Faustina Kowalska Valse zienster, valse rozenkrans van de Barmhartigheid

ZUSTER FAUSTINA TEGEN ZUSTER LUCY

Valse devotie, valse rozenkrans van de Barmhartigheid

door Broeder Bruno van Jezus-Maria.

 

Inhoudsopgave

 

  1. Het vonnis van het Heilig Officie van 6 maart 1959

 

  1. Een mysterieuze helderheid

 

  1. Visioenen en roeping

 

  1. Vertrek naar Warschau

 

  1. U zei: heldhaftige deugd

 

  1. Geestelijke directrice

 

  1. Onbegrepen door haar oversten

 

  1. 1931: U zult met een penseel schilderen

 

  1. Aangemoedigd door een retraitepredikant

 

  1. Pater Sopocko is ongehoorzaam aan de aartsbisschop van Vilnius

 

  1. 1935: Het icoon van de barmhartige Christus

 

  1. Het Kleine Dagboek ruikt naar ketterij

 

  1. Namaak van de boodschap van Fatima

 

  1. Het Onbevlekte Hart van Maria bron van het levende water van de barmhartigheid

 

  1. In de afgronden van de hel

 

  1. Rozenkrans tegen rozenkrans

 

  1. Barmhartigheid zonder genade

 

  1. Veroordeeld door het Heilig Officie

 

  1. Feest van de Barmhartigheid om de vrede te verkrijgen

 

  1. Barmhartigheid in de Kerk kent niemand

 

  1. Plagiaat van zuster Benigna

 

  1. Polen vervangt Rusland

 

  1. Faustina vervangt de Onbevlekte

 

  1. Zuster Faustina waarborg van Karol Wojtyla

 

  1. Heil voor allen

 

  1. Stichtster van een nieuwe congregatie

 

  1. Profetisch visioen van haar heiligverklaring

 

  1. U bent een heilige

 

  1. Veroordeeld door Rome

 

  1. Heiligverklaard door Johannes Paulus II

 

  1. Zuster Lucy verdrongen

 

  1. De Maagd Maria gewond in de hiel

 

  1. Johannes Paulus II de ketterse aartsvader

 

  1. Nota van de redactie van CatholicaPedia

 

  1. Lijst van bronnen

 

  1. Het vonnis van het Heilig Officie van 6 maart 1959

 

Aan het einde van een onderzoek dat meerdere jaren duurde, sprak het Heilig Officie op 6 maart 1959 zijn vonnis uit: Laat bekendgemaakt worden dat de opperste heilige congregatie van het Heilig Officie, na onderzoek van de beweerde visioenen en openbaringen van zuster Faustina Kowalska, van het instituut van Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid, overleden in 1938 nabij Krakau, als volgt heeft besloten:

 

  1. De verspreiding van de afbeeldingen en van de geschriften die de devotie tot de goddelijke Barmhartigheid voorstellen in de vormen voorgesteld door genoemde zuster Faustina moet verboden worden.

 

  1. Het wordt geëist van de voorzichtigheid van de bisschoppen om de genoemde afbeeldingen te doen verdwijnen die eventueel reeds aan de cultus zijn blootgesteld.

 

Valse mystica, apostel van een barmhartigheid van illusie vóór het Tweede Vaticaans Concilie, wordt zuster Faustina na het Tweede Vaticaans Concilie een ware heilige, wereldwijd bekend, boven elke verdenking. Zuster Faustina is de barmhartigheid, en de barmhartigheid is zuster Faustina, de heilige die kardinaal Karol Wojtyla in 1978 uit de sheol van de Index heeft doen komen, en die dezelfde, paus geworden als Johannes Paulus II, in 1993 zalig heeft verklaard en vervolgens in het jaar 2000 heeft heiligverklaard.

 

Wat is er dan gebeurd in de Kerk van God zodat haar hoogste leerstellige instanties ertoe zijn gekomen alle uitingen van een cultus toe te laten die zij enkele jaren eerder hadden veroordeeld? Op 15 april 1978 gaf de Heilige Congregatie voor de Geloofsleer de volgende Notificatie uit: Deze Heilige Congregatie, gezien de talrijke oorspronkelijke documenten die in 1959 niet bekend waren, rekening houdend met de diepgaande verandering die is opgetreden in de omstandigheden en met het advies van vele Poolse bisschoppen, verklaart dat de verboden vervat in de genoemde notificatie niet langer verplichten.

 

Het boek, uitgegeven door Ewa K. Czaczkowska (EKC), Zuster Faustina, Biografie van een heilige (uitg. Salvator, 2014), is een referentiewerk: de schrijfster pretendeert in vierhonderd bladzijden al het licht te werpen op zuster Faustina en de oorsprong van haar openbaringen, evenals op de rol van hem die ertoe heeft bijgedragen ze te bevorderen, Karol Wojtyla, de toekomstige paus Johannes Paulus II.

 

  1. Een mysterieuze helderheid

 

Helena Kowalska werd geboren op 25 augustus 1905 te Glogowiec in het hart van Polen, derde kind van een gezin van kleine eigenaars. Zij, hun zes dochters en twee zonen waren, volgens de uitdrukking zelf van hun pastoor, zeer gewone katholieken. Stanislas, de vader, schrijnwerker van beroep, bezat echter een onderricht boven het gemiddelde. Helena was zijn voorkeursdochter; hij leerde haar lezen, en zij verslond met begeerte een zeer groot aantal godsdienstige boeken: Zij maakte aan de kinderen van het dorp verschillende dingen bekend, meestal levens van heiligen en gebeden. (EKC, blz. 31-33) Zij had inderdaad een verbazingwekkende faciliteit om te onthouden wat zij las en het te vertellen.

 

  1. Visioenen en roeping

 

Van haar jongste leeftijd af leefde Helena buitengewone geestelijke ervaringen. Zij had visioenen. Zij vertelde bijvoorbeeld aan haar broers en zusters dat zij in haar dromen Onze-Lieve-Vrouw zag. Zij zag Haar schoon, wandelend in de tuinen van het Paradijs. ’s Nachts wekte zij haar moeder en zei haar dat zij een helderheid van licht had gezien. Waar ziet ge dat, klein dwaasje? Ge hebt hallucinaties, en daarna praat ge? Zo berispte haar moeder haar. En toch bleef Helena ’s nachts wakker worden, op haar bed gaan zitten en bidden. En haar moeder reageerde door te zeggen: Ge staat altijd op, in plaats van te slapen, ge zult nog gek worden. Slaap! – Eh neen, antwoordde Helena, ik denk dat het een engel is die mij zo wekt opdat ik niet slaap, maar bid. (EKC, blz. 33)

 

Nadien vroeg Helena haar moeder haar overdag een beetje te laten slapen: En de moeder was het niet altijd eens omdat er in een talrijk gezin altijd werk te doen was. Op zondag weigerde onze adolescente soms haar moeder in de keuken te helpen en trok zich apart om een missaal te lezen. Mama, wordt niet boos, want Jezus zou nog bozer geweest zijn als ik het niet gedaan had. Van de leeftijd van zeven jaar af, zo vertelt zij, nam ik de definitieve roeping van de Heer waar, de genade van de roeping tot het religieuze leven. Voor de eerste maal hoorde ik in mij de stem van God, dat wil zeggen de uitnodiging tot een volmaakter leven; maar ik ben niet altijd gehoorzaam geweest aan deze uitnodiging van de genade. Ik ontmoette niemand die mij deze dingen had kunnen uitleggen. (Petit Journal, uitg. Apostolat de la Miséricorde divine, 2010, § 7)

 

Er was toch haar pastoor tot wie zij haar ziel had kunnen openen. Maar Helena, oordelend dat dat geen stof was om tijdens de biecht te behandelen, bleef alleen met haar ervaringen. (EKC, blz. 34)

 

Het jonge meisje leed wreed onder het arm zijn, en legde zich er niet bij neer. Zij verliet het huis om te gaan werken omdat zij geen kleren had voor de zondag, dat haar jurk niet presentabel was (EKC, blz. 38). Deze jonge adolescente werd zo presentabel, zij had zo goed elk spoor van haar arme sociale afkomst uitgewist, dat zij bijna geen werk meer vond: Ik wilde haar niet aannemen als dienstmeid, omdat zij zo goed gekleed was, te goed gekleed voor een huishoudelijke hulp. (EKC, blz. 56)

 

In 1921 werkt Helena als hulp-dienstmeid bij de bakkerij van de Bryszewski, in het stadje Aleksandrow nabij Lodz. Het is daar dat zij opnieuw de helderheid van licht ziet: De helderheid was zo intens dat Helena, verschrikt, dacht dat het een brand was. Zij begon te roepen dat de binnenplaats in vlammen stond (volgens de ene versie) of dat de magazijnen vuur hadden gevat (volgens een andere versie). Op dat ogenblik bezig met het brood in de oven te steken, stormden de werklieden van de bakkerij toe om te kijken, maar zij zagen niets. Onrustig over de geestelijke toestand van Helena, riepen de Bryszewski een geneesheer die haar een geneesmiddel tegen de hoofdpijnen voorschreef. Zij waarschuwden bovendien de ouders dat hun dochter gek geworden was.

 

De Kowalski zonden toen hun oudste dochter Jozefa opdat zij zou nagaan wat er gebeurde. Jozefa onthield goed deze woorden die zij met moeite van Helena kreeg: Ik heb een helderheid gezien. Zeg dat, dat mama zich geen zorgen maakt. Ik ben niet gek, maar ik zal niets meer zeggen. Ik zal hier niet lang blijven. (EKC, blz. 48-49)

 

Helena had andere visioenen van deze helderheid te Aleksandrow. Zij spreekt erover tot haar moeder, maar nog altijd niet tot haar pastoor.

 

  1. Vertrek naar Warschau

 

Haar ouders die zich verzetten tegen haar intrede in het klooster, liet het jonge meisje zich overgaan tot de ijdelheden van het leven, zoals zij later zelf zal bekennen.

 

Oom Michal Rapacki helpt haar werk te vinden, maar stelt haar onstandvastigheid vast: Wanneer de organisatie en de manier van werken in een huis haar niet aanstonden, ging zij elders. Welke geest leidt haar? men kan zich de vraag niet niet stellen bij het lezen van haar Petit Journal (600 bladzijden) opgesteld tien jaar later. Helena vermeldt het verwijt dat Jezus haar op een avond zou hebben gericht toen zij op de bal danste: Tot wanneer zult gij Mij bedriegen? Ontsteld ging zij naar de kathedraal, en daar, voor het Allerheiligste Sacrament, viel zij met de armen in kruis: Ik vroeg de Heer dat Hij mij zou willen doen weten wat ik moet doen. – Vertrek onmiddellijk naar Warschau, daar zult gij in het klooster intreden. (PJ, 9)

 

Toen weende zij hete tranen, zij sidderde met heel haar lichaam, herinnerde zich Stanislawa Rapacka, de vrouw van Michal. Helena kocht van haar oom een beetje wodka (sic) en koeken en vroeg hem haar naar het station te brengen. (EKC, blz. 64-65)

 

Te Warschau kende Helena niemand. Eens aangekomen, toen ik zag dat ieder van de reizigers zijn weg nam, greep de schrik mij: Wat te doen? Waar mij te wenden? Zij vertelt in haar Petit Journal dat de Heilige Maagd haar te hulp kwam, haar zulk een dorp aanduidend om er de nacht door te brengen, maar bij wie? Haar biografe verliest zich in de reconstituties van de reisroute…

 

Op raad van haar Stem opent zij haar ziel aan een priester, het is de eerste maal, en deze beveelt haar aan bij een jonge moeder van een gezin, Aldona Lipszyc, die haar in haar huis ontvangt.

 

Helena had echter het bevel ontvangen: zij moet in het klooster intreden, en in een klooster dat een jong meisje zonder bruidsschat aanvaardt.

 

Dat is het geval van de zusters van Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid. De congregatie van de Goddelijke Moeder van Barmhartigheid, volgens haar officiële benaming, werd nog die van de Magdalenen genoemd, omdat zij zich wijdde aan de rehabilitatie van vrouwen van slecht leven. De stichtster, een prinses, Sulkowska Potocka, verwant met de familie van kardinaal Sapieha, was in Frankrijk geweest om zich te vormen bij Thérèse-Agathe Rondeau, die een gelijkaardig werk te Laval leidde. Sinds 1862 bedwongen deze religieuzen, door kracht van wijsheid en heldhaftige toewijding, wat toen in Polen een sociale plaag was.

 

Wanneer de overste van het klooster van Warschau Helena ziet, maakt deze geen goede indruk op haar: Wegens haar uiterlijk aspect een beetje verwaarloosd, zei ik tot mijzelf: Dit is niet voor ons. Nochtans, uit liefde, aanvaardt Moeder Moraczewska haar in de congregatie.

