De onmogelijkheid in het Recht voor een louter occulte ketterij, geopenbaard na de dood,
om ipso facto een kerkelijk ambt te doen verliezen,
met inbegrip van het Pausschap
Tafel van inhoud
- Inleiding
- Zekere theologische en canonische beginselen
2.1 De Kerk heeft alleen jurisdictie over het externe en manifeste forum
2.2 Bevestiging door het Wetboek van Canoniek Recht van 1917
2.3 Cumulatieve en onmisbare voorwaarden voor een formele publieke of notoire ketterij
2.4 Onderscheid tussen de morele orde en de canonische orde
2.5 Een louter occulte ketterij, zelfs zeer ernstig, brengt geen verlies van ambt mee zolang zij occult blijft
- Toepassing op de bulle Cum ex apostolatus officio van Paulus IV van het jaar 1559
- Zekere juridische gevolgen
4.1 Een louter occulte ketterij, nooit geopenbaard door een externe publieke daad tijdens het leven van de betrokkene, blijft juridisch onbestaand ten aanzien van het externe forum van de Kerk
4.2 Een occulte ketterij geopenbaard slechts na de dood van de betrokkene blijft occult ab aeterno ten aanzien van het externe forum
4.3 Bijgevolg
4.4 Bevestiging door reductie tot het absurde en beginselen van het recht
4.5 Bevestiging door de leer van de dogmatische feiten
4.6 Bevestiging door de goddelijke constitutie van de Kerk
- Zekere theologische conclusie
- Hoofdreferenties
- Inleiding
De vraag of een louter interne occulte ketterij of een occulte ketterij ontdekt slechts na de dood van de betrokkene ipso facto het verlies van een kerkelijk ambt met inbegrip van het pausschap kan veroorzaken, is op een unaniem aanvaarde wijze opgelost door de klassieke theologen en canonisten. Deze studie toont aan, door zekere en onbetwiste bronnen, dat zulk verlies juridisch onmogelijk is.
Overeenkomstig de authentieke katholieke leer en met logisch redeneren volgens de heilige Thomas van Aquino met de essentiële onderscheidingen die proportioneel zijn aan de materie, gaan wij te werk door de beginselen, de toepassing op de bulle van Paulus IV en de gevolgen te onderscheiden. Deze zekere waarheid bevestigt dat de stoel van Petrus vacant is sinds de publieke ketterij van Paulus VI in 1964 met Lumen Gentium, maar dat een occulte ketterij, zelfs na de dood geopenbaard, geen retroactieve invalidatie kan veroorzaken van een legitieme functie.
- Zekere theologische en canonische beginselen
2.1 De Kerk heeft alleen jurisdictie over het externe en manifeste forum
De heilige Thomas van Aquino leert: De occultis non judicat Ecclesia IIa IIae vraag 60 artikel 3 corpus. Circa occulta non habet Ecclesia judicare Quodlibet IX vraag 7 artikel 15 corpus. Vertaling: De Kerk oordeelt niet over verborgen zaken. De Kerk heeft niet te oordelen over verborgen realiteiten.
Inderdaad, het canoniek recht, zoals het Romeins recht waarvan het grotendeels afstamt, produceert slechts juridische gevolgen voor feiten die objectief vaststelbaar zijn in het externe forum. Een feit dat absoluut occult blijft, vormt geen juridisch feit. Het kan een moreel feit voor God zijn, maar het bestaat niet juridisch voor de Kerk.
Deze leer wordt overgenomen door alle goedgekeurde auteurs: Cajetan In IIam IIae vraag 60 artikel 3; Suárez De fide dissertatie X sectie 3 nummer 6; Billuart Cursus theologiae tractatus De regulis fidei dissertatie IV artikel 4 paragraaf 3.
