Het scapulier van Onze Lieve Vrouw
van de Berg Karmel
Inhoud
1 Oorsprong en betekenis
2 De grote belofte van vrijwaring van de hel
3 Bijstand en bevrijding uit het vagevuur
4 Wondergetuigenissen en mariale verschijningen
5 Geestelijke goederen en aflaten van de Broederschap
6 Geldige stof en behoorlijke draagwijze
7 Oplegging en vervanging
8 De medaille als toegestane vervanging
9 Leven als kind van Maria
Lijst van de Bronnen
Het bruine scapulier is een klein kleed met een grote belofte. Wie het godvruchtig draagt, vertrouwt zich toe aan de bijzondere bescherming van Maria in leven en sterven. Pius XII rekent deze devotie tot de eerste rang van de aanbevolen Maria-devoties: zij betreft onze kostbaarste aangelegenheid, het eeuwige heil. Hij noemt het scapulier een teken en onderpand van de bescherming van de Moeder Gods. [1]
1 Oorsprong en betekenis
De Karmelorde vereert de profeet Elias als haar geestelijke vader en Maria als haar Moeder en Beschermster. Haar overlevering verbindt haar oorsprong met de kluizenaars op de Berg Karmel. [5,14]
In de dertiende eeuw werden karmelieten door de dreiging van moslimstrijdkrachten gedwongen hun verblijfplaatsen op de berg Karmel in het Heilig Land te verlaten en in Europa veiligheid te zoeken. Daar ondervonden zij vervolgens tegenstand tegen de vestiging van hun orde. In die nood smeekte de heilige Simon Stock, een Engelsman en prior-generaal van de orde, Maria om bijzondere bescherming. Het verschijningsverhaal verbindt zijn smeekgebed met Flos Carmeli, waarvan hieronder een strofe volgt. [5,13,14]
Volgens de karmelitaanse overlevering verscheen Onze Lieve Vrouw hem te Aylesford in Kent, Engeland op 16 juli 1251, vergezeld van vele engelen, met het scapulier van de orde in haar handen. Zij reikte hem het scapulier aan als onderpand van haar bescherming. De heilige Alfonsus van Liguori geeft de belofte in deze Latijnse vorm weer: [5,14,15]
“Accipe, fili dilectissime, hoc tui ordinis scapulare, meæ confraternitatis signum, tibi et cunctis Carmelitis privilegium; in quo quis moriens æternum non patietur incendium.”
Vertaling: “Ontvang, zeerbeminde zoon, dit scapulier van uw orde, het teken van mijn broederschap, een voorrecht voor u en alle karmelieten; wie daarin sterft, zal het eeuwige vuur niet lijden.” [15]
Scapulier komt van het Latijnse scapula, schouder. Het kleine scapulier dat wordt opgelegd aan de gelovigen is een verkleinde vorm van het schouderkleed van de karmelieten. Later werden inderdaad ook leken door de oplegging met de Karmelfamilie verbonden en in de broederschap opgenomen. [7,13]
De kerkelijke concessies zijn door uitdrukkelijke besluiten gedocumenteerd. De officiële samenvatting van 1908 noemt de bevestiging van het zaterdagsprivilege door Clemens VII in Ex clementi van 12 augustus 1530, door de heilige Pius V in Superna dispositione van 18 februari 1566 en door Gregorius XIII in Ut laudes van 18 september 1577. Benedictus XIII breidde in 1726 het feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel, op 16 juli, tot de gehele Latijnse Kerk uit. Benedictus XIV behandelde het privilege in zijn werk over de feesten en beval het vertrouwen op Maria’s bijstand aan. [3,5,13,23]
Pius XI bekrachtigde de betekenis van deze devotie in Petis tu quidem van 18 maart 1922, bij de herdenking van zes eeuwen sinds de verbreiding van het zaterdagsprivilege. Pius XII verwelkomde in zijn brief van 11 februari 1950 de voorbereiding van het zevenhonderdjarig jubileum van 1951. Hij verbond het scapulier tevens met de toewijding aan het Onbevlekt Hart van Maria. [1,10]
2 De grote belofte van vrijwaring van de hel
De grootheid van de belofte ligt in de bijzondere bijstand van Maria om in Gods genade te sterven: volharding voor de rechtvaardige en bekering voor de zondaar. Zo legt de zalige Claude de la Colombière haar uit. Ook wie gevallen is, mag zijn toevlucht tot Maria nemen om zich met haar hulp te bekeren. [2]
Deze uitleg steunt op Maria’s voorspraak als Middelares van alle genaden. Ook de heilige Alfonsus nam de heilsbelofte op en prees het scapulier als teken van toewijding aan haar dienst en van het behoren tot haar familie. [13,15]
De gewone praktische voorwaarden worden als volgt samengevat: [7,8]
- Het scapulier geldig ontvangen door de vereiste zegening en oplegging.