 

  1. U zei: heldhaftige deugd

 

Op 1 augustus 1925 wordt Helena in de gemeenschap ontvangen in het koor van de converszusters, dan wordt zij toegewezen aan de werken van de keuken. Zuster Sabina Tronina vertelt: Helena vroeg mij dikwijls op de dag: Zuster, ik zou graag naar de kapel gaan. Soms was ik het niet eens. Helena was sterk ontgoocheld, want volgens haar was de tijd die de postulanten en de zusters aan het gebed konden wijden te beperkt. (EKC, blz. 83)

 

Aldona Lipszyc, die haar kwam bezoeken, brengt haar vertrouwelijkheden over: Zij beklaagde zich inzonderheid over de regeling die haar verplichtte het stilzwijgen te bewaren en traag te wandelen; zij zei dat zij zich niet kon verdedigen wanneer men haar onrechtvaardig iets verweet. Zij vertelde mij ook dat zij in tegenwoordigheid van allen was vernederd, dat zij was gestraft voor iets dat zij niet had gedaan. (EKC, blz. 86)

 

Bij haar inkleding, op 30 april 1926, op het ogenblik dat de religieuzen de kapel verlaten om hun nieuwe religieuze habijt aan te trekken, stort zij in. Dit zal niet de laatste maal zijn: Zuster Klemensa Buczek moest Faustina helpen haar habijt aan te trekken. Deze leek afwezig. Ik zei tot haar: Helena, men moet zich haasten. Helena viel in onmacht. Ik liep eau de Cologne te zoeken opdat zij weer bij kennis zou komen… Later spotte ik met haar zeggend dat het het teken was dat zij de wereld betreurde. In haar Petit Journal zal zuster Faustina deze zwakheid zo verklaren: God deed mij kennen hoeveel ik moet lijden. De herinneringen van Moeder Irena Krzyzanowska, de overste van zuster Faustina te Wilno in 1929, en te Krakau vanaf 1936, schijnen geen dubbelzinnigheid te laten zien: Zij stelde zich aan mij voor als een ernstige zuster, reeds gevormd in het geestelijke leven. Het was mij aangenaam haar kalm te zien bij het werk, zij wist over te gaan van het werk naar de geestelijke oefeningen, de taken onderbrekend waaraan zij zich wijdde om deze laatste te beoefenen. Ik merkte in een eerste tijd op dat frequente bezoeken in de kapel haar opslorpten; bepaalde zusters, overbelast, murmureerden: Het is aangenaam om de Heer Jezus te gaan zien en ons het werk te laten. Zodra ik haar had aangeraden te trachten te helpen en de zusters te ontlasten, werd ik nooit meer ertoe gebracht erover tot haar te spreken. Nochtans bevestigen talrijke getuigenissen dat zuster Faustina zich altijd onderscheidde wat het werk betreft, met dezelfde eigen geest, dezelfde rechtvaardiging als in haar kindsheid of tijdens haar postulaat. Het feit was bekend van alle zusters: Zij deed er een aanzienlijke tijd over om eender wat te doen. Een ander onderwerp van verbazing: Bepaalde religieuzen waren geschokt door de manier waarop zij zich kleedde. Zij vonden haar elegant, altijd onberispelijk gekleed, zij deed nooit werkkledij aan, zeiden zij met jaloezie (?). En nochtans was het religieuze habijt zwaarder te dragen en minder praktisch bij het werk; en in de keuken was het warm. Voor Faustina was het dragen van haar habijt niet alleen een manier om haar trots te tonen van religieuze te zijn, maar ook een soort van versterving. Daarom rolden zij nooit haar mouwen op wanneer zij werkte. (EKC, blz. 149)

 

Dan: koketterie of versterving? In 1933 was zuster Faustina belast met de garderobe met zuster Suzanna Tokarska. Deze vertelt: Op dat ogenblik had zij haar hoofd reeds elders, zij hield zich bezig met verschijningen en bevelen van Jezus en interesseerde zich helemaal niet voor het werk, zelfs wanneer er werkelijk veel van was. Men kan niet zeggen dat zij veel toewijding toonde voor de noden van de dienst: Wanneer zij met vertraging aankwam bij de garderobe, was ik niet tevreden en klaagde ik dat zij zo laat kwam, terwijl er zoveel te doen was. Zij luisterde mij rustig aan, soms met een glimlach, wat mij irriteerde omdat ik de indruk had dat zij zich niet betrokken voelde. En een beetje later, alsof er niets was, zei zij: Zuster, ik ga oefeningen doen. Mijn armen vielen en ik ging klagen bij de oversten, maar tevergeefs, omdat de moeders op de hoogte waren van haar innerlijke ervaringen en zij nooit partij kozen in mijn voordeel. Toen zei ik niets meer en wachtte ik dat deze proeftijd zo spoedig mogelijk zou eindigen opdat ik van haar zou kunnen afkomen. (EKC, blz. 107)

 

  1. Geestelijke directrice

 

Moeder Borgia Tichy, de overste van het klooster van Vilnius, in 1935-1936, dacht dat zuster Faustina leed aan hysterie. Zij betreurde bovenal haar eigenaardig gedrag binnen de gemeenschap: Wat het geestelijke domein betreft, beschouwde zij zichzelf als rijp. Zij hield ervan de zusters te leiden, hen rond haar te verzamelen terwijl zij hun een bepaalde oriëntatie aangaf. In één woord, zij had de smaak om zichzelf voor een geestelijke directrice te houden. De jonge zusters baden haar Jezus te ondervragen over hun problemen, bijvoorbeeld om te weten of zij zich goed hadden gebiecht, of Jezus hun een zonde had vergeven. (EKC, blz. 237-238)

 

Zuster Fabiana Pickut vertelt: Dikwijls, tijdens de recreatie, stelde zij een vraag waarop zelfs de oversten niet wisten te antwoorden, en deze zeiden dan met ironie: Daar, zij heeft boeken gelezen en zij geeft ons les. Zij verweet haar zich alleen met boeken te omringen en zich niet om het werk te bekommeren. Men hield niet te veel van Faustina, omdat Moeder Borgia en de anderen zeiden dat zij, na enkele boeken gelezen te hebben, pretentieus was geworden.

 

Aan ons, de jongste religieuzen, vroeg zuster Faustina ons dikwijls te bidden opdat deze of gene zuster zou verbeteren, opdat Jezus haar zou verlichten, opdat zij Jezus niet meer zou beledigen. (EKC, blz. 232-236) Op een dag zei zij tot zuster Otylia Kondraciuk dat een religieuze zich moet hoeden voor het likken van de laarzen van andere zusters. (EKC, blz. 328) Wanneer iets haar niet aanstond, ging zuster Faustina niet met vier wegen, zij maakte opmerkingen zowel aan oversten als aan priesters. (EKC, blz. 139)

 

Bovendien vermeldde zuster Faustina in haar Petit Journal de beweerde boosaardigheden van haar zusters ten opzichte van haar, niettegenstaande Maria Winowska dit trek ontkent in haar biografie Droit à la miséricorde (uitg. Saint-Paul, maart 1958, blz. 54).

 

Pater Jan Grzegorczyk geeft Winowska ongelijk en hervat de voorbeelden die hij levert met een zin van zuster Faustina: Oh! hoe zoet is het te leven in het klooster onder de zusters, maar men moet niet vergeten dat deze engelen in een menselijk lichaam leven (PJ, 1126). (Grzegorczyk, Faustine, apôtre de la miséricorde, Cerf, 2009, blz. 121-123) Wanneer onze Vader, de Abbé de Nantes, kennis zal nemen van de kritieken van zuster Faustina die bepaalde religieuzen van haar congregatie streng oordeelt, zal hij er slecht van onder de indruk zijn en zich zeer terughoudend tonen over haar beweerde heiligheid.

 

  1. Onbegrepen door haar oversten

 

De generale overste had een snelle blik geworpen op haar intieme notities. Zij vond ze zonder belang. En zij was niet de enige […]. Zelfs de biechtvader begrijpt mij niet, niemand begrijpt mij. (EKC, blz. 141)

 

Moeder Borgia dacht dat haar beweerde openbaringen slechts vrome illusies waren; zij zal het opnieuw zeggen in haar verklaringen twaalf jaar na de dood van de zuster (Jan Grzegorczyk, blz. 119).

 

Vrome illusies… of diabolische? Terwijl zij zich in wantrouwen bevindt ten opzichte van haar oversten die haar willen verlichten en leiden, ondervindt zuster Faustina bekoringen van wanhoop, van godslasteringen, van afkeer voor het Heilige Sacrament, van verwerping van de geopenbaarde waarheden: Maar Jezus hoort mijn smeekbeden niet, ik voel dat mijn lichamelijke krachten mij volledig verlaten, ik val op de grond, de wanhoop overvalt heel mijn ziel, ik doorsta ware helse pijnen die in niets verschillen van de folteringen van de hel. (PJ, 24)

 

Ewa K. C. dissertatieert moeizaam over de nacht van de zinnen en van het geloof volgens de heilige Johannes van het Kruis, enige mystieke auteur in staat rekenschap te geven van de agonale toestand van de heilige. Maar zij blijft niet stilstaan bij het feit dat haar biechtvader haar toen de absolutie weigert.

 

In 1933 verzet Moeder Janina Bartkiewicz, een van de oudste en meest verdienstelijke moeders van de gemeenschap, die haar meesteres van postulaat was geweest, zich tevergeefs ertegen dat zij haar voorbereiding zou maken voor de eeuwige geloften: Zuster, wees redelijk, de Heer Jezus heeft niet zo intiem tot u gesproken, gij die zo ellendig, zo onvolmaakt zijt. Onthoud dat goed: de Heer Jezus geeft Zich alleen aan heilige zielen, niet aan zondige zielen zoals de uwe, mijn zuster. (EKC, blz. 102; PJ, 29)

 

Volgens de generale overste, Moeder Moraczewska, leefde zuster Faustina, zeer gevoelig, deze berispingen zeer slecht. Nochtans was de meesteres van novicen, Moeder Brzoza, onder de indruk van haar pretentie een grote heiligheid te bereiken (EKC, blz. 145).

 

De getuigenissen van haar zusters en van haar oversten zijn soms tegenstrijdig. Meer nog dan haar gedrag dat plaats kan geven aan tegenstrijdige interpretaties, is het de leerstellige inhoud van haar openbaringen die ons definitief zal verlichten over de natuur van de Geest die zuster Faustina leidde.

 

  1. 1931: U zult met een penseel schilderen

 

De generale overste, zeer helderziend, althans in een eerste tijd, stelde vast dat de verbeelding van de zuster neigde tot overdrijving. Moeder Moraczewska was geobsedeerd door de idee dat de oorsprong van de openbaringen van Faustina haar overdreven fantasie of een hysterie zou zijn, want, soms, wat zij aankondigde, gebeurde niet. (EKC, blz. 20 en 306)

 

Op 22 februari 1931, eerste zondag van de Vasten, na het middagmaal, nemen religieuzen van het klooster van Plock een licht waar dat uitstraalt uit de cel van zuster Faustina. Deze zal het visioen waarvan zij genoten heeft beschrijven als een verschijning van Christus: De ene hand was opgeheven om te zegenen, de tweede raakte Zijn kleed aan op de borst. Zijn Hart was niet zichtbaar. Uit de tuniek die op de borst openstond kwamen twee grote stralen, de ene rood, de andere bleek. In stilte vestigde ik mijn blik op de Heer, mijn ziel was gegrepen door vrees maar ook door een grote vreugde. Na een ogenblik zei Jezus tot mij: Schildert een afbeelding volgens het beeld dat gij ziet, met het opschrift: Jezus, ik vertrouw op U. Ik wens dat men dit beeld eert, eerst in uw kapel, dan in de hele wereld. Ik beloof dat de ziel die dit beeld eert, niet zal verloren gaan. Ik beloof haar ook de overwinning over haar vijanden hierbeneden, en inzonderheid op het uur van de dood. Ikzelf zal haar verdedigen, als mijn eigen glorie. (PJ, 47)

 

Nadat zij haar visioen had onthuld aan de biechtvader van de gemeenschap, interpreteerde deze de vraag: Dat betreft uw ziel. Schildert het beeld van God in uw ziel. (EKC, blz. 15)

 

Wat haar oversten betreft, toonden zij zich terughoudend: Zij betuigden mij medelijden alsof ik in de illusie was of wel onder de invloed van mijn verbeelding. (PJ, 38)

 

Einde februari 1931, na haar onderhoud met haar biechtvader, wordt de Poolse religieuze opnieuw aangespoord door haar Visioen: Ik wens dat er een feest van de Barmhartigheid is. Ik wil dat dit beeld dat gij met een penseel zult schilderen plechtig gezegend wordt, de eerste zondag na Pasen, deze zondag moet het feest van de Barmhartigheid zijn. De Moeder generaal zal verwittigd worden van de ontreddering van haar dochter: De overste van Plock zei mij dat de zuster een afbeelding moet schilderen, maar zij zelf wendde zich tot mij pas na teruggekeerd te zijn naar Warschau voor de derde proeftijd. Ik antwoordde haar: Zeer wel, mijn zuster, ik zal u de verven en een doek geven, zet u aan het schilderen.

 

Zij ging ontsteld heen en, voor zover ik weet, wendde zij zich tot verscheidene zusters vragend of zij voor haar een afbeelding van de Heer Jezus konden schilderen. Zij deed het discreet, maar zonder succes, deze zusters wetend evenmin hoe te schilderen; men zag nochtans goed dat deze idee haar kwelde.

 

Zo had het Visioen haar bevolen zelf dit beeld te schilderen, maar zonder haar de bekwaamheden te geven om het te doen…

 

Haar verzoek werd dikwijls slecht ontvangen door haar zusters: Wanneer de Heer eiste dat ik dit beeld zou schilderen, begon men over mij te spreken en mij te beschouwen als een hysterica en een verlichte. (EKC, blz. 13)

 

  1. Aangemoedigd door een retraitepredikant

 

In november 1932, vijf maanden vóór haar eeuwige geloften, gaat zuster Faustina naar het klooster van Walendow voor een retraite van acht dagen. Het is een jezuïetenpater die ze predikt, Edmund Elter. Faustina is toen in een grote beroering van geest: De duivel (sic) zegt mij met aandrang dat, aangezien de oversten gezegd hebben dat mijn innerlijk leven een illusie was, waartoe nog de biechtvader te vragen en hem te vermoeien? Nochtans biechtte zuster Faustina bij hem en de predikant zal aan de gemeenschap toevertrouwen dat hij hier een buitengewone ziel had ontmoet! Uit dit enig onderhoud besluit hij dat haar leven geheel bovennatuurlijk was en dat zij op zichtbare wijze door God werd geleid (EKC, blz. 192).

