof in Christus’, enz. De veronderstelling is schadelijk voor de Heilige Vader in de gedachte zelf, maar dient om u te tonen met welke volheid het onderwerp is overwogen en de uitgebreide reflectie die aan elke mogelijkheid is gegeven. Als hij elk dogma van de Kerk ontkent dat door elke ware gelovige wordt aangehangen, is hij niet meer Paus dan u of ik; en zo vormt in dit opzicht het dogma van de onfeilbaarheid niets als artikel van tijdelijk bestuur of dekmantel voor ketterij.” (La vie et l’œuvre du pape Léon XIII door de eerwaarde James J. McGovern, D.D., p. 241).
En tijdens datzelfde Eerste Vaticaans Concilie, Mgr. Zinelli, relator van de conciliaire commissie over het geloof, riep de mogelijkheid van een ketterse paus in deze termen op: “Als God een zo groot kwaad toelaat (namelijk een ketterse paus) zullen de middelen om deze situatie te verhelpen niet ontbreken” (Mansi 52, 1109).
- Historische voorbeelden en toepassing van het principe
In feite heeft deze verklaring van de vacature van de Stoel van de heilige Petrus zich voorgedaan in de geschiedenis van de Kerk:
Zijne Excellentie Mgr. Ngo Dinh-Thuc heeft zijn handelingen van bisschopswijdingen zonder toestemming van Rome gerechtvaardigd door een verklaring gedateerd te München op 25 februari 1982, bevestigend dat de Apostolische Stoel momenteel vacant is en dat het hem als bisschop toekomt, “om de continuïteit van de Rooms-Katholieke Kerk te verzekeren, met het oog op het heil van de zielen”.
De Verklaring
Bijgevolg hebben wij nu katholieke bisschoppen.
Deo gratias.
- Profetieën betreffende de crisis van de Kerk en de vacature van de Apostolische Stoel
Profetieën van Onze-Lieve-Vrouw van La Salette (19de eeuw)
“(…) De voorloper van de antichrist zal verschijnen en zal gezien willen worden als de nieuwe God. De seizoenen zullen veranderen, de atmosfeer ook; water en vuur zullen de aardbol convulsieve bewegingen en verschrikkelijke aardbevingen geven, die bergen, steden zullen doen verzwelgen. De sterren en de maan zullen niet meer de kracht hebben om te schijnen. Rome zal het geloof verliezen en de zetel van de antichrist worden. De demonen van de lucht met de antichrist zullen grote wonderen doen op aarde en in de lucht, en de mensen zullen zich meer en meer bederven. God zal zorg dragen voor Zijn trouwe dienaren en de mensen van goede wil; het Evangelie zal overal worden gepreekt, alle volkeren en alle naties zullen kennis nemen van de waarheid (…)”.
Profetieën van Moeder Marie-Agnès-Claire Steiner (19de eeuw)
Moeder Marie-Agnès-Claire Steiner werd geboren in het Duitse Tirol, in 1813. […] Begiftigd met de gave van profetie in eminente mate, verklaren haar openbaringen het goddelijk plan betreffende de schuldige mensen. […] In 1843 had moeder Steiner een menigte demonen uit de hel zien komen en op aarde komen om het geloof te ruïneren.
In 1845 zei de Heilige Maagd tot Moeder Steiner:
“Als men geen genade verkrijgt door de gebeden, zal de tijd komen waarin men het zwaard en de dood zal zien, en Rome zonder herder zal zijn.”
Dit is wat wij momenteel, helaas, vaststellen.
Profetie van Rodolfo Gilthier (17de eeuw)
Deze profetie, geschreven in augustus 1675, is verschenen in de Revue des Deux Mondes van 15 september 1855. Hier is de vertaling van de Latijnse tekst:
“Voor het midden van de 19de eeuw zullen er oproeren van alle kanten in Europa zijn; Er zullen republieken opstaan; Er zullen koningen, groten en priesters ter dood worden gebracht, en de religieuzen zullen hun kloosters verlaten. Hongersnoden, pesten en aardbevingen zullen talrijke steden verwoesten. Rome zal de scepter verliezen door de vervolging van de valse filosofen. De Paus zal gevangene worden van zijn onderdanen. De Kerk van God zal aan de schatting onderworpen en ontdaan worden van haar tijdelijke goederen;
Na korte tijd zal er geen Paus meer zijn;
Een vorst van het Noorden zal Europa doorkruisen met een groot leger. Hij zal de republieken omverwerpen en de rebellen uitroeien. Zijn zwaard, gehouden door God, zal de Kerk van Christus verdedigen, het orthodoxe geloof verheffen en het rijk van Mohammed onderwerpen. Een nieuwe herder, die van het geloof, geroepen van de kust door een hemels teken, zal komen in de eenvoud van het hart en de wetenschap van Christus. En de vrede zal aan de wereld worden teruggegeven.”