- Het trouw en gewoonlijk dag en nacht dragen.
- Er bij het sterven mee bekleed zijn, of de volgens de kerkelijke regeling toegestane medaille dragen.
Het scapulier is een sacramentalie. Het vraagt geloof, vertrouwen en een christelijke levenswandel. Pius XII waarschuwt uitdrukkelijk tegen de gedachte “door geestelijke luiheid zalig te worden”. Maria’s belofte ontslaat niemand van berouw, het onderhouden van Gods geboden en het ontvangen van de sacramenten. Zij moedigt juist aan om met vertrouwen aan onze zaligheid te werken. [1,7]
Een goede dood sluit voor de zondaar waar berouw en verzoening met God in. Volmaakt berouw, dat uit liefde tot God voortkomt en het voornemen om te biechten insluit, kan hem reeds vóór de sacramentele absolutie met God verzoenen. Wie gevallen is, moet zich dus bekeren en zo spoedig mogelijk biechten. Het scapulier geeft geen vrijbrief om bewust in de zonde te volharden. [1,16]
3 Bijstand en bevrijding uit het vagevuur
Het zaterdagsprivilege betreft Maria’s bijzondere hulp na de dood. Het wordt afgekondigd door aan Johannes XXII toegeschreven bul Sacratissimo uti culmine, gedateerd 3 maart 1322. L’Année liturgique verhaalt dat de Heilige Maagd Maria in 1316 aan Jacques Duèze zijn verheffing tot paus voorspelde en hem opdroeg de bijzondere hulp voor haar karmelkinderen bekend te maken. Zijn verkiezing tot paus Johannes XXII vond inderdaad in 1316 plaats. [5,18,24]
De overgeleverde bultekst spreekt over de belofte van Onze Lieve Vrouw van de bevrijding uit het vagevuur op de eerste zaterdag na de dood.
Het Besluit van het Heilig Officie onder Paulus V van 20 januari 1613, hernomen in de officiële samenvatting van 1908 bevestigt de bul : de gelovigen mogen vroom vertrouwen op Maria’s bijstand aan overleden leden van de broederschap, door haar voortdurende voorspraak, verdiensten en bijzondere bescherming, vooral op zaterdag, de dag die aan haar is toegewijd. [3]
Ook Pius XII bevestigde dat Maria haar kinderen in het vagevuur door haar voorspraak helpt om zo spoedig mogelijk het eeuwige vaderland te bereiken.
Voor dit bijzondere voorrecht gelden de volgende voorwaarden: [3,7]
- In Gods genade sterven.
- Het scapulier geldig ontvangen hebben en tijdens het leven dragen.
- De kuisheid onderhouden volgens de eigen levensstaat: gehuwd, ongehuwd, priester of religieus.
- Dagelijks het Kleine Officie van Onze Lieve Vrouw bidden, of een geldig toegestaan vervangend werk verrichten. De meeste priesters commuteren deze vereiste in het dagelijkse bidden van een rozenhoedje.
Inderdaad, wie het Kleine Officie niet kan bidden, onderhoudt de kerkelijke vasten en onthoudt zich bovendien op woensdag en zaterdag van vlees, behalve wanneer Kerstmis op zo’n dag valt.