 

Daarop wilde de generale overste haar een ervaren geestelijke leidsman geven, die zij meende te vinden in de persoon van de jezuïetenpater Andrasz. Zuster Faustina ondervroeg de Heilige Maagd: Mijn Moeder, zeg mij of deze biechtvader degene is die Jezus mij beloofd heeft als zichtbare hulp? De Moeder Gods bevestigde het haar. (EKC, blz. 206)

 

Een andere priester, professor in de theologie, vijfenveertig jaar oud, werd ook haar geestelijke Vader: de abbé Michal Sopocko, die zij, zo zei zij, in een droom had gezien. Zij herkende hem toen hij einde mei 1933 aankwam in het klooster van Vilnius.

 

  1. Pater Sopocko is ongehoorzaam aan de aartsbisschop van Vilnius

 

De abbé Sopocko overweegt, bidt, informeert zich: Hij heeft ook het probleem van de verschijningen van zuster Faustina voorgelegd aan de aartsbisschop van Vilnius, Mgr. Romuald Jalbrzyskowski. Deze laatste raadde hem aan zeer voorzichtig te zijn, zich niet over te geven aan de illusies en beval hem er met niemand over te spreken. Dus noch tot de oversten van de religieuzen, noch tot een eventuele schilder.

 

De aartsbisschop Jalbrzyskowski was zeer op de hoogte van haar openbaringen door de overste van het klooster. Nadien zal de zuster zich bij hem tweemaal biechten tijdens de afwezigheid van de abbé Sopocko in september 1935. De aartsbisschop was zeer sceptisch wat de waarachtigheid van haar openbaringen betreft. (EKC, blz. 225)

 

Haar nieuwe leidsman begon met haar te verlossen van een onmogelijkheid, die van haar Visioen te gehoorzamen door zelf het gevraagde beeld te schilderen, met een penseel, volgens het bevel ontvangen in februari 1931. Hij vertrouwde deze taak toe aan Eugene Kazimirowski.

 

De abbé Sopocko nam deze beslissing terwijl hij nog aarzelde over de natuur van de Geest die aan de oorsprong lag van deze openbaringen.

 

De overste maakte gebruik van de wandeldag van de zusters om de abbé Sopocko en de zieneres naar deze schilder te zenden. Deze gaf de instructies aan de kunstenaar, en de geestelijke leidsman nam een geïnspireerde houding aan voor de pose. Kazimirowski voltooide het beeld van de barmhartige Jezus tijdens de zomer van 1934, tegen betaling.

 

Zonder de abbé Sopocko [en zijn ongehoorzaamheid aan de aartsbisschop], zou zuster Faustina er niet in geslaagd zijn een afbeelding van de barmhartige Jezus te verkrijgen. (EKC, blz. 397)

 

  1. 1935: Het icoon van de barmhartige Christus

 

Op 19 april 1935, Goede Vrijdag, hoorde de religieuze opnieuw de woorden van Jezus: Ik wens dat dit beeld openbaar geëerd wordt.

 

Nog vóór Pasen zei zij tot de abbé Sopocko dat Jezus boos was op hem en eiste dat hij het beeld drie dagen zou plaatsen bij de Poort van de Dageraad om de viering van het jubileum van de 1900 jaar van de Verlossing te sluiten. Het einde van de vieringen viel op de eerste zondag na Pasen. Verlegen vroeg haar nieuwe biechtvader zich af hoe zuster Faustina te bevredigen, toen een van zijn medebroeders hem vroeg de triduum van de slotvieringen van het jubileum te prediken te Vilnius. Hij aanvaardde op voorwaarde dat het beeld van de barmhartige Jezus zou worden geplaatst, als versiering, in de Poort van de Dageraad (EKC, blz. 252).

 

Het icoon van de barmhartige Christus werd dus geplaatst naast het beschermende en eeuwenoude icoon van de Maagd Maria, op de plaats meest beladen met mariaanse en nationale vroomheid van Polen, na Czestochowa. Dit icoon van de Maagd Maria, hersteld in 1927, was ook gekroond onder de titel van Moeder van Barmhartigheid, en de veertienduizend ex-voto’s verkondigden dat Onze-Lieve-Vrouw deze titel wel verdiende.

 

Tijdens de triduum heeft de abbé Sopocko alleen ogen voor zijn beeld. Moeder Borgia herinnert zich dat onder de pelgrims sommigen het hoofd schudden, anderen de schouders ophaalden zonder het thema van het beeld te begrijpen, anderen nog de dubbele witte en rode stralen [nationale kleuren van Polen] bewonderden die uitgingen niet uit het hart [dat niet was voorgesteld], maar uit de openstaande tuniek.

 

In juni 1935 neemt de priester het op zich het beeld bloot te stellen in een gang van het klooster van de Bernardinessen. Op 15 december 1935 ontvangt zuster Faustina van haar Stem deze boodschap: Zeg tot uw biechtvader dat dit beeld moet worden blootgesteld in de kerk, en niet in de clausuur van dit klooster. (PJ, 570)

 

De abbé Sopocko had geen enkele toestemming gevraagd aan de aartsbisschop Jalbrzykowski omdat hij vrees had voor zijn weigering. Nochtans, in maart 1936, dat wil zeggen bijna een jaar na de blootstelling van het beeld in de Poort van de Dageraad zonder de toestemming van de aartsbisschop, nam hij tijdelijk het beeld mee naar de kerk van Sint-Michiel. De abbé Antoni Mruk verweet hem het zo te hebben blootgesteld aan de openbare verering zonder toestemming te hebben gevraagd (EKC, blz. 251 en 257).

 

  1. Het Kleine Dagboek ruikt naar ketterij

 

De abbé Sopocko hield zijn geleide lang in de biechtstoel, wat de andere religieuzen ergde waarvan de tijd beperkt was wegens hun tewerkstelling. Zij zagen zuster Faustina met een zacht gelaat naar buiten komen dat des te meer ergerde daar deze nadien vertraagde om naar de werkplaats terug te keren om haar zusters te helpen…

 

Om deze wanorde te verhelpen, vroeg haar biechtvader haar een intiem dagboek op te stellen.

 

Zuster Faustina zette zich ertoe, denkend dat het na haar dood zou worden uitgegeven, precies zij dat op een blad dat in het binnenste van haar notitieboekjes was gestoken.

 

De religieuze gebruikte al haar vrije tijden voor dit opstellen, en nam er zelfs dikwijls van haar werktijd op. Dit opstellen eiste ook frequente onderhouden met de abbé Sopocko, wat haar opnieuw vertraagde in haar werk. De andere religieuzen verwonderden zich erover en noemden haar de kasteelvrouwe, de prinses. Deze pretenderde dat Jezus Zelf haar aanspoorde te schrijven en dat Hij haar Petit Journal doorbladerde om te controleren wat zij had opgesteld. Hij noemde haar secretaresse van de Barmhartigheid van God. (EKC, blz. 229)

 

In haar eerste opstelling ging zij dikwijls, binnen eenzelfde zin, over van haar eigen woorden naar die van haar visioenen. Daardoor was het moeilijk te weten wie sprak. Was het de religieuze die haar eigen gedachten uiteenzette of die van haar geestelijke leidsman? Waren het woorden van haar visioenen? Maar wist zij het zelf? Bovendien was de eerste transcriptie, naar Rome gezonden in 1950-1952, onvolledig: woorden en alinea’s van het manuscript waren weggelaten.

 

Nadien heeft pater Jerzy Mrowczynski, vice-promotor van het geloof bij haar informatieve proces van zaligverklaring, de uitgave van de volledigheid van het manuscript in een kritische editie overzien die niet minder dan negenhonderd noten bevat.

 

De oorspronkelijke en nieuwe documenten, waarvan sprake is in de Notificatie van 15 april 1978, bestaan wezenlijk uit getuigenissen verzameld voor haar proces van zaligverklaring. Haar enige geschriften zijn haar brieven, niet zeer talrijk, en haar zes manuscriptnotitieboekjes van het Petit Journal. Dit autobiografisch relaas, nadien voortgezet onder de vorm van een dagboek, is het kapitaal document om zuster Faustina en haar geestelijke ervaringen te kennen.

 

In de inleiding tot zijn kritische editie, gedateerd 7 mei 1973, legt pater Mrowczynski uit dat bepaalde zinnen van de zuster duister, onbegrijpelijk zijn. Soms ruikt dat naar ketterij; althans indien men deze zinnen niet begeleidt met commentaren (uitg. Jules Hovine, 1985, blz. 15).

 

Deze vaststelling had de definitieve opschorting van de instructie van haar proces van zaligverklaring moeten uitlokken, althans indien men nog de traditionele regels volgde: Het is niet noodzakelijk, om voor altijd een zaak van heiligverklaring te stoppen, dat de werken van de dienaar van God formele dwalingen tegen het dogma of de zeden bevatten. Het volstaat dat men er verdachte nieuwigheden, lichtvaardige kwesties, of wel enige eigenaardige mening vindt die tegengesteld is aan de leer van de Vaders en aan het gemeenschappelijk gevoelen van de gelovigen opdat de vooruitgang van de zaak definitief gestopt wordt. (Dictionnaire de théologie catholique, artikel Canonisation, kol. 1644)

 

Wij moeten nu onderzoeken om welke redenen deze openbaringen niet in overeenstemming zijn met het katholieke geloof, om de Geest te kennen die zuster Faustina heeft geïnspireerd. Want niets wat van God komt, kan de katholieke waarheden tegenspreken, zelfs niet, zo zegt de heilige Paulus ons, een engel die uit de hemel komt: Indien wijzelf, indien een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde dat verschillend is van hetgeen wij hebben gepredikt, hij zij anathema! (Gal. 1, 8) Alle mystieke dokters hebben het gezegd, het volstaat dat één enkel punt van de katholieke leer wordt tegengesproken opdat men kan bevestigen dat hij die spreekt geen gezant van God is.

 

Laat ons de waarschuwingen van de heilige Teresa van Avila aanhalen: Ik beschouw een openbaring alleen als waar voor zover zij niet tegengesteld is aan de heilige Schrift en aan de wetten van de Kerk die wij gehouden zijn te volgen… Indien een openbaring er ooit zo weinig van afweek, zou ik er een valstrik van de duivel in zien. Dit enig teken onthult zo goed de listen van de boze Geest dat, al zou de hele wereld verzekeren dat het de Geest van God is, ik het niet zou geloven. (Leven door haarzelf geschreven, hfdst. 25 en 32)

 

Deze valstrik van de duivel verschijnt duidelijk met al haar funeste gevolgen indien wij de openbaringen van zuster Faustina vergelijken met die van Paray-le-Monial en van Fatima, waarvan de volmaakte orthodoxie niet meer te bewijzen is.

 

  1. Namaak van de boodschap van Fatima

 

De openbaringen van het Heilig Hart in de zeventiende eeuw aan de heilige Margareta-Maria onthulden het groot goddelijk plan van barmhartigheid voor onze moderne tijden.

 

De Abbé de Nantes, onze Vader, schrijft: Sinds 1673, er zijn meer dan driehonderd jaar, datum van de eerste verschijning van het Heilig Hart te Paray-le-Monial, is ons geopenbaard dat het verbond van God met Zijn volk een nieuwe vorm, een nieuw gelaat moet aannemen. En dat om de zielen in deze wereld, afgekoeld door het humanisme van de Renaissance en al de onzedelijkheid en de scepsis die eruit zijn voortgekomen, door het calvinisme en al het uitdrogen en de uitputting van het mystieke leven die het heeft uitgelokt, te raken en te ontvlammen.

 

Het is als een hernieuwd verbond, gesloten met de moderne wereld. Maar zoals de andere verbonden, dat van de Sinaï, dat van Calvarië, is ditzelfde en eeuwige verbond voorwaardelijk. Jezus zegt ons Zijn liefde en belooft ons de gevolgen ervan: deze zullen des te meer wonderbaar en overvloedig zijn naarmate Zijn liefde groter is.

 

Maar er wordt van ons, in ruil, als een voorwaarde wel dun maar noodzakelijk en voldoende, geëist dat wij Hem een cultus bewijzen die Hij vastlegt en bepaalt naar Zijn welbehagen. Hij wil als teken van onze liefde een openbare cultus voor Zijn Heilig Hart.

 

Deze tekenen van onderwerping, zichtbaar, openbaar, aan Zijn welbehagen, zullen door Zijn genade en volgens Zijn belofte, de werkdadige tekenen zijn van het wonderbaar heil dat Hij aan de wereld wil geven!

 

Zeker, de absoluut belangeloze devotie van de mystici is prachtig, maar het Goddelijk Hart van Jezus zoekt, in Zijn barmhartigheid, de devotie op te wekken van de behoeftigen, van de verharde zondaar, van het verloren kind: In hun nood zullen zij Mij zoeken, orakel van Jahweh in het boek van Hosea (5, 15). (CRC nr. 75, december 1973, blz. 4-5)

 

  1. Het Onbevlekte Hart van Maria bron van het levende water van de barmhartigheid

 

In de twintigste eeuw hebben de openbaringen van Fatima de suite genomen van die van Paray-le-Monial. Kardinaal Cerejeira, patriarch van Lissabon, had het volmaakt begrepen: Men kan de boodschap van Fatima samenvatten in deze termen: het is de openbaring van het Onbevlekte Hart aan de huidige wereld. Fatima zal voor de cultus van het Onbevlekte Hart van Maria zijn wat Paray-le-Monial was voor de cultus van het Hart van Jezus. Fatima is, op zekere wijze, de voortzetting of, beter, de voltooiing van Paray-le-Monial: Fatima verenigt deze twee Harten die God Zelf heeft verenigd in het goddelijk werk van de verlossing. Onze Vader, de Abbé de Nantes, heeft de historische en theologische demonstratie ervan gegeven in de retraite die hij ons heeft gepredikt over de boodschap van Paray-le-Monial.