Augustijnse Voorspellingen (publicatie 19de eeuw)
Zij worden zo genoemd omdat zij zijn ontleend aan de Bibliotheek van Sint-Augustinus, te Rome. […]
Omstreeks het midden van de 19de eeuw zullen oproeren uitbreken van alle kanten in Europa, voornamelijk in het koninkrijk Frankrijk, in Zwitserland en in Italië.
Er zullen republieken opstaan; koningen zullen verdwijnen; kerkelijke personen en religieuzen zullen hun woningen verlaten.
Hongersnood, pest en aardbevingen zullen meerdere steden verwoesten.
Rome zal de scepter verliezen ten gevolge van de obsessie van de pseudo-filosofen.
De Paus zal in gevangenschap worden gevoerd door de zijnen, en de Kerk van God zal het revolutionaire juk ondergaan; bovendien zal zij in haar tijdelijke goederen worden beroofd.
Na korte tijd zal de Paus uitsterven.
Een vorst van het Noorden zal geheel Europa doorkruisen met een groot leger; hij zal de republieken omverwerpen en de rebellen uitroeien; zijn zwaard, bewogen door God, zal de Kerk van Christus krachtig verdedigen. Deze vorst zal voor het orthodoxe geloof strijden en het mohammedaanse rijk veroveren. (redactionele nota: De komst van de Grote Koning)
Een nieuwe herder van de Kerk zal komen van een kust, volgens een hemels teken; hij zal het volk onderwijzen met eenvoud van hart en volgens de leer van Christus, en de vrede zal aan de eeuw worden teruggegeven. (redactionele nota: De komst van de grote paus)
(bron: forumarchedemarie)
Werdijnse Profetie
(Titel afgeleid van de naam van de auteur van deze profetie de abt Werdini, geboren aan het begin van de dertiende eeuw, te Otranto, Italië, waar hij stierf omstreeks de kalenden van november in 1279. […])
Ik, abt Werdini van Otranto, gewaarschuwd door mijn beschermengel van het nabije tijdstip van mijn dood, heb op perkament de gebeurtenissen geschreven die mij zijn geopenbaard en die zullen geschieden bij de opening van het zesde zegel. […] Deze goede Herder, bewaard door de engelen, zal vele dingen herstellen. Door zijn waakzaamheid en zorgzaamheid zullen altaren worden opgericht, en de verwoeste kerken zullen worden hersteld. Dan zal een aangename krijger komen uit een vreemd land om de glorie van deze Herder te aanschouwen; en deze zal hem op wonderbaarlijke wijze installeren op de vacant geworden troon; hij zal hem kronen met de diadeem. En zal zijn hulp vragen in zijn eigen bestuur. Dan, na een klein aantal jaren, zal deze ster uitdoven, en de rouw zal groot zijn (…).
Hoofdbronnen (onderaan de pagina / referenties)
– Dictionnaire de Théologie Catholique (D.T.C.), geciteerde artikelen (Onfeilbaarheid van de paus en Afzetting en degradatie van clerici).
– Heilige Robert Bellarminus, De Romano Pontifice, Boek II, h. 30.
– Heilige Alfonsus van Liguori, Oeuvres complètes, Deel II.
– Bulle Cum ex Apostolatus Officio van Paulus IV (1559).
– Akten van het Eerste Vaticaans Concilie (Mansi, verklaringen van Purcell en Zinelli).
– Hardouin, Conciliorum collectio; Gratianus, Decretum; en canonieke werken geciteerd in het D.T.C.
– Verklaring van Mgr. Ngo Dinh-Thuc (München, 25 februari 1982).
– Profetieën: La Salette, Moeder Steiner, Gilthier, Augustijnse, Werdijnse (historische edities van de 19de eeuw).