Dus de Kerk, zichtbare maatschappij, oordeelt alleen over externe manifeste daden. Een occulte ketterij blijft onzichtbaar voor het externe forum en dus zonder juridisch gevolg. Deze regel vloeit voort uit een fundamenteel beginsel van het canoniek recht. Elke kerkelijke wet veronderstelt een voorwerp dat gekend en vastgesteld kan worden in het externe forum. Een wet kan geen juridische gevolgen produceren voor een feit dat, bij veronderstelling, absoluut onkenbaar blijft voor de bevoegde autoriteit. Anders zou de juridische zekerheid van de Kerk vernietigd worden, aangezien een eenvoudige latere ontdekking van een privé geschrift retroactief ambten, jurisdictiehandelingen en de stabiliteit van het kerkelijk bestuur in vraag zou kunnen stellen. Het recht van de Kerk, zoals elke ware juridische orde, kan canonische gevolgen slechts verbinden aan objectief vaststelbare feiten.
2.2 Bevestiging door het Wetboek van Canoniek Recht van 1917
Het can. 2197 onderscheidt juridisch het occulte delict, het publieke delict en het notoire delict. Dit onderscheid is niet louter beschrijvend. Het produceert essentiële juridische gevolgen. Zolang een delict occult blijft, behoort het niet tot het externe forum als een juridisch vastgesteld feit. Bijgevolg kunnen de canonische gevolgen verbonden aan publieke of notoire delicten niet uitgebreid worden tot een ketterij die louter occult is gebleven.
De canonisten passen dit beginsel vervolgens toe op het verlies van kerkelijke ambten. Door gezamenlijk het can. 2197, het can. 188 paragraaf 4 en de traditionele leer over het externe forum te interpreteren, leren zij unaniem dat een ketterij die louter occult is gebleven, niet de juridische gevolgen produceert die verbonden zijn aan een publieke of notoire ketterij.
2.3 Cumulatieve en onmisbare voorwaarden voor een formele publieke of notoire ketterij
De formele publieke ketterij vereist drie cumulatieve voorwaarden: een eigen externe daad van de betrokkene, geen eenvoudige toeschrijving of publicatie onder zijn naam zonder zekere bewijs van zijn goedkeuring; openbaar geopenbaard tijdens zijn leven; vergezeld van actuele pertinaciteit, hetzij expliciet weigeren na legitieme vermaning, hetzij evidentie zo klaarblijkelijk dat zij morele pertinaciteit equivalent is.
De volgende auteurs leren dit unaniem: Suárez De fide dissertatie X sectie 3 nummer 7; Billot De Ecclesia Christi these XXIX paragraaf 4 editie 1927; Salaverri Sacrae Theologiae Summa tractatus De Ecclesia Catholica boek I vierde editie nummer 645 jaar 1950; Wernz Vidal Ius Canonicum deel II De personis nummer 453 jaar 1927; Cappello Summa Iuris Canonici deel I nummer 319 jaar 1938; Prümmer Manuale Iuris Canonici vraag 318 jaar 1927; Coronata Institutiones Iuris Canonici deel I nummer 367 jaar 1950.
Een occulte ketterij geopenbaard na de dood mist deze voorwaarden, waardoor elk ipso facto verlies onmogelijk wordt.
2.4 Onderscheid tussen de morele orde en de canonische orde
Het past eveneens zorgvuldig te onderscheiden tussen de zonde beschouwd in de morele orde en de juridische gevolgen die daaruit voortvloeien in de canonische orde. Een fout kan bestaan voor God zonder enig gevolg te produceren in het externe forum van de Kerk. Het interne forum behoort tot het goddelijk oordeel en het geweten. Het externe forum behoort tot de kerkelijke jurisdictie. Deze twee ordes verwarren zou neerkomen op het toeschrijven aan de Kerk van een macht om over de geheime realiteiten van de gewetens te oordelen, in strijd met het beginsel dat voortdurend onderwezen wordt door de heilige Thomas van Aquino: De occultis non judicat Ecclesia.
2.5 Een louter occulte ketterij, zelfs zeer ernstig, brengt geen verlies van ambt mee zolang zij occult blijft
De heilige Robert Bellarminus bevestigt: Papa haereticus occultus adhuc est papa. De Romano Pontifice boek II hoofdstuk 30 editie 1610 kolom 420. Vertaling: De occulte ketterse paus is nog steeds paus.