 

Heden verlengen de openbaringen van Fatima het door ons het goddelijk plan van verheerlijking van het Onbevlekte Hart van Maria voor het heil van de wereld te onthullen.

 

Nu is het klaarblijkelijk dat de openbaringen van zuster Faustina ons aanzienlijk verwijderen van Fatima, resoluut de toevlucht tot de almachtige voorspraak van het Onbevlekte Hart van Maria terzijde schuivend. Zeker, de Poolse religieuze zei zich bezield te zijn door een devotie die allerminst uitzonderlijk was ten opzichte van de Maagd Maria. Zij toevertrouwde op een dag aan zuster Christophora: Moet ik trots zijn te denken dat niemand de allerheiligste Maagd zozeer bemint als ik! (Maria Winowska, L’icône du Christ miséricordieux, uitg. Saint-Paul, 1973, blz. 270-271)

 

Men vindt zelfs in haar geschriften de vermelding van het Onbevlekte Hart: Ik leef onder de maagdelijke mantel van de Moeder Gods, Zij is het die mij onderricht en bewaakt. Ik voel mij alleen in veiligheid op Haar Onbevlekt Hart, want ik ben zwak en onwetend. Genesteld in Haar armen, vrees ik niets. Mijn ziel juicht in uw zoetheid en uw stilte [?], o Maria! (ibid.) Maar er is geen sprake van het Onbevlekte Hart van Maria zoals het zich heeft geopenbaard te Fatima, Pontevedra en Tuy, omringd met doornen en bron van de barmhartigheid: Dit Onbevlekt Hart, zei Jezus tot zuster Lucy, is de onuitputtelijke bron die op de aarde het levende water van Mijn Barmhartigheid doet ontspringen. (1943)

 

De visioenen van de Poolse religieuze vormen, niet een herinnering, een suite en een ontwikkeling van de boodschap van Fatima, maar een absolute tegenspraak van haar groot Geheim van 13 juli 1917.

 

Terwijl door haar mariaanse devotie Polen voorbeschikt was om te antwoorden op de eisen van Onze-Lieve-Vrouw, bewerkte zuster Faustina een ongelukkige afleiding, precies in de jaren waarin de profetieën van Fatima begonnen zich te verwezenlijken en waarin haar buitengewone boodschap haar wereldwijde dimensie aannam.

 

  1. In de afgronden van de hel

 

In oktober 1936, dat wil zeggen zeer laat, terwijl heel haar boodschap zo te zeggen geformuleerd is, zou zuster Faustina de hel bezocht hebben: Zij werd er voor een kort ogenblik heengebracht: Ik, zuster Faustina, op bevel van God, heb de afgronden van de hel doordrongen, om erover tot de zielen te spreken en te getuigen dat de hel bestaat. Ik kan er nu niet over spreken. Ik heb het bevel van God het schriftelijk na te laten, bevestigde zij in een ceremonieuze toon. (EKC, blz. 299) Hier is wat zij schrijft met een ijzige grootspraak: Het is een plaats van grote folteringen. En haar omvang is vreselijk groot. Soorten van lijden die ik heb gezien:

 

Het eerste lijden dat de hel maakt is het verlies van God.

 

Het tweede: de eeuwige wroegingen van het geweten.

 

Het derde: het lot van de verdoemden zal nooit veranderen.

 

Het vierde: het is het vuur dat de ziel zal doordringen zonder haar te vernietigen. Het is een vreselijk lijden, want het is een zuiver geestelijk vuur, ontstoken door de toorn van God.

 

Het vijfde lijden, het is de voortdurende duisternis, een vreselijke, verstikkende geur. En, ondanks de duisternis, zien de demonen en de verdoemde zielen elkaar wederzijds en zien zij al het kwaad van de anderen en hun eigen.

 

Het zesde lijden, het is de voortdurende gezelschap van Satan.

 

Het zevende lijden: een vreselijke wanhoop, de haat van God, de vervloekingen, de godslasteringen.

 

Zulk een lijst heeft niets te maken met de treffende beschrijvingen van authentieke zieners die getuigden van wat zij hadden gezien en gehoord, zoals de zalige pater Hoyos, de heilige Teresa van Avila, zuster Lucy.

 

Zuster Faustina schijnt te herhalen wat zij door haar lectuur heeft geleerd en tijdens preken heeft gehoord.

 

Zij vervolgt: Ik schrijf dat op bevel van God opdat geen enkele ziel zich kan verontschuldigen zeggend dat er geen hel is, of dat niemand er geweest is en niet weet hoe het is. Zij besluit: Ik bid nog vuriger voor de bekering van de zondaars. Onophoudelijk roep ik de goddelijke barmhartigheid over hen. (PJ, 740)

 

Te Fatima is het visioen van de hel kapitaal, eerste. Het gaat uit van het Hart van onze God, bedroefd de zielen daarheen te zien storten en hen ervan te beletten, volgens Zijn welbehagen geopenbaard door Onze-Lieve-Vrouw: Om hen te redden, wil God in de wereld de devotie tot Mijn Onbevlekt Hart vestigen. (13 juli 1917)

 

Laat ons niet vergeten dat deze openbaring van lange datum is voorbereid. Van de dertiende eeuw af heeft Onze-Lieve-Vrouw van de Karmel een wonderbare belofte verbonden aan het dragen van het scapulier van de Orde: Wie sterft bekleed met dit habijt zal gered worden. Het was dus reeds te zeggen dat de beste weg om de Hemel te winnen is een christelijk leven te leiden in een totale toewijding aan Maria.

 

  1. Rozenkrans tegen rozenkrans

 

Zuster Faustina ontvangt van haar geest, op 13 september 1935, visioen en openbaring van een ander middel om de zielen te redden. Het is zo duizelingwekkend dat dat zich niet kan uitvinden. Het is een parodie van het derde geheim van Fatima waar zij, zij en haar rozenkrans van de barmhartigheid, de plaats inneemt van de Heilige Maagd in Persoon: ’s Avonds, toen ik in mijn cel was, zag ik een Engel, de uitvoerder van de toorn van God. Hij was in helder kleed, het gelaat stralend, een wolk onder de voeten, uit deze wolk gingen de bliksem en de bliksems uit die hij uit zijn hand op de aarde lanceerde.

 

Toen ik het teken van de toorn van God zag die de aarde moet treffen, en vooral een bepaalde plaats, die ik klaarblijkelijk niet kan noemen, begon ik de Engel te bidden opdat hij enige ogenblikken zou ophouden, hem zeggend dat de wereld boete zou doen. Maar mijn gebed was niets voor de toorn van God.

 

Op dat ogenblik nam ik de Allerheiligste Drieëenheid waar. De grootheid van Haar Majesteit drong tot in de diepte van de ziel en ik durfde mijn smeekbeden niet meer herhalen.

 

Op hetzelfde ogenblik voelde ik in mijn ziel de kracht van de genade van Jezus die in mijn ziel woont. Oh! hoe groot is onze Heer en onze God. Onbegrijpelijk is Zijn Heiligheid!

 

Ik begon God te smeken voor de wereld, met woorden die innerlijk gehoord werden. Dan terwijl ik zo bad, zag ik de machteloosheid van de Engel die de rechtvaardige straf die van vol recht toekomt aan de zonden niet kon voltrekken. Ik had nog nooit met zoveel innerlijke kracht gebeden.

 

Hier zijn de woorden waarmee ik God smeekte: Eeuwige Vader, ik offer U het Lichaam, het Bloed, de Ziel en de Godheid van Uw allerliefste Zoon Onze Heer Jezus Christus, voor onze zonden en die van de hele wereld. Door Zijn pijnlijke Passie, wees barmhartig over ons.

 

De volgende dag, de kapel binnengaand, hoorde ik innerlijk deze woorden: Elke maal dat gij de kapel binnengaat, zeg dadelijk het gebed dat Ik u gisteren geleerd heb.

 

Wanneer ik dit gebed zei, hoorde ik: Dit gebed moet Mijn toorn sussen. Gij zult het gedurende negen dagen zeggen, op een rozenkrans, op de volgende manier: eerst zult gij een Pater, een Ave en het Credo zeggen. Dan op de korrels van de Pater zult gij de volgende woorden zeggen: Eeuwige Vader, ik offer U het Lichaam, het Bloed, de Ziel en de Godheid van uw welbeminde Zoon, Onze Heer Jezus Christus, om van U de vergeving van onze zonden en die van de hele wereld af te smeken.

 

Op de korrels van de Ave Maria zult gij zeggen: Door Zijn pijnlijke Passie, heb medelijden met ons en met de hele wereld.

 

Op het einde zult gij driemaal deze woorden zeggen: Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterfelijke, heb medelijden met ons en met de hele wereld. (PJ, 474-476)

 

De rozenkrans van zuster Faustina bevat slechts één Ave Maria. Het is nochtans aan Haar, de Onbevlekte, dat God, volgens het schone woord van pater Kolbe, de hele orde van de Barmhartigheid heeft toevertrouwd. Daarom eiste Onze-Lieve-Vrouw van Fatima in al Haar verschijningen de dagelijkse recitatie van de rozenkrans die meer dan vijftigmaal het mysterie van de uitverkiezing van de Maagd Maria, vol van genade, verheft; God is met Haar, en meer dan vijftigmaal erkent de gelovige zich zondaar en doet nederig beroep op Haar, de Moeder van God, onze Moeder, opdat Zij ons te hulp kome, vooral op het uur van onze dood.

 

Zeker, de openbaringen van Fatima waren in de jaren dertig in Polen niet bekend, maar de Heilige Geest was aan het werk in de religieuze orden en in de heilige zielen. Zonder de wil van welbehagen van God te kennen die was en altijd is de devotie tot het Onbevlekte Hart van Maria in de wereld te vestigen, werkten zij er actief aan, zoals de zevenhonderd religieuzen van de heilige Maximiliaan-Maria Kolbe.

 

  1. Barmhartigheid zonder genade

 

Op 12 december 1936 zei zuster Faustina voor de eerste maal de rozenkrans van de barmhartigheid bij een stervende: Ik knielde bij de stervende en begon met al de vurigheid van mijn geest deze rozenkrans te zeggen. Plotseling opende de stervende de ogen, zij keek mij aan en ik had niet de tijd de rozenkrans te eindigen of zij was dood in een vreemde vrede. Ik bad vurig de Heer Zijn belofte te houden die Hij mij had gedaan voor de recitatie van deze rozenkrans. De Heer deed mij kennen dat deze ziel de genade had ontvangen die de Heer mij had beloofd. Deze ziel was de eerste die de belofte van de Heer had verkregen. Ik voelde hoe de kracht van de barmhartigheid deze ziel omringde. (PJ, 810)

 

Heeft deze stervende de laatste sacramenten ontvangen? Zuster Faustina zegt er niets over, er is geen sprake van.

 

Zij vervolgt: In mijn eenzaamheid binnengaand, hoorde ik deze woorden: Op het uur van haar dood verdedig Ik als mijn eigen glorie elke ziel die deze rozenkrans zelf zegt, of wel indien anderen ze bij de stervende zeggen – de aflaat is dezelfde. Wanneer men deze rozenkrans bij de stervende zegt, sussen zich de goddelijke toorn, grijpt de onpeilbare barmhartigheid haar ziel, worden de ingewanden van mijn barmhartigheid bewogen door de pijnlijke passie van mijn Zoon. (PJ, 811)

 

Het is automatisch, het doet er weinig toe of de stervende berouw toont of niet, een wil om zich te biechten. De enkele uitspraak van de woorden van het gebed werkt op de manier van de sacramentele formule van de absolutie, ex opere operato, en verkrijgt het eeuwig heil van de ziel.

 

Deze beweerde barmhartigheid bedekt de zondaar met een mantel die hem genade doet vinden in de ogen van de Heer, zonder berouw noch berouw op zijn deel, zelfs zonder de minste bewustzijn. Zulk is het nieuwe Evangelie, quietistisch, van zuster Faustina, liberaler dan dat van het Hart van Jezus, niet langer het onderscheid makend tussen de tollenaar en de farizeeër.

 

Het is heel het verschil met de eis van Onze-Lieve-Vrouw te Pontevedra. En het is de cruciale vraag…

 

Op hetzelfde ogenblik, in deze jaren waarin Johannes Paulus II de zaligverklaring van zuster Faustina voorbereidt (1993), maakte onze Vader zich de apostel van de herstellende communie van de vijf eerste zaterdagen van de maand, om te voldoen aan de verzoeken van Onze-Lieve-Vrouw te Pontevedra. Deze devotie is radicaal verschillend van de praktijken van zuster Faustina, aangezien zij berust op de praktijk van de sacramenten van Boete en van de Eucharistie.