Een bevoegde priester kan, binnen zijn bevoegdheid, een vervangend werk voorschrijven, zoals ik schreef bijvoorbeeld dagelijks vijf tientjes van de rozenkrans. Een zelfgekozen rozenhoedje vervangt het Kleine Officie dus niet vanzelf. Deze aanvullende gebedsvoorwaarden horen bij het zaterdagsprivilege en moeten van de gewone voorwaarden van het scapulierdragen worden onderscheiden. [3,4,7]
4 Wondergetuigenissen en mariale verschijningen
Oude katholieke schrijvers verhalen talrijke gevallen van wonderbare bescherming. De zalige Claude de la Colombière beroept zich in zijn scapulierpreek uitdrukkelijk op de wonderen die deze devotie bevestigen. De volgende voorbeelden verdienen vermelding. [2,5]
- Winchester, 1251. Savaria verhaalt dat Simon Stock bij een stervende zondaar werd geroepen die de sacramenten weigerde. Nadat Simon hem het scapulier had opgelegd, bekeerde de man zich, biechtte en ontving de sacramenten. Hij stierf verzoend met God. Dit verhaal wordt bij Savaria met de dag van de verschijning verbonden. [5]
- Montpellier, 1622, tijdens het beleg door Lodewijk XIII. Volgens Claude de la Colombière doorboorde een kogel de kleren van een soldaat, maar bleef hij bij het scapulier steken zonder de man te verwonden. [2,21]
- Ieper, 1648. Dezelfde priester J. T. Savaria verhaalt dat een kapitein door zijn scapulier tegen een musketkogel werd beschermd. Hij verwijst naar een proces-verbaal dat op 9 september 1651 bij de ongeschoeide karmelieten te Brugge werd opgesteld. [5]
- Ballon, 1719. Savaria vermeldt verder nog dat een brand in dit plaatsje van het bisdom Metz bedaarde nadat iemand een scapulier in de vlammen had geworpen. Het scapulier bleef op een brandende balk behouden. Volgens zijn verslag liet de bisschop de gebeurtenis vaststellen. [5]
- King of the Ocean, 1845. Haffert verhaalt dat een jonge Ierse matroos tijdens een hevige storm zijn scapulier in zee wierp en Maria aanriep. De storm bedaarde; het scapulier kwam met een golf weer aan dek terecht. [19]
- De heilige Alfonsus van Liguori. Haffert vermeldt dat de heilige met zijn scapulier werd begraven en dat dit bij een latere opgraving gaaf werd aangetroffen, hoewel zijn lichaam en bisschoppelijke gewaden vergaan waren. [17]
- Bescherming bij blikseminslag. Savaria vermeldt, naar een brief uit Gent van 2 februari 1896, een geval te Merendree in Oost-Vlaanderen: van twee mannen die tijdens een onweer onder een boom stonden, werd de ene door de bliksem gedood, terwijl zijn met het scapulier beklede metgezel ongedeerd bleef. [5]
Dit zijn historische wondergetuigenissen. Zij ondersteunen het vertrouwen op Maria’s bescherming en geven geen aanspraak op onkwetsbaarheid. De bescherming wordt aan God door Maria’s voorspraak toegeschreven. [2,5,17,19]
Ook Lourdes en Fatima hebben een opmerkelijke band met het karmelfeest en de karmeldevotie. De laatste verschijning te Lourdes vond plaats op 16 juli 1858. Lucia beschrijft in haar Vierde Herinnering dat zij op 13 oktober 1917 Maria zag in een verschijningsvorm die op Onze Lieve Vrouw van Karmel geleek. [11,12]
Volgens Hafferts verslag van zijn gesprek met Lucia in 1946 verscheen Maria in het karmelhabijt met het scapulier in haar hand. In zijn boek uit 1956 geeft hij bovendien het gesprek van pater Howard Rafferty met Lucia op 15 augustus 1950 weer. Op de vraag naar de samenhang met de rozenkrans antwoordde zij volgens dat verslag:
“The Scapular and the Rosary are inseparable.”