Billuart in Cursus theologiae deel VI tractatus De fide dissertatie IV artikel 4 paragraaf 3 authentieke editie van de 18de eeuw leert: Haereticus pure occultus manet adhuc membrum Ecclesiae ergo nec amittit jurisdictionem nec alia ecclesiastica officia. Ratio est quia haeresis occulta nec per se separat a corpore Ecclesiae nec ab unitate externa cum Ecclesia. Manus porro Ecclesiae non attingit haeresim juxta se occultam ideo nec potest ferri ulla sententia declaratoria. Si autem haeresis talis post mortem detegatur nihilominus vivens eadem fuit mere occulta nec unquam ab Ecclesia fuit separatus.
Vertaling: Een louter occulte ketter blijft nog lid van de Kerk; dus verliest hij noch de jurisdictie noch de andere kerkelijke ambten. De reden is dat de occulte ketterij op zichzelf noch van het lichaam van de Kerk scheidt, noch van de externe eenheid met de Kerk. Bovendien bereikt de hand van de Kerk een ketterij niet die van nature verborgen blijft; bijgevolg kan geen enkele declaratoire vonnis geveld worden. Indien echter zulk een ketterij na de dood ontdekt wordt, niettemin was zij tijdens zijn leven volledig occult, en hij is nooit van de Kerk gescheiden geweest.
Deze tekst is authentiek en drukt perfect uit: geen verlies van jurisdictie, geen verlies van ambt, geen declaratoir vonnis, geen enkele scheiding van de Kerk, zolang de ketterij strikt occult is.
- Toepassing op de bulle Cum ex apostolatus officio van Paulus IV van het jaar 1559
De tekst zelf van de bulle beperkt strikt haar toepassingsveld: Si jam unquam aliquando contigerit quod Episcopus vel etiam Romanus Pontifex ante promotionem suam vel assumptionem in Cardinalem vel Romanum Pontificem a fide catholica deviasse vel in aliquam haeresim incidisse sive illa deviato manifesta fuerit sive publica sive tam evidens ut nulla possit tergiversatione celari aut excusatione defendi paragraaf 6.
Vertaling: Indien het ooit, op welk tijdstip ook, zou gebeuren dat een Bisschop of zelfs de Romeinse Pontifex, voor zijn promotie of verheffing tot de waardigheid van Kardinaal of Souvereine Pontifex, van het katholieke geloof is afgeweken of in enige ketterij is vervallen, of die afwijking manifest is geweest, of publiek, of zo evident dat zij door geen enkele uitvlucht verborgen of door geen enkele verontschuldiging verdedigd kan worden.
De canonisten en theologen interpreteren deze bulle unaniem als slechts gericht op de manifeste, publieke of notoir evidente ketterij tijdens zijn leven: Franzelin Tractatus de divina Traditione et Scriptura these XIX derde editie Rome 1882 bladzijde 317: B. Pauli IV non respicit haeresim occultam. Vertaling: de bulle van Paulus IV viseert de occulte ketterij niet.
Wernz Vidal Ius Canonicum deel II nummer 453 nota 113: Cum ex apostolatus officio non extenditur ad haeresim mere occultam nec ad eam quae post mortem detecta fuerit. Vertaling: Cum ex apostolatus officio strekt zich niet uit tot de louter occulte ketterij noch tot die welke na de dood ontdekt zou zijn.
Coronata Institutiones deel I nummer 367: Lex Pauli IV non valet pro delictis occultis. Vertaling: De wet van Paulus IV is niet geldig voor occulte delicten.
Dezelfde leer onderwijzen: Vermeersch Creusen Epitome Iuris Canonici deel I nummer 568 jaar 1937; Merklebach Summa theologiae moralis deel III nummer 812 jaar 1939.
Een occulte ketterij na de dood valt niet in dit veld, waardoor elke ipso facto invalidatie onmogelijk wordt.