 

  1. Veroordeeld door het Heilig Officie

 

Het is dit nieuwe Evangelie dat de theologen van het Heilig Officie te Rome verwierpen, tijdens het onderzoek van haar geschriften en eisen: In de jaren 1950 betwistten de relators [sic] van het Heilig Officie vooral het feit dat de cultus van het beeld van de barmhartige Jezus, evenals het feest van de goddelijke barmhartigheid en de rozenkrans tot de goddelijke barmhartigheid schijnbaar in de openbaringen van zuster Faustina een autonome onbeperkte macht ontvingen. Alsof het zou volstaan het beeld te vereren en zijn cultus te verspreiden om het eeuwig leven te kunnen verkrijgen. (EKC, blz. 379)

 

Zulk een praktijk is niet in overeenstemming met de leer van de Kerk, en loopt dus een leerstellig vonnis op in 1958. Het vonnis van de Romeinse rechters is duidelijk: de openbaringen van zuster Faustina zijn niet bovennatuurlijk. De klaarblijkelijke zin van de woorden van het Visioen leidt ertoe de goddelijke Barmhartigheid toe te kennen aan de gelovigen niet door de middelen van de katholieke en hiërarchische Kerk, haar prediking, haar sacramenten en haar regering van de zielen, maar door de cultus van de Barmhartigheid, volgens de praktijken van zuster Faustina, dat wil zeggen door misbruikende devotionele praktijken, zoals het Heilig Officie schreef aan de kardinaal Primass Wyszynski op 19 november 1958 (Dictionnaire de spiritualité, t. 7, kol. 1774).

 

Hier is een van de woorden van het Visioen die moeten worden afgekeurd en verboden omdat het laat verstaan dat noch het berouw, noch de sacramentele absolutie waardig ontvangen, noch de bekering, noch de boete noodzakelijk zijn om gered te worden: Zelfs de meest verharde zondaar, indien hij deze rozenkrans één enkele maal zegt, zal de genade van mijn oneindige barmhartigheid verkrijgen. (PJ, 687)

 

En indien de zondaar zo verhard is dat hij sterft zonder enig teken van berouw? Volgens zuster Faustina zal hij genaden ontvangen die gelijkwaardig zijn aan die welke de laatste sacramenten hem zouden hebben gegeven. Het is alsof hij, vóór te sterven, de sacramenten van de Kerk had ontvangen… terwijl hij ze niet heeft ontvangen! De theologie van zuster Faustina is een beetje kort, zoals het Heilig Officie zei tot de kardinaal Wyszynski. Het is het minste dat men kan zeggen aangezien, met haar praktijken, de staat van genade niet langer telt. Het is niet noodzakelijk ze te bewaren of te herwinnen om gered te worden.

 

Zij legt bovendien uit: De goddelijke barmhartigheid bereikt meer dan één maal de zondaar op het laatste ogenblik, op een vreemde en mysterieuze manier. Uiterlijk is het alsof alles verloren is, maar het is niet zo; de ziel verlicht door een krachtige straal van de opperste genade, keert zich tot God met zulk een kracht van liefde, dat zij in een oogwenk van God de vergeving van haar fouten en van hun straf ontvangt, en uiterlijk geeft zij ons geen teken van berouw of van berouw, want zij reageert niet meer op de uiterlijke dingen. Niet alleen keert de ziel zich niet tot God om barmhartigheid af te smeken, aangezien zij Hem haar kracht van liefde oplegt, maar zij kan Hem ook het tegendeel opleggen: een vonnis van veroordeling. Zij is het die beslist: Soms is er onder de zielen zulk een verharding dat zij bewust de hel kiezen. (PJ, 1698)

 

Zulk een bevestiging leidt tot een dwaling die heden zeer verspreid is. Inderdaad, volgens de katholieke leer, is het niet de zondige ziel die bewust de hel kiest, maar het is de driemaal Heilige God die, in de volheid van Zijn Heiligheid van rechtvaardigheid, de onboetvaardige zondaar tot de eeuwige hel veroordeelt.

 

De Abbé de Nantes heeft deze ketterij ontwaard in de Catechismus van de Katholieke Kerk, en hij heeft ze afgekeurd onder de vorm van een anathema dat de definitie ervan geeft: Indien iemand zegt dat niemand het voorwerp kan zijn van een vonnis van verdoemenis tot de eeuwige hel, maar dat alleen de rebel erdoor getroffen wordt door zijn eigen beslissing van zelfuitsluiting waarvan God de vrijheid eerbiedigt, hij zij anathema! (CRC nr. 291, april 1993, blz. 18)

 

  1. Feest van de Barmhartigheid om de vrede te verkrijgen

 

In 1934 hoort zuster Faustina deze woorden gericht tot de abbé Sopocko: Vraag mijn getrouwe dienaar op deze dag (1e zondag na Pasen) mijn grote barmhartigheid aan de hele wereld te verkondigen. Wie op die dag de Bron van het Leven zal naderen, zal een totale kwijtschelding van zijn zonden en van hun kastijdingen verkrijgen. Deze laatste inbegrepen de oorlog veroorzaakt door de dwalingen van Rusland die Spanje in 1934 in de chaos storten, volgens het groot geheim van Fatima, dat het Onbevlekte Hart van Maria minister van de Barmhartigheid stelde. Hier, niets van dien aard: De mensheid zal de VREDE niet vinden zolang zij zich niet met vertrouwen tot mijn barmhartigheid keert. (PJ, 300)

 

Wat is deze Bron van het Leven waarvan men moet naderen om dezelfde genaden te verkrijgen als een sacramentele absolutie met, bovendien, een volle aflaat? Om zulk een openbaring katholiek te trachten te maken, identificeert Ewa K. C. deze Bron van het Leven met de biecht en de eucharistische communie (EKC, blz. 171).

 

Twee jaar later, in het relaas van een andere openbaring (PJ, 699), zal men de vermelding vinden van de biecht en de communie, maar met een verwarring tussen enerzijds de vergeving van de zonden en, anderzijds, de kwijtschelding van de straffen die men hierbeneden door de aflaten verdient. Alsof de sacramentele absolutie ons de ene en de andere verkregen.

 

In deze twee teksten is de noodzaak te betalen voor zijn fouten, te boeten en te herstellen, totaal verduisterd.

 

Volgens zuster Faustina is de vrede van de wereld rechtstreeks verbonden met de Barmhartigheid, het grootste attribuut van God. Om deze vrede te verkrijgen, volstaat het dat de mensheid zich met vertrouwen tot deze barmhartigheid keert. Te Fatima, in 1917, tijdens verschijningen waarvan de authenticiteit is bevestigd door het grootste kosmische wonder van de universele geschiedenis, heeft God beloofd de vrede aan de wereld toe te kennen door de bemiddeling van het Onbevlekte Hart van Maria. Voorzeker, Hij heeft er een voorwaarde sine qua non aan verbonden: de devotie tot het Onbevlekte Hart van Maria. Het volstaat niet zich tot een attribuut van God te keren, men moet gehoorzamen. De gehoorzaamheid van de Heilige Vader aan twee eisen, de goedkeuring van de herstellende communie van de vijf eerste zaterdagen van de maand, en de collegiale toewijding van Rusland aan het Onbevlekte Hart van Maria, moet voor eeuwig dit Onbevlekt Hart verheerlijken en aan de wereld een zekere tijd van vrede toekennen.

 

  1. Barmhartigheid in de Kerk kent niemand

 

De abbé Sopocko had nog en altijd twijfels over de bevelen van Jezus gegeven aan Faustina. Hij zei tot de zuster dat het feest ter ere van de barmhartigheid reeds bestond. Het werd gevierd de tweede zondag na Pinksteren en was afgekondigd door paus Pius IX in 1855. Daarom vroeg zuster Faustina op 5 november 1934 haar Visioen waartoe een feest te scheppen dat reeds bestond.

 

Antwoord: Wie kent het? – Niemand. En zelfs diegenen die deze barmhartigheid moeten verkondigen en het volk erover onderrichten, kennen het dikwijls zelf niet; daarom wens Ik dat dit beeld plechtig gezegend wordt, de eerste zondag na Pasen, en dat het de openbare eerbewijzen ontvangt, opdat elke ziel het kan kennen. (PJ, 341)

 

Was het tot dat punt een vergeten waarheid? Vergeten in Polen door de heilige broeder Albert? Door de heilige Maximiliaan-Maria Kolbe? Vergeten door alle religieuzen van deze bewonderenswaardige congregatie van de zusters van de Goddelijke Moeder van Barmhartigheid, die ze dag en nacht beoefenden? Indien deze Barmhartigheid vergeten is door de heilige Teresa van het Kind Jezus van het Heilig Aanschijn, deze grote minnares van de barmhartige Liefde, is het dan dat de Kerk ze nooit heeft gekend? Het is precies wat het Visioen heeft durven zeggen!

 

  1. Plagiaat van zuster Benigna

 

Vergeten door de Kerk die dus geen rekening zou hebben gehouden met de heilige Margareta-Maria en de openbaringen van het Heilig Hart van Jezus; noch met de Italiaanse visitandine zuster Benigna Consolata Ferrero (1885-1916) waarvan de boodschap die van Paray-le-Monial verlengt.

 

Jezus zei tot zuster Benigna: De zalige Margareta-Maria had de zending Mijn Hart bekend te maken; gij hebt die van de Barmhartigheid van Mijn Hart, zijn vriendelijkheid, zijn tederheid bekend te maken. Verzamelt kostbaar en zorgvuldig de intieme openbaringen waarvan Ik u deelachtig maak. Mijn wil is dat gij schrijft.

 

Benigna, kleine secretaresse van mijn liefde voor mijn schepselen, gij zult schrijven, de anderen zullen uw geschriften uitgeven. Aan u de gave van God te smaken in de stilte; aan de anderen deze bladzijden te verspreiden tot glorie van God. Aan u het geluk te rusten op het Hart van uw Jezus terwijl Hij tot u spreekt; aan de anderen deze schatten uit te delen.

 

Zuster Benigna vergeten in de Kerk? Onbekend van zuster Faustina? Zeker niet! aangezien de Poolse religieuze haar biografie las en herlas: het was, volgens haar overste, haar lectuur van voorkeur! En wanneer zij in haar Petit Journal schrijft dat Jezus haar Zijn secretaresse noemt: secretaresse van de Barmhartigheid, kan men het plagiaat vermoeden.

 

De openbaringen van zuster Faustina schijnen ons voor een deel een herneming, preciezer een verzwakking en een vervorming van die van zuster Benigna.

 

De Poolse religieuze heeft zich een zending toegeschreven die vergelijkbaar is met die van de Italiaanse visitandine, met een versterking en een overtroeven door de veelheid van de verschijningen, van de profetische charisma’s, van de buitengewone mystieke verschijnselen…

 

In tegenstelling tot zuster Faustina, kan met zuster Benigna, zoals met alle heiligen, de barmhartige Liefde van God haar vruchten niet voortbrengen zonder dat Zijn zondige, gedegradeerde kinderen blijk geven van een berouw zelfs zeer onvolmaakt, zelfs minimaal… Bijvoorbeeld, Pranzini die het crucifix omhelst vóór de schavot te bestijgen: eerste kind, eerste geredde van de kleine Teresa.

 

In het kort, de visioenen van zuster Faustina stemmen niet overeen met de goddelijke waarheid geleerd door de Kerk.

 

Bovendien vermengen de bronnen van haar beweerde openbaringen plagiaat, verdichtsels, diabolische illusies, en leiden ertoe ons af te leiden van de authentieke goddelijke openbaringen.

 

  1. Polen vervangt Rusland

 

De Barmhartigheid was niet vergeten in de Kerk dankzij de Maagd Maria en Haar zeer barmhartige stichtende verschijningen, beschermsters van onze christenheden, en die, grootse, op het gevaar van de laatste tijden aangekondigd door de Apocalyps, sinds de rue du Bac (1830), Lourdes waar Zij Haar Naam openbaart: IK BEN DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS (25 maart 1858), tot Pontmain (1871), Fatima (1917) en haar verlengingen van Pontevedra (1925) en van Tuy.

 

De Trinitaire theofanie van Tuy, van 13 juni 1929, was, zei onze Vader, een wonderbaar gebeuren, wonder waarvan men het gelijke niet vindt in de geschiedenis van de Kerk, sinds het visioen van de heilige Paulus op de weg van Damascus. Heel het mysterie van de circumincessante eucharistische en mariaanse liefde vindt zich daar geopenbaard, volgens hetwelk de genade en de barmhartigheid zich moeten verspreiden over de hele wereld door het Onbevlekte Hart van Maria. Inderdaad, onder de linkerarm van het Kruis, bevonden zich grote letters, als van een kristalhelder water dat boven het altaar zou zijn gevloeid, deze woorden vormend: GENADE EN BARMHARTIGHEID. Terwijl onder de rechterarm van het Kruis zich Onze-Lieve-Vrouw bevond, met Haar Onbevlekt Hart in de hand, zonder zwaard noch rozen, maar met een kroon van doornen en vlammen. De Genade is tegelijk de bron van een gave in God en het gevolg van deze gave in Haar die ze ontvangt, vol van genade (Lc 1, 28). De Genade, het is de schoonheid en de gratisheid. Aan de wortel van deze twee aantrekkelijke realiteiten die hetzelfde mysterieuze woord aanduiden, vinden wij de gave van God. (Georges de Nantes, CRC nr. 123, november 1977, blz. 12)

 

Zo biedt de Onbevlekte Ontvangenis Haar Onbevlekt Hart van Bruid van de goddelijke Gekruisigde, Medeverlosseres en herstelster van de gevallen mensheid (heilige Pius X), Hart van de Moeder van God, Middelares van de Genade en universele uitdeelster van de Barmhartigheid over heel de mensheid verlost op Calvarië.

 

De liturgie gevierd ter ere van Haar Onbevlekt Hart nodigt ons onmiddellijk uit Haar bemiddeling in te roepen: Laat ons met vertrouwen naderen tot de Troon van de Genade, om Barmhartigheid te verkrijgen en Genade te vinden, voor de hulp waarvan wij nood hebben.