Vertaling: “Het scapulier en de rozenkrans zijn onafscheidelijk.” Het betreft hier een door Haffert overgeleverd gespreksverslag. [20,22]
5 Geestelijke goederen en aflaten van de Broederschap
Wie in de Scapulierbroederschap wordt opgenomen, wordt met de geestelijke familie van de Karmel verbonden en deelt in haar gebeden, goede werken en geestelijke verdiensten. De Kerk heeft bovendien talrijke volle en gedeeltelijke aflaten verleend. De officiële samenvatting van 1908 noemt onder meer volle aflaten op de dag van opname, op het feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel op 16 juli en bij het sterven, telkens met de daarvoor gestelde voorwaarden. [3,5,7]
Bij de gewone volle aflaten worden biecht, communie en gebed volgens de pauselijke intenties voorgeschreven. Voor de stervensaflaat vermeldt de samenvatting minstens berouw en het godvruchtig aanroepen van Jezus’ Naam, zo mogelijk met de mond, anders in het hart. De daarin opgesomde aflaten kunnen ook aan overleden gelovigen worden toegepast, behalve de eigen stervensaflaat. [3]
6 Geldige stof en behoorlijke draagwijze
De gewone kerkelijke voorschriften voor het stoffen scapulier zijn duidelijk: [6,7]
- Stof: de twee eigenlijke lapjes bestaan uit zuivere, geweven wol. Katoen, zijde, synthetische of gemengde stof, gebreide wol en uitsluitend geperst wolvilt voldoen daarvoor niet. Bijkomende versieringen mogen wel van ander materiaal zijn.
- Kleur en vorm: bruin of zwart, vierkant of rechthoekig. Afbeeldingen zijn toegestaan maar niet vereist; de voorgeschreven kleur moet overheersen.
- Verbinding: de twee lapjes worden door koordjes of lintjes verbonden; deze mogen van ander materiaal zijn.
- Draagwijze: over de schouders, met één lapje op de borst en één op de rug. Het in een zak of tas meenemen vervangt deze draagwijze niet. Rechtstreeks huidcontact is niet vereist.
7 Oplegging en vervanging
Een daartoe bevoegde priester zegent het scapulier en legt het volgens de ritus van het Rituale Romanum op, met opname in de broederschap. Deze oplegging en opname is eenmalig. Men draagt het daarna dag en nacht. De priester verzorgt ook de voorgeschreven inschrijving; blijft deze achterwege, dan ontneemt dat volgens de kerkelijk goedgekeurde instructie van 1945 de opgenomen gelovige niet daarom de geestelijke gunsten. [7] Wegens de kerkcrisis en het ontbreken van een eerse Karmelorde (Paters en Broeders Karmelieten) is deze opname namelijk in onbruik gevallen.
Een versleten of verloren stoffen scapulier vervangt men eenvoudig door een nieuwe, zonder nieuwe opname en zonder nieuwe zegening. Tijdelijk afdoen verbreekt op zichzelf het lidmaatschap niet. Wie het zonder minachting heeft afgelegd, hervat eenvoudig het dragen. Iedere vervangende scapuliermedaille moet wel opnieuw worden gezegend. Een onbruikbaar geworden stoffen scapulier wordt uit eerbied verbrand. [5,7,9]
8 De medaille als toegestane vervanging
De heilige Pius X stond bij besluit van het Heilig Officie van 16 december 1910 toe het stoffen scapulier door een metalen medaille te vervangen. Volgens de gewone regeling ontvangt men eerst de oplegging van het stoffen scapulier. De voorschriften voor de medaille zijn: [8]
- Aan één zijde staat Christus die zijn allerheiligst Hart toont; aan de andere zijde staat Onze Lieve Vrouwvan de Karmel.
- De medaille wordt gezegend door een priester met de vereiste bevoegdheid. Voor ieder scapulier dat zij vervangt, ontvangt zij de afzonderlijke zegening; deze kan met één kruisteken worden gegeven.
- Men draagt haar om de hals of op een andere eerbiedige wijze op de eigen persoon.