- Zekere juridische gevolgen
4.1 Een louter occulte ketterij, nooit geopenbaard door een externe publieke daad tijdens het leven van de betrokkene, blijft juridisch onbestaand ten aanzien van het externe forum van de Kerk
Dit onderscheid wordt bevestigd door het can. 2232 van het Wetboek van 1917. Dit can. toont aan dat de wetgever zorgvuldig de juridische gevolgen van occulte delicten onderscheidt van die van publieke delicten. Zelfs wanneer een straf is opgelopen, houdt het recht rekening met het occulte karakter van het delict en trekt het daaruit niet automatisch alle gevolgen in het externe forum.
4.2 Een occulte ketterij geopenbaard slechts na de dood van de betrokkene blijft occult ab aeterno ten aanzien van het externe forum
Bijvoorbeeld in privé nota’s, kladversies of niet gepubliceerde correspondentie.
4.3 Bijgevolg
Geen ipso facto verlies van ambt can. 188 paragraaf 4 van het Wetboek van 1917. Geen retroactieve nietigheid van verkiezing of vreedzame aanvaarding. Absolute onmogelijkheid om de stoel vacant te verklaren ab initio wegens een occulte ketterij na de dood ontdekt.
Het algemeen welzijn van de Kerk vereist juridische stabiliteit. Indien louter private ketterijen ontdekt na de dood retroactief een pontificaat konden annuleren, zou geen enkele pauselijke daad ooit definitief zeker zijn.
Deze conclusie is eveneens in overeenstemming met de goddelijke Voorzienigheid. Onze Heer heeft zijn Kerk als een zichtbare maatschappij opgericht en haar een zichtbaar bestuur toevertrouwd. Het zou in strijd zijn met deze constitutie dat de geldigheid van een pontificaat of van enig ander kerkelijk ambt zou kunnen afhangen van een feit dat de Kerk, door haar eigen natuur, absoluut niet in staat was te kennen toen zij de gelovigen moest besturen. God legt zijn Kerk nooit een onmogelijke verplichting op. Hij kan dus geen juridische gevolgen hebben verbonden aan een feit dat volledig onkenbaar is gebleven voor het externe forum.
4.4 Bevestiging door reductie tot het absurde en beginselen van het recht
Indien een ketterij die volledig occult is gebleven gedurende het hele leven van een paus na zijn dood ontdekt kon worden en zijn pontificaat retroactief nietig kon maken, zou geen enkele juridische zekerheid meer bestaan in het bestuur van de Kerk. Het zou volstaan, jaren of eeuwen later, een privé geschrift te ontdekken dat een leerstellige dwaling bevat om retroactief zijn verkiezing, zijn jurisdictie, de benoemingen die hij gedaan zou hebben, de kardinalen die hij gecreëerd zou hebben en bijgevolg de latere pauselijke verkiezingen te annuleren. De juridische geschiedenis van de Kerk zou aldus voortdurend herzienbaar blijven naar believen van latere archivistische ontdekkingen. Zulk een gevolg is klaarblijkelijk onverenigbaar met de zichtbaarheid, de onfeilbaarheid en de stabiliteit van de goddelijke constitutie van de Kerk.
Deze conclusie wordt nog bevestigd door een fundamenteel beginsel van elk recht: Ei incumbit probatio qui dicit non qui negat. Het bewijs rust op hem die beweert, niet op hem die ontkent.
4.5 Bevestiging door de leer van de dogmatische feiten
De universele en vreedzame aanvaarding van een Pontifex door de Kerk behoort tot de dogmatische feiten, dat wil zeggen tot historische feiten waarvan de zekerheid gegarandeerd is omwille van hun noodzakelijke band met een geopenbaarde waarheid. Een dogmatisch feit moet echter objectief zeker zijn voor de hele Kerk. Het kan niet afhangen van een feit dat volledig onbekend en onkenbaar is gebleven voor de Kerk op het moment zelf waarop zij haar zichtbare hoofd erkende.