 

Tijdens de theofanie van Tuy waarschuwde Onze-Lieve-Vrouw Haar boodschapster dat het ogenblik was gekomen waarop God van de Heilige Vader eiste de collegiale toewijding van Rusland aan Haar Onbevlekt Hart te voltrekken, belovend het door dit middel te redden. Want God is geneigd barmhartigheid te gebruiken jegens het arme Rusland. Rusland is dus de bevoorrechte natie, voorwerp van de welgevallen van het Hart van God, door Genade. Door zich te bekeren, zal het een beslissende rol hebben in de verwezenlijking van het groot goddelijk plan van Barmhartigheid voor onze tijd.

 

Nu negeert zuster Faustina het. Erger! haar Visioen neemt het tegendeel. Op 16 december 1936 schrijft de Poolse religieuze: Ik heb deze dag geofferd voor Rusland, ik heb voor dit arme land al mijn lijden en mijn gebeden geofferd. Na de heilige Communie zei Jezus tot mij: Ik kan dit land niet langer verdragen, bind Mijn handen niet, mijn dochter! De Geest die haar inspireert vervangt voor Rusland Polen. Het Visioen zegt tot haar: Ik bemijn inzonderheid Polen, en indien het Mijn wil gehoorzaamt, zou Ik het verheffen in macht en in heiligheid. Uit het zal de vonk uitgaan die de wereld zal voorbereiden op Mijn uiteindelijke komst. (PJ, 1731)

 

Een vonk is wel uit Polen gesprongen in 1938, maar zij heeft de wereld in brand gestoken.

 

Een vonk is wel uit Polen gesprongen in 1978, met de verkiezing van Johannes Paulus II op de troon van Petrus, maar zijn pontificaat is, na dat van Paulus VI, het meest catastrofale geweest van heel de geschiedenis van de Kerk.

 

  1. Faustina vervangt de Onbevlekte

 

Meer nog dan Polen, is het zijzelf, zuster Faustina, die de laatste komst van Christus voorbereidt. Inderdaad, zij past op haar eigen persoon de profetieën toe van de heilige Louis-Marie Grignion de Montfort betreffende de Onbevlekte Moeder van God (Traité de la vraie dévotion, nrs. 49-50). Ja, de zuster neemt de plaats in van de Onbevlekte! Zij wordt niets minder dan de Vrouw gezegend onder alle vrouwen. Lees veeleer: Ik zag de Heer Jezus in grote Majesteit… Een kracht greep mijn ziel, een vreemd vuur ontstak zich in mijn hart en ik trad in een soort van doodsstrijd voor Hem. Plotseling hoorde ik deze woorden:

 

Met geen enkele ziel verenig Ik Mij zo nauw als met de uwe en dat om reden van uw diepe nederigheid (sic) en van de vurige liefde die gij voor Mij hebt. (PJ, 587)

 

Gij zult de wereld voorbereiden op Mijn laatste komst. (PJ, 429)

 

Het Visioen verklaart de religieuze Middelares: Ik wens dat uw hart de woning is van mijn barmhartigheid. Ik wens dat deze barmhartigheid zich over de hele wereld verspreidt door uw hart. (PJ, 1777)

 

En de zuster om te antwoorden: O mijn God, ik ben mij bewust van mijn zending in de Heilige Kerk. Mijn onophoudelijke inspanning moet het gebed zijn om de barmhartigheid voor de wereld te verkrijgen. Ik verenig mij nauw met Jezus en houd mij voor Hem, als een smeekoffer voor de wereld. God zal mij niets weigeren indien ik Hem smeek door de Stem van Zijn Zoon. (PJ, 482)

 

En niet door de voorspraak van Maria Middelares!

 

  1. Zuster Faustina waarborg van Karol Wojtyla

 

Tijdens haar retraite die begint op 1 augustus 1937, dicteert het Visioen aan de religieuze het gebed dat elke dag moet worden gezegd, van Goede Vrijdag tot de eerste zondag na Pasen, feest van de barmhartigheid.

 

De noveen verwezenlijkt zich volgens de volgende ordening: een woord van Jezus duidt haar aan welke categorie van zielen op deze dag van de Barmhartigheid moet genieten. Zuster Faustina moet ze in de Barmhartigheid onderdompelen. Dit woord wordt gevolgd door een gebed, een klein gedicht, dan tenslotte door een ander kort gebed van de zuster.

 

Ik wens dat gij gedurende deze negen dagen de zielen leidt tot de bron [?] van Mijn Barmhartigheid, opdat zij kracht en verlichting putten, evenals al de genaden waarvan zij nood hebben in de moeilijkheden van het leven en inzonderheid op het uur van de dood.

 

Elke dag zult gij tot Mijn Hart een nieuwe groep zielen leiden en gij zult ze onderdompelen in de onmetelijkheid van Mijn Barmhartigheid. En Ik, Ik zal ze allen leiden tot het huis van mijn Vader. Gij zult dat doen in dit leven en in het andere.

 

De openbaringen van zuster Faustina brengen dus een pretentieus mystieke waarborg aan de irenische gnosis van Johannes Paulus II. Deze heeft tot grondslag zijn kapitaal inzicht ingeschreven in alle letters in de Constitutie van Vaticanum II Gaudium et spes (22, 2), en die hij in zijn encyclieken heeft herhaald het nog meer beklemtonend: Door Zijn menswording heeft Christus Zich op zekere wijze verenigd met de mens, met elke mens zonder enige uitzondering [welke ook zijn godsdienst zij] zelfs indien deze laatste er zich niet van bewust is. (Redemptor hominis nrs. 10 en 14)

 

Volgens deze gnosis bestaat er een goddelijke realiteit aan het werk in de mens, in elke mens, die niet verbonden is, zoals men vroeger dacht, met het Doopsel of met de Eucharistie noch met enig ander sacrament, bron van de Genade, maar die rechtstreeks, ipso facto, dat wil zeggen op een mechanische wijze, solo mecano (Autodafé, blz. 372), voortkomt uit het feit van de Menswording.

 

Het is deze gnosis, merkt de Abbé de Nantes op, die zich zelfs in de Catechismus van de Katholieke Kerk insinueert, een beetje erbarmelijk vastgeklemd in stevig katholieke teksten, en zelf als geamputeerd van haar meest extreme stoutmoedigheden. (CRC nr. 291, april 1993, blz. 11) Het belet niet dat de dwaling blijft van een Zoon van God verenigd met elke mens, voor altijd, door Zijn mysteries, hen allen onfeilbaar reddend.

 

  1. Heil voor allen

 

Het is wat de noveen moet bewerken, natuurlijk, fysisch. Zuster Faustina moet achtereenvolgens onderdompelen in de Barmhartigheid: 1. Heel de mensheid, inzonderheid de zondaars; 2. De priesterlijke en religieuze zielen; 3. De vrome en getrouwe zielen; 4. De heidenen en diegenen die Mij nog niet kennen; 5. De ketters en de afvalligen; 6. De zoete en nederige zielen, evenals die van de kleine kinderen; 7. De zielen die inzonderheid Mijn Barmhartigheid vereren en verheerlijken. Deze zielen zullen stralen met een bijzondere glans in het toekomstige leven. Geen enkele zal in de hel gaan. 8. De zielen die in het Vagevuur zijn; 9. De onverschillige en koude zielen.

 

Voor deze zielen, dus voor alle zielen, is het niet alleen het eeuwig heil dat beloofd is, maar ook de zekere verhoring van hun gebeden en begeerten: Ik zal niets weigeren aan elke ziel die gij zult leiden tot de bron [?] van Mijn Barmhartigheid. En elke dag zult gij mijn Vader smeken, in de naam van Mijn pijnlijke Passie, om U genaden toe te kennen voor deze zielen daar.

 

In de encycliek Dives in misericordia heeft Johannes Paulus II de apologie gemaakt van deze universele, automatische barmhartigheid, zonder voorwaarde noch tegenprestatie. Hij herinnerde achtmaal dit woord van de Heilige Maagd: Zijn barmhartigheid strekt zich uit van geslacht tot geslacht… (Lc 1, 50), maar hij liet zesmaal de precisering over de begunstigden weg: over diegenen die Hem vrezen. Bovendien, in de twee passages waar deze beperking vermeld is, was zij zonder aanhalingstekens, als buiten de evangelische citatie, vreemd aan het woord van God bijgevolg.

 

Om aanvaard te worden van onze generatie gevormd door de marxistische mentaliteit dochter van die van de Verlichting, moet de barmhartigheid gegeven door Christus, volgens Johannes Paulus II, zonder voorwaarde verschijnen, niets opleggen aan de mens en vooral niet een vernederend gevoel van schuld. De nieuwe zending toegewezen aan de Kerk bestaat erin te getuigen van de goddelijke Barmhartigheid aan onze afvallige generatie, zonder van haar noch bekering noch berouw te eisen.

 

Vernieuwers… Ewa K. C. heeft goed het vernieuwende karakter van de barmhartigheid volgens zuster Faustina en volgens Johannes Paulus II genoteerd: In talrijke gelijkenissen met inbegrip van die van de Verloren Zoon, heeft Jezus herinnerd dat God een goede vader is die de berouwvolle zondaars afwacht die hun zonde en hun fout erkennen. Hij wil hen vergeven, en hen oprichtend uit hun val, hun de waardigheid herstellen. In deze context van de Menswording en van de Verlossing was de goddelijke barmhartigheid aanwezig in de redevoeringen van de concilies, van het Concilie van Trente, en in die van de pausen.

 

In zijn encycliek Dives in misericordia, uitgegeven in 1980, heeft Johannes Paulus II deze kwestie op een verschillende manier voorgesteld. In deze benadering verwijst de barmhartigheid zich niet tot het medelijden. (EKC, blz. 250)

 

Aan het medelijden van onze Hemelse Vader voor de onwaardige en schuldige mens die, door zijn zonde, zijn kindschap heeft verloren en Zijn toorn verdient, heeft Johannes Paulus II een recht van de zondaar op de barmhartigheid gesubstitueerd, want in het diepst van zichzelf ontdekt hij een waardigheid die zich oplegt aan God, die van mens te zijn. De Verloren Zoon had in geenszins zijn waardigheid noch zijn rechten verloren. In hoofdstuk 4 van Dives in misericordia is het deze oorspronkelijke menselijke waardigheid die zich oplegt aan de vader van de Verloren Zoon.

 

De Barmhartigheid is dan niet langer een genadige liefde van God, die de zondaar niet verdient.

 

Met Johannes Paulus II blijven wij in de orde van de schepping, beneden de Genade: de mens is zoon van God door geboorte en door natuur, en niet door vrije aanneming. De Barmhartigheid wordt dan het resultaat van een dubbele eis: de zoon als zoon eist de barmhartigheid, en de vader als vader is gedwongen barmhartigheid te doen. God is de barmhartigheid verschuldigd aan de mens in naam van zijn inheemse, natuurlijke waardigheid.

 

Zulk was de nieuwheid van de leer van Johannes Paulus II die zo de katholieke gedachte met het hedendaagse atheïsme trachtte te verzoenen, zoals de Abbé de Nantes heeft aangetoond (Livre d’accusation contre le pape Jean-Paul II, 1983, blz. 72-73).

 

De opvatting van de Barmhartigheid van de Poolse religieuze stemt overeen met die van de Poolse paus, in hun nieuwheid: het is een mechanica van de vergeving, zoals onze Vader zegt in zijn commentaar van Dives in misericordia. De goddelijke barmhartigheid wordt onvoorwaardelijk toegekend aan onze generatie zelfs opstandig tegen Jezus Christus en tegen Zijn allerheiligste Moeder.

 

  1. Stichtster van een nieuwe congregatie

 

Het is in juni 1935 dat zuster Faustina denkt haar congregatie te verlaten om een andere te stichten. Een visioen spoort haar ertoe aan: Ik zag de Heilige Maagd, onuitsprekelijk schoon, van het altaar naar mijn bidstoel komen. Zij drukte mij tegen Zich. Zij deed mij begrijpen dat ik alle wensen van God verwezenlijkte en dat ik om die reden genade in Haar ogen had gevonden: Wees moedig, vrees de illusoire obstakels niet, maar vestig uw blikken op de Passie van Mijn Zoon. Op deze manier zult gij de overwinning behalen. (PJ, 449)

 

Op 8 januari 1936 gaat zuster Faustina naar de aartsbisschop Jalbrzykowski om erover tot hem te spreken: De Heer Jezus eist van mij dat ik bid om de barmhartigheid van God voor de wereld af te smeken, en dat een Congregatie gesticht wordt die de Barmhartigheid van God voor de wereld zou afsmeken.

 

De aartsbisschop antwoordde mij: Indien zulk de wil van God is, een beetje vroeger of een beetje later, zal dat zich doen. Tracht een intieme vereniging met God te verkrijgen en verlies de moed niet. Deze woorden vervulden mij met een grote vreugde.

 

Toen ik van de aartsbisschop uitging, hoorde ik in mijn ziel deze woorden: Men zal u in vele dingen tegenwerken. Maar mijn genade zal zich in u tonen en men zal zien dat deze zaak de Mijne is. Wat u betreft, vrees niets, Ik ben altijd met u. (PJ, 586)

 

Op Palmzondag van 1936 gelooft zij begunstigd te zijn met een profetisch visioen betreffende de nieuwe congregatie: Niet alleen heeft zij haar innerlijke en uiterlijke ontwikkeling met nauwkeurigheid gezien en duidelijk gezien dat het een vrouwelijke en mannelijke congregatie zal zijn, maar zij heeft ook gezien dat het een grote bijeenkomst van leken zou zijn waaraan de hele wereld kan deelnemen en door haar daad getuigen van de goddelijke barmhartigheid, terwijl zij barmhartig zijn de enen voor de anderen.