Eén medaille kan meerdere goedgekeurde kleine (andere) scapulieren vervangen. De eigen voorwaarden blijven gelden. Het besluit behoudt alle eraan verbonden geestelijke gunsten en aflaten en noemt uitdrukkelijk het zaterdagsprivilege. De concessie betreft niet de eigen scapulieren van de derde orden. [8]
Pius X sprak zijn sterke voorkeur uit voor het blijven dragen van het stoffen scapulier. De medaille kan praktisch zijn voor onder anderen missionarissen, soldaten, hospitaalpatienten, sporters (zwemmers, gevechtsporten edm) of wanneer het stoffen kleed in warme streken moeilijk te dragen is. Haar toelating is evenwel niet wettelijk beperkt tot allergie, tropische landen of noodsituaties. [8,13]
9 Leven als kind van Maria
Het scapulier herinnert ons dag en nacht aan onze toewijding aan Maria. Het nodigt uit haar deugden na te volgen, haar dagelijks met vertrouwen aan te roepen vooral met de rozenkrans, en met haar hulp trouw te blijven aan Christus. Pius XI verbond de hoop op haar bijstand bij het sterven met het vermijden van de zonde en het eren van Maria tijdens het leven. Zo gedragen is het scapulier een kostbaar onderpand van moederlijke bescherming, voor onze weg naar het eeuwige vaderland. [1,10]
Het oude karmelgebed vat die liefde samen:
“Flos Carmeli, vitis florigera, splendor caeli, Virgo puerpera singularis.”
Vertaling: “Bloem van Karmel, bloeiende wijnstok, glans van de hemel, onvergelijkelijke Maagd en Moeder.” [13]
Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel, bid voor ons.
Bronnen
- Pius XII, brief Neminem profecto latet, 11 februari 1950, Acta Apostolicae Sedis, XLII, Rome, Typis Polyglottis Vaticanis, 1950, blz. 390–391. Latijn.
- Claude de la Colombière S.J., Œuvres du R. P. Claude de la Colombière, de la Compagnie de Jésus, nouvelle édition, Avignon, Seguin Aîné, 1832, deel III, preek over het scapulier, in het bijzonder blz. 26–27 en 33–47. Frans.
- Congregatie der Aflaten en Heilige Relieken, Summarium indulgentiarum, privilegiorum et indultorum confratribus S. Scapularis B. M. V. de Monte Carmelo a Romanis Pontificibus concessorum, goedgekeurd 4 juli 1908, Acta Sanctae Sedis, XLI, Rome, 1908, blz. 608–611; herdruk van het besluit van 20 januari 1613 op blz. 609–610. Latijn.
- Congregatie der Aflaten, Decretum de Guatemala, besluit 11 juni, goedgekeurd door Leo XIII op 14 juni 1901, Acta Sanctae Sedis, XXXIV, Rome, 1901–1902, blz. 120–121. Latijn.
- J. T. Savaria, Le scapulaire de Notre-Dame du Mont-Carmel suivi de quelques considérations sur la communion des saints et sur la dîme, Montréal, Monastère des Carmélites, 1898, blz. 5–7, 41–48, 66, 185–189 en 235–237. Frans.
- Congregatie der Aflaten en Heilige Relieken, decreet Urbis, 20 juli 1868, bekrachtigd door Pius IX op 18 augustus 1868, Acta Sanctae Sedis, IV, Rome, 1868, blz. 99–101, vragen I–V. Latijn.
- Scapular Instructions, kerkelijk goedgekeurde uitgave met imprimatur van aartsbisschop Daniel Mannix, Melbourne, 20 januari 1945; onderdelen over de oplegging, het scapulier zelf en de scapuliermedaille. Engels.
- Heilig Officie, decreet Cum sacra, 16 december 1910, Acta Apostolicae Sedis, III, Rome, Typis Polyglottis Vaticanis, 1911, blz. 22–23. Latijn.
- Heilig Officie, Solvitur dubium de ss. numismatibus loco scapularium benedicendis, besluit 10 mei, goedgekeurd door Benedictus XV op 11 mei 1916, Acta Apostolicae Sedis, VIII, Rome, Typis Polyglottis Vaticanis, 1916, blz. 175–176. Latijn.