4.6 Bevestiging door de goddelijke constitutie van de Kerk
Christus heeft zijn Kerk als een zichtbare maatschappij ingesteld, voorzien van een zichtbare hiërarchie en een zichtbaar bestuur. De daden van deze autoriteit moeten dus rusten op feiten die objectief kenbaar zijn in het externe forum. Het zou in strijd zijn met deze goddelijke constitutie dat het bestaan of de geldigheid van een kerkelijke autoriteit zou kunnen afhangen van een feit dat volledig verborgen is gebleven voor de hele Kerk.
De autoriteitssteunen zijn: het Concilie Vaticaan I Pastor aeternus DS 3050-3075 over de zichtbare en permanente constitutie van de primaatschap; Leo XIII Satis cognitum jaar 1896 over de zichtbaarheid van de Kerk; Pius XII Mystici Corporis jaar 1943 over de zichtbare maatschappij gesticht door Christus.
- Zekere theologische conclusie
Het is theologisch zeker sententia certa et communis omnium theologorum approbatorum ante annum 1963 dat een louter occulte ketterij, zelfs na de dood ontdekt, nooit ipso facto het verlies van een kerkelijk ambt met inbegrip van het pausschap kan veroorzaken, noch een canoniek aanvaarde verkiezing door de universele Kerk nietig kan maken.
Deze leer rust op het goddelijk recht jurisdictie van de Kerk beperkt tot het externe forum, op de unanieme instemming van de traditionele katholieke theologen en canonisten, en op de authentieke interpretatie van de bulle Cum ex apostolatus officio zelf.
Wie het tegendeel zou beweren, zou zich verzetten tegen de leer die gemeenschappelijk onderwezen wordt door de klassieke theologen en canonisten.
Moge de Zalige Maagd Maria, Moeder van de Kerk en Vernietigster van alle ketterijen, ons de genade verkrijgen om standvastig te blijven in deze integrale waarheid.
- Hoofdreferenties
Thomas van Aquino Summa Theologica IIa IIae vraag 60 artikel 3.
Thomas van Aquino Quodlibet IX vraag 7 artikel 15.
Cajetan In IIam IIae vraag 60 artikel 3.
Suárez De fide dissertatie X sectie 3 nummers 6-7.
Billuart Cursus theologiae tractatus De regulis fidei dissertatie IV artikel 4 paragraaf 3 en tractatus De fide dissertatie IV artikel 4 paragraaf 3.
Billot De Ecclesia Christi these XXIX paragraaf 4 jaar 1927.
Salaverri Sacrae Theologiae Summa tractatus De Ecclesia Catholica boek I vierde editie nummer 645 jaar 1950.
Wernz Vidal Ius Canonicum deel II De personis nummer 453 jaar 1927.
Cappello Summa Iuris Canonici deel I nummer 319 jaar 1938.
Prümmer Manuale Iuris Canonici vraag 318 jaar 1927.
Coronata Institutiones Iuris Canonici deel I nummer 367 jaar 1950.
Robert Bellarminus De Romano Pontifice boek II hoofdstuk 30 editie 1610 kolom 420.
Paulus IV Bulle Cum ex apostolatus officio paragraaf 6 jaar 1559.
Franzelin Tractatus de divina Traditione et Scriptura these XIX derde editie Rome 1882 bladzijde 317.
Vermeersch Creusen Epitome Iuris Canonici deel I nummer 568 jaar 1937.
Merklebach Summa theologiae moralis deel III nummer 812 jaar 1939.
Wetboek van Canoniek Recht van 1917 can. 188 paragraaf 4.
Nota: Aangezien in de sedevacantistische wereld verscheidene confraters, onder wie een zeker aantal bisschoppen en priesters, een andere mening hebben dan de mijne, aanvaard en pas ik het adagium toe in fide unitas in opiniis libertas in omnibus caritas. Aangezien zij vrij talrijk zijn, moet men rekening houden met een extrinsieke evidentie in hun voordeel, hoewel de kracht van de argumenten die ik in bovenstaande tekst gebruik haar de waarde van een intrinsieke evidentie lijkt te geven. In elk geval onderwerp ik mij vooraf aan elke beslissing van de Kerk in deze materie.