 

Zij sprak erover tot de abbé Sopocko: Neem deze ideeën niet voor een dwaasheid, mijn Vader, want zij zijn de zuivere waarheid die spoedig in het werk zal worden gesteld en zelfs indien ik alleen moet handelen, ontmoedig ik mij niet, want ik weet dat zulk de wil van God is. (EKC, blz. 197)

 

Tijdens de Goede Week 1936, een innerlijke kracht drukte mij ertoe deze zaak niet langer uit te stellen [de gemeenschap verlaten…]. Ik zei tot pater Bukowski dat ik niet langer kon wachten. De Vader antwoordde mij: Mijn zuster, het is een illusie, de Heer Jezus kan dat niet eisen. Gij hebt uw eeuwige geloften uitgesproken. Dat alles is een illusie. Gij verzint mijn zuster, het is een ketterij. En hij riep bijna. Ik vroeg of alles illusie was, hij antwoordde mij: Alles.

 

Nochtans, op Witte Donderdag, keerde het Visioen terug tot de aanval: Zeg tot de biechtvader dat dit werk het mijne is en dat Ik u als ellendig instrument gebruik. (PJ, 645)

 

Zonder te wachten de goedkeuring van pater Andrasz te hebben, die zij de volgende dag moest ontmoeten, op het Feest van het Lichaam Gods, nam zuster Faustina haar beslissing: Zij zou de congregatie verlaten en een andere stichten.

 

Op 5 juli schrijft zij aan de abbé Sopocko: Ik voel dat het uur van God reeds gekomen is opdat ik mij tot handelen zet. De priester antwoordt haar: Volgens mij zou zulk een congregatie voor het ogenblik zonder u als diocesane congregatie moeten gesticht worden, en het is slechts in een tweede tijd, eens zulk een congregatie op de been gebracht, dat gij ze zou kunnen integreren. Zuster Faustina is het niet eens: Zij was altijd van mening dat de plicht een nieuwe congregatie te stichten alleen aan haar toekwam. (EKC, blz. 295)

 

In november 1936 schrijft zij hem opnieuw: Ik heb een licht in mijn ziel ontvangen dat ik deze onomkeerbare stap moet doen zonder rekening te houden met eender wat. Indien ikzelf actief moet deelnemen daaraan, zou ik mij absoluut moeten bevrijden niet alleen van deze congregatie, maar ook van mijn geloften. (EKC, blz. 296)

 

Of het nu de aartsbisschop van Vilnius, Mgr. Jalbrzyskowski, de generale overste, de oversten die haar gunstig waren, pater Andrasz, en zelfs de abbé Sopocko is, allen verzetten zich tegen haar project.

 

Nochtans, volgens haar hagiografe, spoorde Jezus zuster Faustina aan te handelen: Hij zei tot mij dat Hij eist dat zulk een congregatie zo spoedig mogelijk gesticht wordt – en gij zult er wonen met uw gezellinnen. Mijn geest zal de regel van uw leven zijn. Door uw gebeden zult gij de bemiddelaarster zijn tussen de aarde en de Hemel. (EKC, blz. 269)

 

Op 4 mei 1937 geeft Moeder Moraczewska, generale overste, toe aan haar aandringen, zeggend tot haar: Tot dan heb ik u weerhouden en nu laat ik u vrij: indien gij wilt, kunt gij de congregatie verlaten en indien gij verlangt te blijven, kunt gij er blijven. Zuster Faustina was niet alleen verbaasd, maar ook verschrikt. Zij had deze toestemming gevraagd, er sinds lang op gewacht en nu dat de beslissing gevallen was, voelde zij dat dat haar krachten te boven ging. (EKC, blz. 308)

 

Het Visioen had haar nochtans, met aandrang, sinds maanden aangekondigd, dat zij de kracht zou ontvangen deze stichting te doen.

 

Twee dagen later schrijft zuster Faustina aan de abbé Sopocko de toestemming verleend door de Moeder generaal verbergend: Ik ben een getrouwe dochter van de Kerk en zal niet afwijken met een haar van de heilige gehoorzaamheid. Ik zie dat het uur van God nog niet gekomen is voor deze congregatie, en ik laat het ook over aan de goddelijke Voorzienigheid. (Lettres de Sœur Faustine, blz. 91)

 

  1. Profetisch visioen van haar heiligverklaring

 

Haar obsessie van de heiligheid gaat spoedig een paroxysme bereiken. Op 23 maart 1937, onder de beweging van de Geest die haar leidt, ziet zij haar eigen proces van heiligverklaring.

 

Het Visioen toont haar eerst haar veroordeling van 1958: Enkele geestelijken begonnen mij te onderzoeken en mij te vernederen, of veeleer te bekritiseren wat ik had geschreven.

 

Dan haar rehabilitatie van 1978: Nochtans zag ik Jezus Zelf mijn verdediging opnemen en hun doen begrijpen wat zij niet wisten. Jezus beschouwde met grote welwillendheid en vreugde de Heilige Vader, bepaalde priesters en heel de clerus, het volk en onze congregatie.

 

Ik werd nadien overgebracht in de nabijheid van Jezus en ik hield mij staande op het altaar naast Onze Heer. Bij het einde van de retraite van oktober 1937 is zuster Faustina ervan overtuigd dat zij de top van de volmaaktheid heeft bereikt: Ik ga uit deze retraite geheel omgevormd door de liefde van God. Ofschoon uiterlijk dit leven in niets verandert en dat niemand het zal bemerken, leidt de zuivere liefde nu mijn leven. (PJ, 1363)

 

Intussen is zij zeer ziek, en wat zij voelt is de volledige ontbinding van mijn eigen lijk. Een religieuze merkt deze geur op: Mijn zuster, ik ruik hier, als een lijk, het is helemaal alsof het zich ontbindt. Oh! hoe is het afschuwelijk. (EKC, blz. 317)

 

  1. U bent een heilige

 

Zij vermeldt in haar Petit Journal de lijden die haar omgeving haar veroorzaakt, bijvoorbeeld zuster Chryzostoma, die haar hysterie betreurt, haar altijd de aandacht op haar eigen persoon ziend trekken.

 

Een zuster houdt niet op mij te vervolgen uniek omdat God zo nauwe betrekkingen met mij heeft; het schijnt haar toe dat alles in mij aangedaan is. Wanneer het haar toeschijnt dat ik enige overtreding bega, zegt zij dan: Men heeft verschijningen en men begaat zulke fouten.

 

En zij vertelt dat aan andere zusters, altijd in een ongunstige zin. Zij maakt mij de reputatie van een soort van gek te zijn. (PJ, 1527)

 

Zuster Faustina noteert wat men haar verwijt sinds haar intrede in de Congregatie: Het is heilig te zijn; maar dat wordt altijd gezegd op een ironische wijze, klaagt zij. In het begin was dat zeer pijnlijk voor mij, dan door mij geestelijk te verheffen, schonk ik er geen aandacht meer aan. Haar biografe heeft niet durven de volgende woorden aanhalen, die van haar Visioen zelf: Maar gij zijt heilig. Onder weinig zal Ik het Zelf in u doen verschijnen. En zij zullen ditzelfde woord heilig uitspreken, alleen deze maal met liefde. (PJ, 1571)

 

Zuster Faustina schrijft dat in haar Petit Journal stevig hopend dat het zal worden uitgegeven! In 1938, tegen half september, vertelt de abbé Sopocko, ging ik naar Krakau voor een congres van theologen. In het hospitaal voor infectie van Pradnik vond ik zuster Faustina reeds bediend. Zij was ernstig aangetast door de tuberculose.

 

Ik sprak tot haar, onder andere, over deze congregatie die zij wilde stichten. En hier dat zij stierf! Ik zei haar dus dat dat zeker een illusie was, en dat misschien al het overige dat zij mij had verteld evenmin stand hield.

 

Zuster Faustina beloofde er zich van te vergewissen bij de Heer Jezus.

 

De volgende dag, tijdens de heilige mis die ik tot haar intenties zei, kwam mij plotseling een idee: evenals zij niet had geweten het icoon te schilderen en slechts aanwijzingen heeft gegeven, kon zij deze nieuwe congregatie niet stichten, maar heeft zij de mijlpalen ervan gesteld. Dat de Heer haar aanspoorde, want men zou er nood aan hebben in een tijd van nakende beproevingen.

 

Toen ik dezelfde dag zuster Faustina ging zien en haar vroeg of zij mij niets te zeggen had, antwoordde zij: Neen, niets, tijdens de mis heeft de Heer Jezus U alles uitgelegd. (Winowska, Droit à la miséricorde, blz. 262)

 

Zuster Faustina stierf op 5 oktober 1938 te Krakau.

 

  1. Veroordeeld door Rome

 

Tijdens de jaren van de Tweede Wereldoorlog, en meer nog onder het Sovjetregime, gaat de cultus van de Barmhartigheid verspreid worden door de abbé Sopocko, des te gemakkelijker daar het enige woord van barmhartigheid de harten van de zo ongelukkige Polen raakt.

 

Het beeld werd in honderden exemplaren gekopieerd en, wat meer is, door verschillende kunstenaars. Het meest populaire werd verwezenlijkt en aangeboden door Adolf Hyla, om God te danken voor ontsnapt te zijn, hij en zijn familie, aan de Gestapo. Nochtans lokte het polemieken uit, vooral onder de clerici die deze Christus verwijfd vonden.

 

Het is merkwaardig dat dit beeld niet alleen het Kruis van Christus, dat er afwezig van is, evacueert, maar het photograph van Onze Heer Jezus Christus opgedrukt op de Heilige Lijkwade van Turijn verdringt, op het ogenblik dat het zich over de hele wereld verspreidde onder de invloed van de heilige Teresa van het Kind Jezus en van de werken van doctor Barbet, en ter gelegenheid van de viering van het jubileum van de Verlossing.

 

In 1946 vroeg de Conferentie van de bisschoppen van Polen aan Rome de toestemming om het feest van de Barmhartigheid in te stellen op de eerste zondag na Pasen. In 1951, terwijl het antwoord van Rome uitbleef, vroeg de generale Commissie van het episcopaat haar advies aan Mgr. Jalbrzykowski.

 

Deze gaf het in een tekst getiteld Over de beweerde verschijningen en visioenen van zuster Faustina: Ik aanbid de goddelijke Barmhartigheid en ik vraag altijd van God. Maar mijn opvattingen zijn zeer negatief wat de cultus van de goddelijke Barmhartigheid betreft voorgesteld vanuit de verschijningen-visioenen van zuster Faustina. De manier waarop deze cultus wordt verspreid is niet in overeenstemming met de geest van de heilige Kerk.

 

Ik heb categorisch verboden aan de abbé Sopocko de quasi-openbaringen van zuster Faustina te verspreiden. (EKC, blz. 369-370; Jan Grzegorczyk, blz. 83-84)

 

Wat de kardinaal Primass Wyszynski betreft, hij vond dat een bijzonder feest voor de goddelijke Barmhartigheid in te voeren de idee van de Barmhartigheid waarvan heel de liturgie elke zondag en dagelijks spreekt, zou beperken (Jan Grzegorczyk, blz. 225).

 

In mei 1957 lanceerde de kardinaal een groot pastoraal programma van negen jaar om de Polen voor te bereiden om het duizendjarig jubileum van het doopsel van Polen te vieren. Het was een geheim voor niemand dat, in deze situatie, de primaat niet bijzonder gunstig was voor de ontwikkeling van een cultus andere dan die van de Maagd, die de harde kern was van de grote noveen. (EKC, blz. 378)

 

De primaat was bezield door een ware devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van Fatima. Later, in 1980, verklaarde hij tot Johannes Paulus II: Het belangrijkste dat gij te doen hebt, het is de collegiale toewijding van Rusland aan het Onbevlekte Hart van Maria te voltrekken.

 

Maar laten wij terugkeren tot het einde van de jaren 1950.

 

Op 19 november 1958 nam het Heilig Officie een decreet in vijf punten aan: 1. Men moet zich niet hardnekkig houden ten voordele van het bovennatuurlijk karakter van de openbaringen van zuster Faustina. De visioenen en openbaringen van zuster Faustina hebben geen bovennatuurlijke oorsprong.

 

  1. Men moet de gebeden en de afbeeldingen die uit deze beweerde openbaringen voortkomen, intrekken.

 

  1. Het wordt de bisschoppen aangeraden de voorzichtigheid te bewaren zolang de elementen van de cultus van de goddelijke Barmhartigheid niet uit hun parochies zijn teruggetrokken.

 

  1. Het feest van de goddelijke Barmhartigheid mag niet ingesteld worden.

 

  1. Men moet een ernstige waarschuwing (gravissimum monitum) geven aan de abbé Sopocko hem bevelend te ophouden deze beweerde openbaringen en deze cultus te verdedigen en te verspreiden. (EKC, blz. 380; Jan Grzegorczyk, blz. 191-192)

 

De Primass Wyszynski was belast door het Heilig Officie over de toepassing van het decreet in Polen te waken.

 

Zijn pastorale besluiten werden nadien uitgegeven onder de vorm van een Notificatie in de Osservatore Romano van 6 maart 1959.

 

  1. Heiligverklaard door Johannes Paulus II

 

Na deze Notificatie nam Karol Wojtyla, jonge hulpbisschop van Krakau, de leiding van een samenzwering om de cultus van de Barmhartigheid volgens de praktijken van zuster Faustina te rehabiliteren.

 

Hij besloot zich niet frontaal tegen de Notificatie te verzetten, maar om haar herroeping te verkrijgen, gebruikte hij een omweg: Een eventuele goedkeuring van de zaligverklaring van zuster Faustina zou automatisch als gevolg hebben de erkenning van het bovennatuurlijk karakter van haar openbaringen en de bevestiging van de cultus van de goddelijke Barmhartigheid in vormen zoals Faustina ze had overgeleverd. (EKC, blz. 383)

 

In 1965, het jaar van de sluiting van het Tweede Vaticaans Concilie, verklaarde hij: Dit dossier is voor mij het belangrijkste. En het volgende jaar opende hij haar proces van zaligverklaring.