- Pius XI, brief Petis tu quidem, 18 maart 1922, Acta Apostolicae Sedis, XIV, Rome, Typis Polyglottis Vaticanis, 1922, blz. 274. Latijn.
- Henri Lasserre, Les apparitions de la Très-Sainte Vierge Marie à la grotte de Lourdes et le jaillissement de la source miraculeuse. Premier extrait de Notre-Dame de Lourdes, Trois-Rivières, Librairie du Sacré-Cœur, P. V. Ayotte & Cie, 1883, blz. 124–125. Frans.
- Zuster Lucia, Vierde Herinnering, voltooid op 8 december 1941, deel II, § 8, in Memórias da Irmã Lúcia I, verzameld door Luís Kondor, dertiende editie, Fátima, Secretariado dos Pastorinhos, 2007, blz. 182. Portugees; geraadpleegde heruitgave van de getuigenis uit 1941.
- Christian P. Ceroke O.Carm., The Scapular Devotion, in Juniper B. Carol O.F.M. (red.), Mariology, deel III, Milwaukee, The Bruce Publishing Company, 1961, blz. 129–142; Flos Carmeli op blz. 131, noot 10. Engels, met Latijnse teksten.
- Anoniem, Carmelite Order, in Manly. Pro Deo et Australia, deel VIII, nr. 3, juli 1951, blz. 48, binnen de reeks Deus Incrementum Dedit. Engels.
- Alfonsus van Liguori, The Glories of Mary, vertaald uit het Italiaans, tweede Amerikaanse editie, New York, Edward Dunigan and Brother, 1852, deel II, Devotion VI — Of the Scapular, blz. 659–661, in het bijzonder blz. 660 met de Latijnse belofte. Engels; oorspronkelijke taal Italiaans.
- Concilie van Trente, sessie XIV, 25 november 1551, leer over het sacrament van boetvaardigheid, hoofdstukken IV–V over berouw en biecht. Oorspronkelijk Latijn.
- John M. Haffert, Saturday in purgatory?, New York, The Scapular Press, 1943, blz. 12; imprimatur Francis J. Spellman, 13 februari 1943. Engels.
- L’Année liturgique, onder de naam van Dom Prosper Guéranger, Quatrième volume de la continuation, Le Temps après la Pentecôte, deel IV, Propre des Saints du VIII juillet au XXII août. L’Assomption, tiende editie, Paris–Poitiers, Librairie H. Oudin, 1913, blz. 152. Frans.
- John M. Haffert, Mary in Her Scapular Promise, onderdeel A Heavenly Garment, verhaal over King of the Ocean. Tweede editie: Sea Isle City, New Jersey, The Scapular Press, 1942. Gedrukte paginering van de geraadpleegde tekstweergave niet vastgesteld. Engels.
- John M. Haffert, Sign of Her Heart, Washington, New Jersey, Ave Maria Institute, 1971; later verslag van het gesprek met Lucia in 1946, onderdeel Saint Dominic’s Prophecy, Fatima and the Scapular. Gedrukte paginering niet vastgesteld. Engels.
- Maria-Dominik, Szkaplerz w życiu chrześcijanina, Het scapulier in het leven van de christen, Głos Karmelu, jaargang XX, nr. 7–8, 1951, blz. 183, noot 9. Pools.
- John M. Haffert, Russia Will Be Converted, Washington, New Jersey, AMI, 1956; gespreksverslag van pater Howard Rafferty met Lucia op 15 augustus 1950. Imprimatur George W. Ahr, bisschop van Trenton. Gedrukte bladzijde niet met zekerheid vastgesteld. Engels.
- Joseph Hilgers, Sabbatine Privilege, in The Catholic Encyclopedia, deel XIII, New York, Robert Appleton Company, 1912, gelijknamig lemma. Engels.
- Johann Peter Kirsch, Pope John XXII, in The Catholic Encyclopedia, deel VIII, New York, Robert Appleton Company, 1910, gelijknamig lemma. Engels.