 

Ditzelfde jaar bereidde de bisschop van Fatima de vieringen van het jubileum van de verschijningen voor en hij nodigde Mgr. Wojtyla uit eraan deel te nemen te Cova da Iria. De toekomstige paus Johannes Paulus II weigerde de uitnodiging: hij antwoordde aan Mgr. Venancio, op 5 september 1966, dat het hem niet mogelijk zou zijn erheen te gaan.

 

Maar laten wij terugkeren tot zuster Faustina.

 

In 1969 antwoordde de consultor van de Congregatie voor de Geloofsleer dat haar proces door de Congregatie voor de heiligenprocessen kon worden voortgezet op voorwaarde gescheiden te zijn van haar visioenen en openbaringen. (EKC, blz. 385)

 

Maar het bleek onmogelijk haar deugden te onderzoeken zonder de oorsprong van haar visioenen te behandelen gezien de plaats die zij in haar leven hebben ingenomen.

 

De abbé Ignacy Rozycki, vriend en vroegere professor van Karol Wojtyla, was overtuigd dat zij slachtoffer was geweest van een hallucinatie ten gevolge van de hysterie. Daarom waren niet alleen haar vermoedelijke openbaringen van alle godsdienstige waarde ontbloot, maar ook het heldhaftige karakter van haar leven was vervallen. (EKC, blz. 386) Hij weigerde dus deel te nemen aan haar proces van zaligverklaring.

 

Intussen veranderde hij plots van positie (onder welke druk?) en trachtte de openbaringen te rechtvaardigen door ze te verdrinken in een lange commentaar die hun lacunes vulde en die de dwalingen verbeterde die door het Heilig Officie in de jaren 1950 waren ontdekt. Hij verwijderde zich zo van hun klaarblijkelijke zin.

 

De zaak van zuster Faustina kon nadien tot haar einde worden geleid zonder onoverkomelijk obstakel te ontmoeten dankzij de hervorming van de procedure van de processen van zaligverklaring opgelegd door Johannes Paulus II in 1983, in de Constitutie Divinus perfectionis magister. Een dienaar van God die naar ketterij ruikt kan voortaan zaligverklaard worden aangezien de contradictorische wisselingen bijna geheel verdwenen zijn uit de nieuwe procedure. Zo was de weg vrij voor de heiligverklaring van Johannes Paulus II zelf zonder dat het noodzakelijk was te antwoorden aan de Abbé de Nantes, advocaat van de duivel. Zuster Faustina werd eindelijk zaligverklaard op 18 april 1993. En om de maat vol te maken, werd de abbé Sopocko ook, op 28 september 2008, voor prijs van de heldhaftigheid van zijn ongehoorzaamheid!

 

  1. Zuster Lucy verdrongen

 

Wat was dan de houding van Johannes Paulus II ten opzichte van Fatima? Sinds het begin van zijn pontificaat vluchtte en vermeed hij de willen van Onze-Lieve-Vrouw, door dilatoire manoeuvres en namaak van de toewijding van Rusland: hij was, zo stelde onze Vader vast, overgegaan van een schijn van eerbied tot een vijandigheid, een strijd, een passie van verplettering van dit Gebeuren, van de profetieën die het begeleidden en van de ogenblikkelijke eisen van de Maagd, heftig verstikt, geweigerd… Mysterie, ja! van oneendracht, diep mysterie, niet van Liefde, maar van rivaliteit en van ongerechtigheid waarvan de Kerk lijdt en sterft. (CRC nr. 307, december 1994, blz. 7) Zuster Lucy, de zieneres van Fatima, heeft gezegd en herhaald: Of wij zijn van God, of wij zijn van de duivel. Er is geen middenweg.

 

Bij de heiligverklaring van zuster Faustina op 30 april 2000, maakte Johannes Paulus II zich waarborg van haar openbaringen. Ze driemaal vermeldend in zijn homilie, bevestigde hij inzonderheid: Jezus heeft tot zuster Faustina gezegd: De mensheid zal de vrede niet vinden zolang zij zich niet met vertrouwen tot de goddelijke barmhartigheid keert. (Petit Journal, blz. 132)

 

  1. De Maagd Maria gewond in de hiel

 

Vijftien dagen later, te Fatima, onthulde Johannes Paulus II zich als een vijand van de Heilige Maagd. Die Haar in de hiel wondt. (Livre d’accusation contre Jean-Paul II, blz. 131)

 

Inderdaad, tijdens de zaligverklaring van de twee kleine herders Francisco en Jacinta, maakte hij niet de minste vermelding van het Onbevlekte Hart van Maria, noch van de dringende eisen van de Koningin van de Hemel en van de aarde om de vrede aan de wereld toe te kennen.

 

De volgende maand, bij het openbaren van het authentieke derde Geheim van Fatima, presenteerde kardinaal Ratzinger het als het resultaat van projecties van de innerlijke wereld van kinderen die opgegroeid zijn in een sfeer van diepe vroomheid, maar die tegelijkertijd ontsteld waren door de storm die hun tijdperk bedreigde. Tot het einde van zijn beweerde theologische commentaar, zal hij insinueren dat de visioenen van het Geheim slechts verdichtsels van Lucy zijn, uit herinneringen van haar kinderlijke devoties: De conclusie van het Geheim, schrijft hij, herinnert de beelden die zuster Lucy kan hebben gezien in boeken van vroomheid en waarvan de inhoud voortkomt uit oude intuïties van het geloof.

 

Zuster Marie-Lucy van Jezus en van het Onbevlekte Hart had hem bij voorbaat geantwoord door haar getuigenis te hernieuwen in haar boek De Oproepen van de Boodschap van Fatima: Na de beschrijving van het leven van deze twee huishoudens, de Marto en de dos Santos, zult gij zonder twijfel begrijpen dat indien de ouders van de kleine herders getrouwe christenen waren, zij geheel onbekwaam waren in de geest van hun kinderen mystieke ideeën, of van een verheven spiritualiteit, te doen geboren worden, zoals men ziet in de Verschijningen van Fatima. Op zulk een wijze dat het werk van Fatima alleen van God geheel kan zijn.

 

  1. Johannes Paulus II de ketterse aartsvader

 

Indien onder de regering van Pius XII, de visioenen-openbaringen van zuster Faustina, vermeld in het Petit Journal, en naar behoren onderzocht door de theologen van het Heilig Officie, van alle bovennatuurlijk karakter ontbloot zijn gebleken, hoe komt het dat dertig jaar later, na het Tweede Vaticaans Concilie en onder de regering van Johannes Paulus II, geen enkel bezwaar van theologische orde officieel overbleef?

 

Wat zijn de omstandigheden, om de uitdrukking van de Notificatie van 15 april 1978 op te nemen, die de diepgaande verandering verklaren die is opgetreden? Ongetwijfeld was het de hervorming afgekondigd op Vaticanum II.

 

Dit Concilie heeft een leerstellig revolutie zonder precedent in heel de geschiedenis van de Kerk bewerkt, revolutie geïnspireerd voor een deel door Mgr. Karol Wojtyla, van wie het leven gemerkt is door een dubbele breuk, filosofisch en godsdienstig.

 

Onze Vader de Abbé de Nantes heeft de demonstratie ervan uitgegeven in zijn Livre d’accusation contre le pape Jean-Paul II, tot heden zonder antwoord van wie ook gebleven.

 

Vroeger, zo stelde hij vast, wisten de Poolse katholieken dat het leven slechts een moeilijke overgang is, een tijd van beproeving, een dal van tranen. Men moet veel bidden, zoals men altijd gebeden heeft, boete doen, lijden, zijn kruis dragen, de zonde overwinnen, de hel vrezen, sterven voorzien van de sacramenten van de Kerk om eindelijk naar de Hemel te gaan, enig voorwerp van onze werken.

 

Gebroken hebbend met deze traditie, is de godsdienst van de jonge student Wojtyla een gnosis geworden ontwikkeld vanuit een fundamentele dwaling die zal worden ingevoegd in de conciliaire Constitutie Gaudium et spes: Door Zijn menswording heeft de Zoon van God Zich op zekere wijze verenigd met elke mens. (22, 2) In deze gnosis wordt de Barmhartigheid een recht van de mens krachtens zijn waardigheid zonder weerga en onvervreemdbaar. Daarom zijn alle mensen gered.

 

Daarom heeft de Abbé de Nantes openbaar paus Johannes Paulus II beschuldigd een ketterse aartsvader te zijn, dat wil zeggen de schepper van een perfide leer, tegengesteld aan onze heilige christelijke godsdienst in haar beginsel, in haar wezen en in haar einde. Dat hij dus anathema zij schijnt mij zeer zeker. (CRC nr. 230, februari 1987, blz. 1)

 

Deze beschuldiging blijft in afwachting van een onfeilbaar oordeel van de hoogste autoriteiten van de Kerk.

 

De Abbé de Nantes is niet beluisterd omdat de beste katholieken te dikwijls tot enige gedragsregel de gehoorzaamheid hebben genomen aan diegenen die gezag hebben in de Kerk. Volgens het welbekende woord: Ik verkies ongelijk te hebben met de paus dan gelijk te hebben tegen hem. En onze Vader om hun te antwoorden: Laten wij ernstig zijn. Het belangrijke is niet met de paus te zijn. Met de paus te zijn heeft geen andere reden dan zo, door hem, met Jezus Christus te zijn. Tegen de paus te zijn zou nooit andere denkbare reden hebben dan met Jezus Christus te blijven, indien het Hem overkwam Zich van Hem te scheiden, hetgeen God verhoede! en alleen te leven in de onrust van zulk een toestand, in de angsten van zulk een tegenspraak.

 

Wat alleen, soeverein, van belang is voor de mystieke zielen, het is met Jezus Christus te zijn. Voor de glorie van de Vader, voor de liefde van deze Bruid en Koning vol van majesteit, voor de intieme vreugde van de Heilige Geest in ons, onderpand en pand van het eeuwig Leven. Een mystiek leven zo verheven, zo onlichamelijk dat niets het verontrust, niets het raakt en wondt, niets het zou kunnen doen opstaan, houdt op waar te zijn. Want het valt onder de zin dat er geen ware geestelijke vereniging met de driemaal Heilige God kan zijn zonder de vurige, exclusieve, echtelijke ijver van de unieke en kuise katholieke waarheid! zonder de afschuw van elke ketterij als van elk schisma. (CRC nr. 240, februari 1988, blz. 8-9)

 

Broeder Bruno van Jezus-Maria

 

  1. Nota van de redactie van CatholicaPedia

 

Indien de studies van de CRC en van Broeder Bruno van Jezus-Maria van goede kwaliteit zijn, belet dat niet dat hun formulering gebrekkig is door het feit dat zij geen onderscheid maken tussen de katholieke Kerk en de [marrano] Conciliaire sekte die de heilige Kerk van God verduistert! Ofschoon zij JP2 definiëren als KETTERSE AARTSVADER… erkennen zij hem nochtans als paus, daarmee binnentredend in de categorie van de R en R van de valse Weerstand die Erkennen-al-weerstand-biedend. De Katholieke Contra-Reformatie, nog altijd een Weg zonder uitkomst!!

 

  1. Lijst van bronnen

 

  1. Ewa K. Czaczkowska, Sœur Faustine, biographie d’une sainte, uitg. Salvator, Parijs, 2014, Frans.

 

  1. Petit Journal, uitg. Apostolat de la Miséricorde divine, 2010, Frans.

 

  1. Maria Winowska, Droit à la miséricorde, uitg. Saint-Paul, Parijs, maart 1958, Frans.

 

  1. Jan Grzegorczyk, Faustine, apôtre de la miséricorde, Cerf, Parijs, 2009, Frans.

 

  1. Dictionnaire de théologie catholique, artikel Canonisation, kol. 1644, Frans.

 

  1. Sainte Thérèse d’Avila, Vie écrite par elle-même, hoofdstukken 25 en 32, Frans.

 

  1. CRC nr. 75, december 1973, blz. 4-5, Frans.

 

  1. Maria Winowska, L’icône du Christ miséricordieux, uitg. Saint-Paul, 1973, Frans.

 

  1. Dictionnaire de spiritualité, t. 7, kol. 1774, Frans.

 

  1. CRC nr. 291, april 1993, blz. 18, Frans.

 

  1. Georges de Nantes, CRC nr. 123, november 1977, blz. 12, Frans.

 

  1. Saint Louis-Marie Grignion de Montfort, Traité de la vraie dévotion, nrs. 49-50, Frans.

 

  1. Karol Wojtyla, Redemptor hominis, nrs. 10 en 14, Latijn/Frans.

 

  1. Autodafé, blz. 372, Frans.

 

  1. CRC nr. 291, april 1993, blz. 11, Frans.

 

  1. Jean-Paul II, Dives in misericordia, 1980, Latijn/Frans.

 

  1. Georges de Nantes, Livre d’accusation contre le pape Jean-Paul II, 1983, blz. 72-73, Frans.

 

  1. Lettres de Sœur Faustine, blz. 91, Frans.

 

  1. CRC nr. 307, december 1994, blz. 7, Frans.

 

  1. Georges de Nantes, Livre d’accusation contre Jean-Paul II, blz. 131, Frans.

 

  1. CRC nr. 230, februari 1987, blz. 1, Frans.

 

  1. CRC nr. 240, februari 1988, blz. 8-9, Frans.

 

  1. Osservatore Romano, 6 maart 1959, Italiaans/Frans.

 

  1. Notificatie van de Heilige Congregatie voor de Geloofsleer, 15 april 1978, Latijn/Frans.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*